Praktijk

Primair hyperaldosteronisme [Kennistoets]

Gepubliceerd
7 april 2020
Toets uw kennis.
0 reacties

1. Van patiënten met primair hyperaldosteronisme (PHA) is bekend dat zij bij gelijke bloeddruk een hoger cardiovasculair risico hebben dan patiënten met essentiële hypertensie. Welk effect heeft adequate behandeling op dit risico?

a. Het risico wordt lager.

b. Het risico blijft gelijk.

c. Het risico wordt hoger.

 

2. Uit een recente meta-analyse bleek dat patiënten met PHA een verhoogd risico hebben op verschillende cardiovasculaire complicaties, in vergelijking met patiënten met essentiële hypertensie. Het risico op welke aandoening is het sterkst verhoogd?

a. Atriumfibrilleren

b. Beroerte

c. Coronairlijden

d. Hartfalen

 

3. Bij PHA is het advies om de aldosteron- en reninespiegels te laten bepalen. Welke uitslag van de aldosteron-renine-ratio (ARR) past bij deze diagnose?

a. Ratio verlaagd (aldosteron verlaagd, renine verhoogd)

b. Ratio onveranderd (aldosteron verhoogd, renine verhoogd)

c. Ratio onveranderd (aldosteron verlaagd, renine verlaagd)

d. Ratio verhoogd (aldosteron verhoogd, renine verlaagd)

 

4. De bloedafname voor bepaling van de ARR dient ongestuwd plaats te vinden, na vijf tot tien minuten zitten. Welke condities zijn daarnaast van belang?

a. Onder huidige antihypertensiva: om 10.00 uur en om 16.00 uur

b. Onder huidige antihypertensiva: vóór 10.00 uur

c. Zonder antihypertensiva: om 10.00 uur en om 16.00 uur

d. Zonder antihypertensiva: vóór 10.00 uur

 

5. De NHG-Standaard CVRM suggereert het voorschrijven van mineralocorticoïdenantagonisten (MRA’s), zoals spironolacton, als vierde antihypertensief middel bij therapieresistente hypertensie of bij comorbiditeit als atriumfibrilleren of hartfalen. Wat noemen de auteurs hierbij als risico?

a. Gebruik van spironolacton is bij PHA gecontra-indiceerd, vanwege het risico op ernstige hyperkaliëmie.

b. Gebruik van spironolacton is bij PHA gecontra-indiceerd, vanwege het risico op acute nierinsufficiëntie.

c. Spironolacton kan symptomen van PHA maskeren en diagnostiek bemoeilijken.

 

6. De NHG-Standaard CVRM adviseert om bij het vermoeden van wittejassenhypertensie laagdrempelig een andere methode van bloeddruk meten toe te passen, zoals een geprotocolleerde thuismeting, een 30-minutenmeting of een 24-uursmeting. Welke waarde van de 24-uursmeting correspondeert met een spreekkamermeting van 140 mmHg systolische druk?

a. 120 mmHg

b. 130 mmHg

c. 140 mmHg

d. 150 mmHg

 

7. Bij de heer Verschuren, 38 jaar, is hypertensie vastgesteld. Zijn bloeddruk is bij herhaling 165/95 mmHg, ondanks verbetering van zijn leefstijl. Omdat er bij zijn vader en oudere broer ook sprake was van hypertensie < 40 jaar, heeft de huisarts in overleg de ARR laten bepalen. Deze is niet afwijkend: er is geen sprake van primair hyperaldosteronisme. De heer Verschuren heeft geen proteïnurie of hypercholesterolemie. In overleg met de huisarts besluit hij te gaan starten met een antihypertensivum. Is er in dit geval een voorkeur voor een specifieke groep?

a. Ja, een ACE-remmer

b. Ja, een calciumantagonist

c. Ja, een diureticum

d. Nee, er is geen voorkeur

 

8. Mevrouw Schneider, 57 jaar, heeft hypertensie. Verder heeft ze een blanco voorgeschiedenis. Ondanks gebruik van hydrochloorthiazide en amlodipine blijft haar bloeddruk boven de streefwaarde. Haar nierfunctie en kaliumgehalte zijn niet afwijkend. Welk beleid is op dit moment aangewezen?

a. Bepalen van de ARR

b. Toevoegen van een ACE-remmer

c. Toevoegen van een bètablokker

d. Toevoegen van een spironolactone

De kennistoets is gemaakt door Anne Klijnsma, huisarts en toetsredacteur. Over vragen en antwoorden wordt niet gecorrespondeerd.

Antwoorden

1b / 2a / 3d / 4d / 5c / 6b / 7d / 8b

Literatuur

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen