Nieuws

Standpunt DiHAG over insulinetherapie in de huisartsenpraktijk

0 reacties
Gepubliceerd
10 maart 2006

Jaarlijks komt 5 tot 10% van een eerstelijnspopulatie patiënten met diabetes type 2 (DM2) in aanmerking voor behandeling met insuline. Sinds de herziene NHG-Standaard DM2 uit 1999 zijn er voor de eerste lijn richtlijnen voorhanden om patiënten zelfstandig in te stellen op insuline in de eerste lijn. In de nieuwe NHG-Standaard (zie elders in dit nummer) worden de richtlijnen en handvatten nog uitvoeriger beschreven. Het komt dan ook steeds vaker voor dat de huisarts over gaat tot behandeling met insuline. De Diabetes Huisartsen Adviesgroep (DiHAG) heeft een standpunt ingenomen onder welke voorwaarden men insulinetherapie in de huisartsenpraktijk kan inzetten. Dit standpunt is voorgelegd aan de Sectie Praktijkondersteuners van de LVW, de EADV en de NVDA. Hier beschrijven we de belangrijkste punten (zie voor het hele standpunt www.dihag.nl):

  • De huisarts is eindverantwoordelijk voor de insulinetherapie. De huisarts moet kennis van en ervaring met insulinetherapie hebben. Als in een samenwerkingsverband met meerdere huisartsen wordt gewerkt (bijvoorbeeld in een HOED), dan heeft ten minste één huisarts die kennis en bekwaamheid.
  • Er moet een protocol over insulinetherapie in de praktijk aanwezig zijn. De verschillende handelingen zijn in procedures (bijvoorbeeld peninstructie) beschreven. Het verdient de voorkeur de insulinetherapie af te stemmen met een van de diabetologen uit de regio, bijvoorbeeld in het kader van het FTO.
  • Om ervaring te houden is het nodig om tenminste 10 patiënten per jaar in te stellen.
  • Er moeten afspraken worden gemaakt over de continuïteit van de bereikbaarheid in verband met vragen en problemen waar de patiënt tijdens de eerste fase van het instellen op insuline mee geconfronteerd kan worden.
  • De praktijkondersteuner dient de officiële beroepsopleiding aan één van de Hogescholen te hebben gevolgd. De praktijkondersteuner moet aanvullende kennis en vaardigheden hebben op het gebied van insulinetherapie, bovenop de kennis en vaardigheden vastgelegd in de competenties medisch-inhoudelijke eindtermen. De praktijkondersteuner heeft hiervoor een post-POH-certificaat. Daarnaast blijft na- en bijscholing op dit terrein van belang.
  • Bij insulinetherapie is het verstandig om goede samenwerkingsafspraken te maken met andere zorgverleners die bij de diabeteszorg zijn betrokken, bijvoorbeeld de diëtiste en de podotherapeut en de diabetesverpleegkundigen in de regio. Wat zijn aanvullende bekwaamheden en vaardigheden? Welke afspraken kunnen samen gemaakt worden?

Om huisartsen en praktijkondersteuners te scholen, startte begin 2006 de landelijke cursus ‘Insulinetherapie in de eerste lijn’. De Stichting Langerhans verzorgt de cursus, onder auspiciën van de EADV en de DiHAG. De cursus is voor huisartsen en praktijkondersteuners. Meer informatie hierover op www.langerhans.com. Namens de DiHAG, B. Bakker, G.S. Eisma, S.T. Houweling, M. van Kruijsdijk, E.C. Romijn

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen