Nieuws

Technologie en voortplanting

0 reacties
Gepubliceerd
10 november 2001

Vele technische mogelijkheden, zoals donorinseminatie, IVF, eiceldonatie en draagmoederschap, voorzien in de wens om kinderen te krijgen. De biologische relatie tussen ouder en kind verandert en hiermee veranderen tevens begrippen als banden van vlees en bloed. Wat betekent ‘een eigen kind’ nog en hoever gaan keuzes bij een uitdijende infertiliteitsmarkt? Hoewel het om individuele keuzes van mensen gaat, leiden deze nieuwe reproductieve technologieën ook tot debatten en keuzes op andere terreinen zoals die van de ethiek en het recht. Beide aspecten komen in dit boek aan bod. Het boek wil inzicht geven in de manier waarop ideeën over verwantschap vormgeven aan de nieuwe reproductietechnieken en tegelijkertijd in de manier waarop de nieuwe technieken het begrip verwantschap veranderen. Vier empirische onderzoeken worden beschreven. Twee belichten de gevolgen van de nieuwe mogelijkheden vanuit de beroepsgroep van respectievelijk infertiliteitsspecialisten en parlementsleden, en twee vanuit het lekenperspectief. Het gaat hierbij om kwalitatieve onderzoeken waarbij het belang schuilt in het zichtbaar maken van bijvoorbeeld de manier waarop clinici hun taakopvatting aan anderen uitleggen, parlementariers debatteren over de betekenis van fertiliteit, gezinsleden denken over de gevolgen van geassisteerde voortplanting voor hun familiebetrekkingen en individuen het voordeel van behandeling afwegen tegen adoptie. De interviews met de clinici richten zich op het terugplaatsen van meerdere embryo's/eicellen bij IVF/GIFT-procedures en op eiceldonatie. Het is duidelijk dat clinici beslissingen moeten nemen over wie er in aanmerking komt voor hulp, terwijl selectiecriteria niet louter medisch zijn. Denk maar aan de wens van postmenopauzale geassisteerde zwangerschappen. Er bestaat onder de geïnterviewden grote zorg over de grenzen van het medisch professioneel handelen. Edwards bespreekt met ongeveer 40 inwoners van een klein stadje de mogelijke gevolgen van de verschillende nieuwe reproductiemogelijkheden voor ouderschap, moederschap en familierelaties. De respondenten signaleren drie soorten gevaren. Allereerst het psychologische gevaar dat kinderen niet over hun artificiële verwekking wordt verteld en er toch achterkomen. Het biologische gevaar schuilt in de genetische risico's die kunnen optreden als anonieme donoren verwanten zouden zijn. Het derde gevaar, het relationele, is het verstoren van bestaande relaties binnen een kleine gemeenschap. Het volgende hoofdstuk laat twaalf echtparen aan het woord, die in de context van hun relatie praten over de nieuwe voortplantingstechnieken. Deze respondenten zijn bezorgd over de ontwikkeling dat kinderen krijgen in de toekomst onderdeel wordt van een consumentencultuur en dat de conceptie gereduceerd wordt tot koop- en consumptiegedrag. Zij vrezen dat de technische mogelijkheden om een genetisch sterk ras te creëren vooral de machtigen zal bevoordelen. Franklin tot slot analyseert het parlementaire debat dat in Engeland is gevoerd over kunstmatige fertiliteit met als belangrijkste bron de vragen die de parlementariërs elkaar stelden. Het onderwerp verwantschap komt daarbij wonderlijk genoeg zelden aan de orde. Deze vier onderzoeken laten zien welke rol het culturele domein van de verwantschap speelt in het denken van mensen over de sociale implicaties van de nieuwe reproductietechnieken. Het boek heeft een sociologische en antropologische signatuur. Het beschrijft dilemma's en meningen van mensen als onderdelen van microculturen, ook al wordt de verscheidenheid van alle respondenten benadrukt. Niet alle hoofdstukken zijn even gemakkelijk geschreven en hoewel ik mezelf als geïnteresseerde in deze materie beschouw, heb ik het boek toch met enige moeite uitgelezen. Aanbevolen dus voor de echte insiders op het terrein van de reproductietechnologie.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen