Wetenschap

Veilig slikken voor ouderen

Gepubliceerd
10 november 2008

Op 13 maart promoveerde Wilma Denneboom, apotheker in Deventer, op haar proefschrift over de verbetering van de veiligheid van het geneesmiddelgebruik bij ouderen. Ouderen zijn kwetsbaarder dan jongere patiënten, onder meer omdat een aantal lichaamsfuncties achteruitgaat. Bovendien gebruiken ouderen vaak meerdere geneesmiddelen tegelijk. Het proefschrift bestaat uit twee delen. Het begint met een onderzoek naar problemen die samenhangen met het medicijngebruik door ouderen. Daarna bekijkt Denneboom hoe de medicatieveiligheid voor ouderen kan worden verbeterd.

Inhoud

Het proefschrift begint met een onderzoek onder thuiswonende patiënten van 75 jaar en ouder die meer dan drie geneesmiddelen gebruikten. Daarbij keek Denneboom naar gebruikersproblemen, zoals te veel of juist te weinig gebruiken en problemen met de toediening. De klinische relevantie van deze problemen werd beoordeeld door een apotheker samen met een huisarts. Tweederde van de bezochte patiënten had gebruikersproblemen, een kwart daarvan was (potentieel) klinisch relevant. In een volgend onderzoek werd door een multidisciplinair team (huisartsen, geriaters, openbare apothekers en ziekenhuisapothekers) gekeken naar de farmacotherapie van thuiswonende ouderen (> 75 jaar en > 3 geneesmiddelen). Dat leverde in bijna alle gevallen verbeterpunten op. Vaak zou de toevoeging van een geneesmiddel de farmacotherapie kunnen verbeteren. Het vervolg gaat over deze medicatie-reviews. Denneboom noemt meerdere voorbeelden die laten zien hoe ze zouden kunnen worden uitgevoerd. Dit deel van het proefschrift eindigt met een onderzoek naar de incidentie van en de risicofactoren voor het krijgen van hypoglykemie bij een behandeling met antidiabetica. Tolbutamide blijkt een veilige keus. In het tweede deel van het proefschrift is het proces van periodieke medicatie-screening verder onderzocht. Het blijkt dat één-op-één overleg tussen apotheker en huisarts een significant effectievere terugkoppeling geeft dan een schriftelijke rapportage door de apotheker. Dat verschil is ook na 6 maanden aantoonbaar, daarna neemt het af. Ook de zorgverleners hadden voorkeur voor het één-op-één overleg. Dat overleg kost tijd en de ideale vorm is nog niet gevonden. Zeker omdat bij screening van de medicatie wel de farmacotherapie kan worden verbeterd, maar niet alle gebruikersproblemen in beeld komen. Denneboom beveelt dan ook aan om te onderzoeken of medicatie-screening gecombineerd met een medicijnconsult verdere verbetering geeft.

Betekenis voor praktijk

Dit proefschrift geeft een goed beeld van mogelijke activiteiten van apothekers om de farmacotherapie te verbeteren. Medicatie-review door apothekers is niet meer weg te denken. In het FTO moet men bespreken hoe men het beste kan omgaan met de gegevens van de review. In de richtlijn Farmacotherapie van het NHG staat beschreven dat van huisartsen verwacht mag worden dat zij ten minste jaarlijks het gebruik van chronische receptuur met de patiënt bespreken. Daarbij komt ter sprake of er nog een indicatie is voor het voortgezet gebruik en of er voor die indicatie andere (betere, veiliger of goedkopere) alternatieven zijn. Wellicht moeten huisartsen dan ook meer vragen naar specifieke gebruikersproblemen. Dat zou de effectiviteit van het één-op-één overleg met de apotheker die een medicatie-review heeft gedaan, kunnen verhogen. Fred Dijkers

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen