Wetenschap

Casemanagement bij beginnende dementie

0 reacties

Samenvatting

Jansen APD, Van Hout HPJ, Nijpels G, Rijmen F, Dröes RM, Pot AM, Schellevis FG, Stalman WAB, Van Marwijk HWJ. Casemanagement bij beginnende dementie. Huisarts Wet 2011;55(2):58-63.
Doel Men neemt algemeen aan dat vroegtijdige diagnose en casemanagement leiden tot betere zorg voor thuiswonende ouderen met dementie, vooral doordat de mantelzorger betere ondersteuning krijgt. Dat klinkt plausibel, maar het is niet bewezen. In een gerandomiseerd gecontroleerd klinisch onderzoek (RCT) gingen wij na of ouderen met de eerste symptomen van cognitieve achteruitgang en hun mantelzorgers daadwerkelijk beter af zijn met casemanagement dan met de gebruikelijke zorg die de huisarts biedt.
Methode De deelnemers aan ons onderzoek waren 99 patiënten uit Westfriese huisartsenpraktijken, met hun belangrijkste mantelzorger. De patiënten waren 65 jaar of ouder, woonden thuis en hadden symptomen van cognitieve achteruitgang. Wij randomiseerden de koppels in een groep die casemanagement kreeg en een groep die de gebruikelijke huisartsenzorg ontving, en maten bij de mantelzorgers de ervaren competentie, zorgbelasting, kwaliteit van leven en mate van somberheid. De patiënten ondervroegen we over hun ervaren kwaliteit van leven. Dit deden we op drie meetmomenten: voorafgaand aan de randomisatie, na zes en na twaalf maanden.
Resultaten We vonden geen verschillen tussen de interventie- en de controlegroep.
Conclusie Wij hebben de meerwaarde van casemanagement vooralsnog niet kunnen aantonen, maar op basis van deze ene RCT is het nog te vroeg voor een definitief oordeel. Daarvoor is meer onderzoek nodig.

Wat is bekend?

  • Mantelzorg verlenen aan ouderen met dementie kan slecht zijn voor de gezondheid van de mantelzorger en bijvoorbeeld leiden tot depressieve klachten.
  • De diagnose dementie wordt vaak pas laat gesteld, terwijl de patiënt en de mantelzorger vaak al veel eerder behoefte hebben aan ondersteuning.
  • Men neemt aan dat vroege herkenning en casemanagement de situatie van zowel de patiënt als de mantelzorger kunnen verbeteren. Er is echter geen bewijs voor deze aanname.

Wat is nieuw?

  • Voor de mantelzorgers van thuiswonende ouderen levert casemanagement bij de eerste symptomen van cognitieve achteruitgang geen extra voordeel op in termen van ervaren competentie, ervaren zorgbelasting en mate van somberheid.
  • Ook voor de kwaliteit van leven van de betreffende patiënten heeft casemanagement geen meerwaarde ten opzichte van de gebruikelijke zorg door de huisarts.

Inleiding

Voor de huisartsgeneeskunde vormt het toenemend aantal thuiswonende ouderen met dementie een uitdaging, met name ook vanwege de gezondheidsrisico’s voor de mantelzorgers,1 met een prominente plaats voor angst en depressie.2
De diagnose dementie wordt vaak pas laat in het ziekteproces gesteld. Zorgverleners nemen over het algemeen aan dat ouderen met dementie en hun mantelzorgers erbij gebaat zijn dat de diagnose – aan de hand van afwijkende resultaten op cognitieve tests – vroegtijdig gesteld wordt en de begeleiding zo vroeg mogelijk in het ziekteproces begint.3 Deze veronderstelling is echter nooit getoetst in gerandomiseerd gecontroleerd klinisch onderzoek (RCT). Wel bevatten de richtlijnen van de organisatie Alzheimer Europe de aanbeveling om casemanagement aan te bieden aan thuiswonende ouderen bij wie de diagnose gesteld is, én aan hun mantelzorgers.4
Wij hebben deze RCT uitgevoerd om te bepalen of casemanagement in de huisartsenpraktijk daadwerkelijk effectiever is dan de gebruikelijke zorg voor thuiswonende oudere patiënten met symptomen van dementie en hun mantelzorgers. De medisch-ethische toetsingscommissie van het VUmc gaf toestemming voor dit onderzoek.

Methode

Onderzoeksopzet

In deze RCT verdeelden wij koppels van patiënten en mantelzorgers via loting over twee groepen: casemanagement en gebruikelijke zorg. De patiënten behoorden tot de patiëntenpopulatie van 55 Westfriese huisartsen. Potentiële deelnemers ontvingen een informatiebrief en vulden een toestemmingsformulier in. Wanneer een patiënt (tijdelijk) niet in staat was tot een zelfstandige afweging, vroegen we verwanten om toestemming tot deelname.

Doelgroep

De deelnemers moesten ouder zijn dan 65 jaar en daarnaast voldoen aan drie inclusiecriteria.
  • De huisarts vermoedde de eerste symptomen van cognitieve achteruitgang bij een patiënt, of de patiënt gaf dit aan op een door de huisarts opgestuurde screeninglijst, de Informant Questionnaire on Cognitive Decline (IQCODE).5
  • De patiënt scoorde lager dan 24 op de Mini Mental State Examination (MMSE)6, of had volgens de Seven Minute Screen (7MS) een risico van meer dan 50% op dementie.7 De patiënt had een mantelzorger.
Van deelname uitgesloten werden patiënten die (gespecialiseerde) ondersteuning ontvingen voor cognitieve problemen, terminaal ziek waren of de Nederlandse taal onvoldoende beheersten.
Van de patiënten die aan alle voorwaarden voldeden, benaderden we de belangrijkste mantelzorger, dat wil zeggen degene die het hele zorgproces coördineerde en/of meeste uren aan de zorg besteedde. Exclusiecriteria voor mantelzorgers waren het verstrekken van minder dan één uur mantelzorg per week en onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal.

Interventie: casemanagement

Casemanagement is een gespecialiseerde vorm van zorg- en dienstverlening aan mensen die grote behoefte hebben aan zorg en ondersteuning of die het risico lopen onvoldoende zorg te ontvangen. Drie verpleegkundigen, werkzaam bij een thuiszorgorganisatie, verzorgden een jaar lang het casemanagement voor de interventiegroep. Zij startten het zorgtraject met een huisbezoek waarin ze onder andere de Resident Assessment Instrument Home Care (RAI-HC) afnamen,8 een vragenlijst die de diverse domeinen van het functioneren van de oudere in kaart brengt en dertig potentiële en actuele zorgproblemen signaleert. Aan de hand van de informatie die de RAI opleverde, stelde de verpleegkundige samen met de deelnemers een zorgplan op.
In het tweede huisbezoek maakten de case managers een plan van aanpak voor de situatie van de mantelzorger aan de hand van een draagkrachtlijst van het voormalige KwaliteitsInstituut voor Toegepaste ThuisZorgvernieuwing (KITTZ).9 De mantelzorgers ontvingen de mantelzorggids van het Steunpunt Mantelzorg met tips en een overzicht van alle beschikbare zorgprofessionals voor mantelzorgers.
Hierna coördineerden de case managers de zorg rondom het koppel, volgden ze de situatie en hielden ze de huisarts op de hoogte.

Controle: gebruikelijke zorg

De deelnemers in de controlegroep ontvingen een brief met het advies contact op te nemen met de huisarts. Zij regelden de benodigde zorg verder op eigen initiatief.

Metingen en uitkomstmaten

Er waren drie meetmomenten, eenmaal bij aanvang van het onderzoek (voorafgaand aan randomisatie), zes maanden nadien en twaalf maanden nadien. De mantelzorger vulde bij deze gelegenheden een viertal vragenlijsten in.
  • De Short Sense of Competence Questionnaire (SCQ) meet het gevoel van competentie in het verstrekken van mantelzorg op drie subschalen: consequenties voor het leven van de mantelzorger, tevredenheid met het eigen functioneren als mantelzorger en tevredenheid met de zorgontvanger.10
  • De vragenlijst Ervaren Druk door Informele Zorg (EDIZ) meet de ervaren zorgbelasting.11
  • De MOS 36-item Short-Form health survey (SF-36) meet de kwaliteit van leven.12
  • De Center for Epidemiologic Studies Depression Scale (CES-D) meet de mate van somberheid.13
Bij de patiënt maten wij de kwaliteit van leven driemaal in een interview op basis van het Dementia Quality of Life Instrument (DQoL).14 Naast het eigen oordeel over de kwaliteit van leven levert dit instrument een score op vijf subschalen: eigenwaarde, positieve emoties, negatieve emoties, het gevoel ergens thuis te horen en de mate waarin genoten wordt van zaken in de omgeving (zoals muziek en de natuur).

Analyses

Alle analyses vonden plaats volgens het intention-to-treat-principe, dus ervan uitgaande dat alle koppels in beide onderzoeksgroepen de toegewezen interventie ook daadwerkelijk ontvangen hadden. Voor het vaststellen van eventuele verschillen in het beloop van de uitkomstmaten tussen de twee groepen gebruikten wij een linear mixed model met ongestructureerde covariantie.15

Resultaten

Kenmerken van de deelnemers

Tussen februari 2004 en juni 2005 startten 99 koppels met het onderzoek. Aan het einde van het onderzoek participeerden nog 81 koppels. De [figuur] bevat het stroomschema van het onderzoek.

Effecten van de interventie

In onze vervolgmetingen bleek dat beide groepen zich op dezelfde wijze ontwikkelden. [Tabel 4] laat zien dat onze uitkomstmaten stabiel bleven, op drie na: de mate waarin patiënten genoten van zaken in de omgeving, de tevredenheid van de mantelzorger met de zorgontvanger en de consequenties van het geven van mantelzorg voor het leven van de mantelzorger. Deze drie uitkomstmaten gingen in beide groepen achteruit.
Tabel4De ontwikkeling van de uitkomstmaten in het onderzoeksjaar
(1) Gevoel van competentie in het verstrekken van mantelzorg
(a) consequenties voor het leven van de mantelzorger (SCQ, 8-40*)achteruitgang in beide groepen
  • Baseline
28,128,8T: ; p= 0013
  • 6 maanden
28,029,6G: F = 0,68; p= 0,460
  • 12 maanden
27,127,7T*G: F = 0,55; p= 0,494
(b) tevredenheid met het eigen functioneren als mantelzorger (SCQ, 12-60*)stabiel in beide groepen
  • baseline
48,649,7T: F = 1,01; p= 0,140
  • 6 maanden
46,649,9G: F = 2,16; p= 0,120
  • 12 maanden
47,448,4T*G: F = 2,48; p= 0,105
(c) tevredenheid met de zorgontvanger (SCQ, 7-35*)achteruitgang in beide groepen
  • baseline
29,030,8T: ; p= 0,001
  • 6 maanden
28,429,6G: F = 3,12; p= 0,081
  • 12 maanden
27,729,0T*G: F = 0,44; p= 0,647
(2) Ervaren zorgbelasting (EDIZ, 0-9)stabiel in beide groepen
  • baseline
3,93,3T: F = 3,05; p= 0,053
  • 6 maanden
3,82,7G: F = 2,89; p= 0,092
  • 12 maanden
4,23,3T*G: F = 0,72; p= 0,492
(3) Kwaliteit van leven (SF-36, 0-100*)
(a) mentale somscorestabiel in beide groepen
  • baseline
51,048,0T: F = 1,38; p= 0,257
  • 6 maanden
48,749,1G: F = 0,33; p= 0,568
  • 12 maanden
48,247,7T*G: F = 1,37; p= 0,260
(b) fysieke somscorestabiel in beide groepen
  • baseline
44,548,0T: F = 0,41; p= 0,667
  • 6 maanden
45,546,5G: F = 1,11; p= 0,294
  • 12 maanden
46,047,5T*G: F = 1,06; p= 0,353
(4) Mate van somberheid (CES-D, 0-60)stabiel in beide groepen
  • baseline
10,611,2T: F = 0,14; p= 0,867
  • 6 maanden
11,99,7G: F = 0,18; p= 0,669
  • 12 maanden
11,211,2T*G: F = 1,80; p= 0,172
(5) Kwaliteit van leven (DQoL, 1-5*)
(a) eigenwaardestabiel in beide groepen
  • baseline
3,33,3T: F = 1,50; p= 0,230
  • 6 maanden
3,23,3G: F = 0,01; p= 0,981
  • 12 maanden
3,43,3T*G: F = 0,45; p= 0,638
(b) positieve emotiesstabiel in beide groepen
  • baseline
3,43,4T: F = 0,17; p= 0,845
  • 6 maanden
3,43,5G: F = 0,02; p= 0,894
  • 12 maanden
3,53,4T*G: F = 2,53; p= 0,087
(c) negatieve emotiesstabiel in beide groepen
  • baseline
2,52,2T: F = 1,20; p= 0,309
  • 6 maanden
2,52,2G: F = 3,40; p= 0,069
  • 12 maanden
2,32,2T*G: F = 0,29; p= 0,747
(d) het gevoel ergens thuis te horenstabiel in beide groepen
  • baseline
3,43,4T: F = 0,31; p= 0,735
  • 6 maanden
3,33,4G: F = 0,13; p= 0,715
  • 12 maanden
3,43,3T*G: F = 0,75; p= 0,476
(e) de mate waarin genoten wordt van zaken in de omgevingachteruitgang in beide groepen
  • baseline
3,63,7T: ; p= 0,042
  • 6 maanden
3,33,5G: F = 0,16; p= 0,690
  • 12 maanden
3,43,3T*G: F = 0,48; p= 0,621
(f) oordeel over kwaliteit van levenstabiel in beide groepen
  • baseline
2,72,9T: F = 1,45; p= 0,241
  • 6 maanden
2,83,0G: F = 0,14; p= 0,710
  • 12 maanden
2,82,6T*G: F = 0,96; p= 0,387
De maximale omvang was n = 54 voor de groep met casemanagement en n = 45 voor de groep met gebruikelijke zorg. Het linear mixed model levert schattingen voor de effecten van tijd (T), groep (G) en interactie tussen tijd en groep (T*G) op de toetsgrootheid (F). Als alleen het tijdeffect T statistisch significant is, dan verandert de uitkomstmaat wel, maar voor beide groepen in gelijke mate (zie de rijen 1a, 1c en 5e). Is alleen het groepseffect G statistisch significant, dan duidt dat op een verschil tussen beide groepen dat gedurende de duur van de interventie niet verandert. Alleen een statistisch significante interactie T*G zou betekenen dat de uitkomstmaat per groep een verschillend beloop had, en dus dat het effect optrad waarin wij geïnteresseerd zijn. De tabel bevat echter geen statistisch significante G en T*G. Voor de overige legenda zie [tabel 3].

Beschouwing

Wij hebben in deze RCT niet kunnen aantonen dat ouderen met de eerste symptomen van cognitieve achteruitgang, en hun mantelzorgers, meer baat hebben bij casemanagement dan bij de gebruikelijke zorg van de huisarts.

Sterke en zwakke punten

Onze RCT voldeed aan veel kwaliteitseisen. Bij aanvang van het onderzoek verschilden de kenmerken van de interventie- en de controlegroep nauwelijks, er was voldoende contrast tussen gebruikelijke zorg en casemanagement, het aantal uitvallers was laag voor een kwetsbare groep (18%) en het is onwaarschijnlijk dat deelnemers in de controlegroep (elementen van) casemanagement ontvingen.
De (organisatie van) de zorg en de kenmerken van de deelnemende huisartsen waren representatief voor de regio (West-Friesland).
Ons onderzoek had ook enige beperkingen die het vinden van een effect wellicht in de weg stonden. Een beperking was de relatief kleine omvang van de deelnemersgroep. Dit vergroot de kans dat heel kleine verschillen in het beloop van de uitkomstmaten gemist werden. Een tweede bepreking is dat de duur en intensiteit van het casemanagement wellicht onvoldoende waren om de uitkomstmaten te beïnvloeden. De patiënten in ons onderzoek hadden nog relatief weinig problemen. Het kan zijn dat casemanagement voor deze doelgroep nog niet relevant genoeg is en daardoor niet volledig werd geïmplementeerd.

Vergelijking met eerdere onderzoeken

Voor zover wij weten is dit de eerste RCT die naging of casemanagement effectief is bij thuiswonende ouderen met de eerste symptomen van cognitieve achteruitgang en bij hun belangrijkste mantelzorgers. Er is wel vergelijkbaar onderzoek gedaan onder reeds gediagnosticeerde patiënten. Hoewel we de effectiefste elementen toepasten uit de voor deze groep ontwikkelde zorgprogramma’s171819 vonden we geen voordelen.

Conclusie

Wij vonden in onze deelnemersgroep geen meerwaarde van casemanagement. Een reden kan zijn dat casemanagement geen voordelen biedt als het in een vroeg stadium wordt aangeboden. De bevindingen van onze trial moeten echter met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden, om drie redenen. Ten eerste is het mogelijk dat casemanagement voor deze groep wel effectief zou zijn als het beter geïmplementeerd wordt dan in onze interventiegroep. Ten tweede kan het zijn dat casemanagement (preventieve) voordelen biedt maar dat deze nog niet zichtbaar zijn geworden tijdens het onderzoeksjaar. En ten derde heeft casemanagement wellicht toch (kleine) voordelen die wij als gevolg van de kleine steekproefomvang over het hoofd hebben gezien. Meer onderzoek zal hierover uitsluitsel moeten geven.

Literatuur

Reacties

Er zijn nog geen reacties