Nieuws

Continuïteit in gezinnen

Gepubliceerd
10 mei 2006

Wat weet u over de sociale context van de patiënten die vandaag bij u op het spreekuur verschenen? Kan de context van invloed zijn geweest op de klacht waarmee de patiënt bij u kwam? En wat betekent de gekozen behandelstrategie voor de context van de patiënt en de relatie tussen patiënt en context? Het concept gezinsgeneeskunde bestaat ongeveer net zo lang als Huisarts en Wetenschap en is lange tijd beschouwd als de kern van de huisartsgeneeskunde.1 Ook in de 21e eeuw wordt ‘huisartsenzorg geplaatst in het bredere kader van de eigen leefomgeving en sociale context’ nog steeds benoemd als kernonderdeel van de huisartsenzorg.2 Gezinsgeneeskunde helpt huisartsen verschijnselen te signaleren en te hanteren die ze anders moeilijk zouden kunnen achterhalen.3 Het helpt verbanden te leggen tussen stukjes informatie van afzonderlijke gezinsleden, soms over generaties heen, waarbij uiteindelijk het geheel meer is dan de som der delen. De relatie tussen gezin en ziekte en tussen gezin en huisartsenbezoek is nog steeds actueel,4 maar hoe actueel is de gezinsgeneeskunde? Al in 1996 vroeg Van den Bosch zich af wat de gezinsgeneeskunde nog betekent in de dagelijkse praktijk en in het huisartsgeneeskundig onderzoek;1 anno 2005 lijkt er niet veel veranderd. Dat is jammer om eerdergenoemde redenen, maar ook omdat het concept gezinsgeneeskunde als contextgeneeskunde een veel bredere toepassing kent. Wat gezegd kan worden over de context van het gezin, geldt tevens voor andere contexten: werk, school, buurt of vriendenkring. Dus ook in consulten van patiënten die alleenstaand zijn of vaak verhuizen helpt contextgeneeskunde om zicht te krijgen op omstandigheden waardoor sommigen meer blootgesteld zijn aan ziekmakende risicofactoren. Waarom zouden we niet toepassen wat waar is en wat werkt? Daarom hierbij een hulpmiddel om de draad van de contextgeneeskunde (weer) op te pakken, afkomstig uit het boek van Smits en Huygen.3 De vragen die zij opstelden, helpen om contextgeneeskunde in de dagelijkse praktijk toe te passen; anno 2006 leest u voor ‘gezin’ eventueel ‘sociale context’. Wij wensen u veel succes.

Stel uzelf bij de ontmoeting met een patiënt systematisch enkele eenvoudige vragen:

  • Uit wat voor een gezin komt deze patiënt? Weet ik iets van deze achtergrond wat in dit geval van belang kan zijn? Het gaat daarbij niet alleen om erfelijke invloeden, maar vooral ook om aangeleerd gedrag en gedeelde sociale en fysieke omstandigheden.5
  • In wat voor een gezin leeft deze patiënt nu? Hoe is de samenstelling hiervan? Hoe functioneert het en in welke fase bevindt het gezin zich?
  • Wat betekent deze klacht, dit symptoom of deze ziekte in dit gezin? Wat zijn de consequenties hiervan in dit gezin? Wat denken zij er zelf van, hoe gaan zij ermee om?
  • Welke rol vervul ik zelf in dit gezin bij dit geval? Hoe ziet men de rol van de huisarts? Hoe sta ik zelf ten opzichte van dit gezin en de individuele leden hiervan? Welke invloed heeft mijn doen of laten in dit gezin? Zijn er ontwikkelingen die ik kan helpen voorkomen?
Mieke Cardol, Wil van den Bosch, Peter Groenewegen, Liset van Dijk, Dinny de Bakker

Literatuur

  • 1.Van den Bosch WJHM. Gezinsgeneeskunde, alleen nog een concept? Huisarts Wet 1996;39:220-4.
  • 2.Stalenhoef A. Toekomstvisie huisartsenzorg; huisartsenzorg in 2012: medische zorg in de buurt. Utrecht: LHV/NHG, 2002.
  • 3.Smits AJA, Huygen FJA. Huisarts en gezin. Utrecht: Bunge, 1986.
  • 4.Cardol M, Groenewegen PP, De Bakker DH, Spreeuwenberg P, Van Dijk L, Van den Bosch WJHM. Gezinsgelijkenis in contactfrequentie met de huisartsenpraktijk: een retrospectief cohortonderzoek. Huisarts Wet 2005;48:490-4.
  • 5.Cardol M, Groenewegen PP, Spreeuwenberg P, Van Dijk L, Van den Bosch WJHM, De Bakker DH. Why does it run in families? Explaining help-seeking behaviour by shared circumstances, socialisation and selection. Soc Sci Med 2006 [in press].

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen