Praktijk

Een invaliderende ontstekingsziekte van de huid

Samenvatting

Kouznetsova OI, Van der Zee HH, Van der Meijden WI. A debilitating skin disease. Huisarts Wet 2016;59(5):212-6.
Hidradenitis suppurativa (HS) is a chronic, debilitating inflammatory disease of the skin and is characterized by painful inflamed nodes, abscesses, fistulas, and skin fibrosis with hypertrophic scars. It typically manifests between the ages of 10 and 30. It is primarily a disorder of the hair follicles, involving immune dysregulation. It is not an infectious disease and its pathogenesis is different from that of acne. Risk factors are smoking, overweight, and a family history. Compared with many other chronic skin diseases, HS has a significant impact on quality of life. Treatment consists of local, systemic, or surgical interventions, depending on the severity and extent of the disease. Remission is often achieved with a combination of anti-inflammatory biologicals and surgery. If general practitioners recognize HS in an early stage, treatment can be started early, thereby limiting the spread of the disease and the development of complications. While mild HS-related symptoms can be treated in primary care, GPs should refer patients to a dermatologist if treatment is insufficiently effective or if the disease is severe. GPs also have a role in managing risk factors and the psychosocial consequences of the disease.

Samenvatting

Kouznetsova OI, Van der Zee HH, Van der Meijden WI. Een invaliderende ontstekingsziekte van de huid. Huisarts Wet 2016;59(5):212-6.
Hidradenitis suppurativa (HS) is een chronische, invaliderende ontstekingsziekte van de huid. HS wordt gekenmerkt door pijnlijke, ontstoken nodi, abcessen, fistels en fibrosering van de huid met hypertrofische littekens. HS manifesteert zich doorgaans in het tweede en derde decennium van het leven. Het betreft primair een aandoening van de haarfollikels, waarbij immuundysregulatie een rol speelt. Het is geen infectieziekte en heeft een andere pathogenese dan acne. Bekende risicofactoren zijn roken, overgewicht en een positieve familieanamnese. HS heeft, vergeleken met veel andere chronische dermatologische ziekten, een significante impact op de kwaliteit van leven. De behandeling bestaat uit lokale, systemische en/of chirurgische therapie, afhankelijk van de ernst en uitbreiding van de ziekte. Door ontstekingsremmende biologics en chirurgisch ingrijpen te combineren valt vaak een remissie te bereiken. Wanneer huisartsen HS vroeg herkennen, kunnen ze tijdig een adequate behandeling inzetten waarmee ze uitbreiding van de ziekte en het ontstaan van complicaties kunnen beperken. Huisartsen kunnen zelf milde HS-verschijnselen behandelen. Bij onvoldoende verbetering of bij ernstige ziekte moet de patiënt een verwijzing naar de dermatoloog krijgen. Huisartsen spelen ook een rol bij het bestrijden van risicofactoren en met betrekking tot de psychosociale gevolgen van de ziekte.

De kern

  • Hidradenitis suppurativa (HS) is een chronische, recidiverende, invaliderende ontstekingsziekte van de huid, met een hoge ziektelast.
  • HS is een aandoening van de haarfollikels waarbij immuundysregulatie een rol speelt. HS is geen infectieziekte en mag men niet verwarren met acne.
  • Begeleiding door de huisarts is nodig bij het stoppen met roken, bestrijden van overgewicht (beide risicofactoren voor HS) en in het kader van de psychosociale gevolgen van de ziekte.
  • De huisarts dient erop toe te zien dat HS-patiënten niet tussen wal en schip raken na behandeling van acute symptomen op de spoedeisende hulp omdat men het ziektebeeld niet herkent.
  • Milde HS kan de huisarts zelf behandelen met lokale of orale antibiotica. Bij onvoldoende effect of ernstigere ziekte moet de huisarts de patiënt naar de dermatoloog verwijzen.

Inleiding

Huisartsen zien op het spreekuur veel patiënten met huidaandoeningen, zoals eczeem, wratten en schimmelinfecties.1 Vaak gaat het om relatief onschuldige aandoeningen die huisartsen zelf kunnen behandelen. Deze nascholing gaat over de huidaandoening hidradenitis suppurativa, die huisartsen vaak niet onderkennen en die mogelijk ernstig kan verlopen. Hidradenitis suppurativa is een chronische, invaliderende ontstekingsziekte van de huid, met een zeer grote impact op de kwaliteit van leven. Vroege herkenning in de eerste lijn en zo nodig verwijzing naar de dermatoloog voor aanvullende behandeling zijn essentieel om uitbreiding van de ziekte tegen te gaan. Wij zullen ons in dit artikel richten op het klinische beeld en geven handvatten voor de diagnostiek en het herkennen van dit ziektebeeld in de huisartsenpraktijk. Daarnaast zullen we zowel de niet-medicamenteuze als de medicamenteuze behandelingsmogelijkheden bespreken, naast de rol van de huisarts bij de begeleiding en verwijzing van deze patiënten.

Definities

Hidradenitis suppurativa (HS), ook bekend onder de namen acne inversa of acne ectopica, is een chronische, invaliderende ontstekingsziekte van de huid. Deze aandoening komt voornamelijk voor in huidplooien, in het bijzonder de liezen en oksels, en perianaal, en wordt gekenmerkt door pijnlijke, ontstoken nodi, abcessen, fistels en fibrosering van de huid met hypertrofische littekens.2,3 De naam ‘hidradenitis suppurativa’ (Grieks: hidros = zweet en aden = klier) suggereert dat het vooral een aandoening is van de zweetklieren. De naam klopt eigenlijk niet, aangezien onderzoek heeft aangetoond dat HS primair een aandoening van de haarfollikels is.4

Epidemiologie

Met een geschatte prevalentie van 1% in de algemene bevolking is HS niet zeldzaam.5 HS komt vaker voor bij vrouwen en manifesteert zich doorgaans in het tweede en derde decennium van het leven. Bij vrouwen komen laesies vaker voor in de liezen en het genitale gebied, en bij mannen zien we de laesies vaker op de nates en het perineum.6 Het merendeel (68%) van de patiënten komt bij de huisarts met een milde HS, ook aangeduid als Hurley-stadium I (de Hurley-classificatie wordt van oudsher gebruikt om de ernst van de ziekte te objectiveren; [tabel]). Matig ernstige HS, oftewel Hurley-stadium II, komt bij 28% van de patiënten voor, ernstige HS, oftewel Hurley-stadium III, bij 4%.7
TabelHurley-classificatie van hidradenitis suppurativa
Stadium Iabcessen (een of meer), zonder fistelvorming of verlittekening
Stadium IIrecidiverende abcessen met fistelvorming en verlittekening, een of meer laesies, op afstand van elkaar gelegen
Stadium IIIdiffuse betrokkenheid van een geheel gebied (bijvoorbeeld gehele huid van de oksel), met multipele onderling verbonden fistels of sinussen en abcesvorming

Pathogenese en etiologie

De etiologie van HS is niet helemaal duidelijk en is waarschijnlijk multifactorieel. De primaire gebeurtenis in de pathogenese van HS is folliculaire occlusie, die de afvoer uit het haar-talgkliercomplex verstoort. Hyperplasie en hyperkeratose van het folliculaire epitheel sluiten de follikeluitgang af. Hierdoor vormen zich microcysten, die kunnen ruptureren, waarbij de inhoud (keratine, haar, talg, bacteriën) vrijkomt in de dermis. Dit resulteert in een abcederende ontsteking, waarbij immuundysregulatie een rol speelt. Deze ontsteking kan tevens leiden tot het begin van de vorming van met epitheel beklede sinussen. De sinussen bereiken uiteindelijk de oppervlakte van de huid en worden daar gekoloniseerd of geïnfecteerd door huidcommensalen.89
Met HS samenhangende factoren zijn roken, overgewicht en een genetische predispositie.10,11 HS hangt ook samen met de ziekte van Crohn, wat aannemelijk maakt dat immuundysregulatie een rol speelt bij de pathogenese.1213 Hidradenitis is dus geen infectieziekte en heeft ook duidelijk een andere pathogenese dan acne vulgaris.

Het klinische beeld

HS begint met pijnlijke, diepgelegen nodi, gelokaliseerd (op volgorde van voorkomen) rond de liezen, de genitale regio, het scrotum, de vulva, de oksels, de perianale en perineale huid, inter- en inframammair en de nates [figuur 1a en 1b]. Laesies op atypische locaties, zoals flanken, abdomen, peri-umbilicaal, thoracaal en retroauriculair en nek komen minder vaak voor.14151617

Kwaliteit van leven

Vergeleken met andere chronische dermatologische aandoeningen heeft HS een significante impact op de kwaliteit van leven, die sterk is gecorreleerd met de ernst van de ziekte.18 Uit onderzoek is gebleken dat de kwaliteit van leven bij HS-patiënten slechter is dan bij patiënten met andere chronische huidaandoeningen, zoals neurofibromatose, urticaria, psoriasis en eczeem. HS-patiënten schamen zich ervoor en voelen zich gestigmatiseerd door de aanwezigheid van de pijnlijke ontstekingen, stinkende afscheiding en zichtbare littekens. Dit kan resulteren in sociaal isolement, angst om intieme relaties aan te gaan en gevoelens van somberheid en depressie.19

Diagnostiek

De diagnose HS stelt men klinisch op basis van terugkerende pijnlijke ontstekingen, ten minste tweemaal in de afgelopen zes maanden en op typische locaties.21 Voor de anamnese is dus vooral het beloop van de ziekte essentieel; HS reageert matig op de ‘gewone’ behandeling van huidinfecties met antibiotica. Andere aanknopingspunten voor de diagnose zijn begin van de klachten op jongvolwassen leeftijd, aanwezigheid van risicofactoren en een positieve familieanamnese voor HS.
Bij lichamelijk onderzoek moet de gehele huid worden bekeken en specifiek de typische locaties van de ziekte. Men moet letten op de karakteristieke laesies die bij HS passen, zoals diepe, pijnlijke nodi, fistels, dubbele comedonen, en fibrosering en verlittekening van de huid. Vooral in het beginstadium, in het bijzonder als er solitaire ontstekingen aanwezig zijn, kan men HS makkelijk aanzien voor bijvoorbeeld een furunkel. Aanvullend onderzoek, zoals bloedonderzoek en beeldvormend onderzoek, draagt niet bij aan de diagnostiek. Bacteriologisch onderzoek voert men alleen uit bij atypische laesies, refractaire ziekte of tekenen van superinfectie. Kweken zullen in de helft van de gevallen steriel zijn of huidcommensalen bevatten. Histologisch onderzoek is zinnig bij verdenking op een plaveiselcelcarcinoom (een zeldzame complicatie).
De differentiële diagnose van HS bestaat onder andere uit geïsoleerd bacterieel abces, furunculose, karbunkel, geïnfecteerde klieren van Bartholin, perianale fistels bij de ziekte van Crohn, sinus pilonidalis, epidermale cysten, lymfogranuloma venereum en cutane tuberculose.222
Uit recent onderzoek blijkt dat artsen het ziektebeeld niet tijdig (h)erkennen, waardoor het gemiddeld ruim zeven jaar duurt eer de patiënt de diagnose krijgt.23

Complicaties

Bij ernstige ziekte kunnen complicaties ontstaan. Op grond van de huidige inzichten adviseert men vroege behandeling om progressie te voorkomen.
Complicaties van ernstige HS zijn:
  • contracturen door hypertrofische littekens, vooral in de oksels;24
  • lymfoedeem van vooral het scrotum;25
  • plaveiselcelcarcinoom ter plaatse van chronische ontsteking;26 deze plaveiselcelcarcinomen hebben een zeer slechte prognose en zien we vooral bij mannen met langdurige laesies op de nates;227
  • anemie ten gevolge van de chronische ontsteking, vooral bij ernstige ziekte;28
  • chronische malaise en depressie;1819
  • acute infectieuze complicaties, zoals cellulitis of systemische infectie, zijn zeldzaam.224

Behandeling

Aan de hand van de Hurley-classificatie kan men de behandeling bepalen. Meestal bestaat een adequate behandeling van HS uit een combinatie van de medicamenteuze en de chirurgische behandeling door de dermatoloog.

Leefregels

Roken en overgewicht zijn significante risicofactoren voor HS. Patiënten moeten daarom het advies krijgen om te stoppen met roken en af te vallen bij overgewicht. Algemene maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het vermijden van wrijving ter plaatse van de aangedane huid en het dragen van losse katoenen kleding. Voor de effectiviteit van het gebruik van antiseptische middelen is geen bewijs, maar deze kan men als adjuvant geven. HS hangt niet samen met scheren, ontharen en het gebruik van deodorant, en deze zaken hoeft men daarom niet te ontraden.5622

Medicamenteuze behandeling

Milde HS (Hurley-stadium I) behandelt men gedurende drie maanden met lokale antibiotica. Daarnaast kan men tweemaal daags een peelend middel, zoals resorcinol, aanbrengen op een recentelijk ontstane ontsteking, om deze eerder in remissie te laten gaan.29-31 Bij onvoldoende effect kan de patiënt voor een periode van drie maanden een systemisch antibioticum krijgen, bijvoorbeeld een tetracycline. De effectiviteit zou voornamelijk toe te schrijven zijn aan de anti-inflammatoire werking.3233
Wanneer monotherapie met tetracycline niet afdoende is, kunnen patiënten gedurende twee tot vier maanden een behandeling krijgen met een combinatie van clindamycine en rifampicine.34,35
Andere orale derdelijnsmiddelen die een positief effect op HS kunnen hebben zijn acitretine (retinoïd), prednison, ciclosporine, dapson en anti-androgenen.36,37 Behandeling met isotretinoïne heeft geen plaats in de behandeling van HS.
Matige tot ernstige HS (stadium II en III) behandelt men vaak met de combinatie van clindamycine en rifampicine. Bij onvoldoende effect kan men TNF-alfaremmers voorschrijven [kader 1], zoals infliximab of adalimumab, waarvan in gerandomiseerde trials de effectiviteit is aangetoond. De werking van deze middelen berust op het doorbreken van de inflammatoire cascade. Het toedienen van deze middelen moet in het ziekenhuis plaatsvinden en de kosten van dergelijke biologics zijn hoog.3839404142

Kader 1: TNF-alfaremmers

Tumornecrosisfactor (TNF)-alfa is een pro-inflammatoir cytokine dat een rol speelt in de acutefaserespons van het immuunsysteem. Het wordt in versterkte mate geproduceerd bij auto-immuunziekten, zoals psoriasis, de ziekte van Crohn en reumatoïde artritis. TNF-alfa wordt voornamelijk geproduceerd door macrofagen. Door middel van chemotaxis trekt het cytokine neutrofiele granulocyten en leukocyten aan en stimuleert het fagocytose en de productie van andere cytokinen. Lokale effecten van TNF-alfa op weefsel zijn warmte, roodheid, zwelling en pijn. Systemische effecten zijn onder andere koorts en het stimuleren van het corticotropine-‘releasing’ hormoon (CRH). TNF-alfaremmers, zoals infliximab (Remicade®), adalimumab (Humira®) en etanercept (Enbrel®), remmen deze pro-inflammatoire cascade. Infliximab kan men alleen intraveneus toedienen. Adalimumab en etanercept kan men ook als subcutane injecties toedienen.4455

Chirurgische behandeling

Er zijn verschillende chirurgische mogelijkheden voor de behandeling van HS, afhankelijk van de uitgebreidheid en ernst van de laesies. Voorafgaand aan de ingreep moet men soms systemisch behandelen met ontstekingsremmende medicamenten, zoals antibiotica (Hurley-stadium II) of TNF-alfaremmers (Hurley-stadium III).4344
Incisie en drainage zorgen voor directe pijnverlichting, maar zijn alleen geschikt voor abcessen en niet voor nodi. Deze ingreep is echter puur symptomatisch en heeft een recidiefpercentage van 100% binnen drie maanden.444546
Deroofing is een simpele en effectieve behandeling voor patiënten met Hurley-stadium I en II. Bij deroofing haalt men onder lokale verdoving het ‘dak’ van sinussen en fistels af en wordt de inhoud verwijderd (bloederig debris van ontstekingscellen en epitheelcellen). Het blootleggen van sinussen of fistels kan gebeuren door middel van CO2-laserablatie, elektrocoagulatie/dissectie of chirurgische excisie. De wond moet open blijven en geneest per secundam.474849
Excisie van de aangedane huid geeft de grootste kans op lokale genezing, maar is alleen geschikt voor een op dezelfde locatie terugkerende ontsteking of voor sinussen/fistels. Dit kunnen bij milde HS kleine excisies zijn, maar in geval van Hurley-stadium III verwijdert men de gehele huid van de aangedane regio, met daarbij een marge van 1 tot 3 centimeter aan gezond weefsel. Wonden kan men primair sluiten of genezen per secundam. Grote defecten kan men eventueel door middel van een transpositie of vrij huidtransplantaat (split skin graft) sluiten.1150515253
Ook na chirurgie kunnen nieuwe laesies optreden op nieuwe, niet eerder bij het proces betrokken locaties.

Rol van de huisarts

HS staat in de NHG-Standaarden beschreven onder bacteriële huidinfecties, ook al spelen bacteriën slechts een kleine rol.54 Het is belangrijk om te beseffen dat HS geen huidinfectie is en ook geen acne, maar dat verschillende factoren een rol spelen bij het ontstaan van de ziekte (onder andere immuundysregulatie).
Het tijdig stellen van de diagnose kan uitbreiding en complicaties voorkomen. Op de huisartsenpost of spoedeisende hulp krijgen HS-patiënten met acuut ontstane ontstekingen doorgaans een behandeling door middel van een vaak pijnlijke incisie en drainage, zonder dat de betrokken arts het ziektebeeld onderkent en een vervolgbeleid afspreekt. Aangezien HS chronisch is zal de patiënt deze behandeling waarschijnlijk meermaals zonder afdoende resultaat moeten ondergaan, wat er mogelijk toe kan leiden dat hij of zij zorg gaat mijden. De huisarts is in zijn eerstelijnsrol de aangewezen persoon om het ziektebeeld te onderkennen en een juist behandeltraject op te starten. Milde HS (Hurley-stadium I) kan de huisarts zelf behandelen met leefstijladviezen en lokaal met drie maanden clindamycine tweemaal daags; bij onvoldoende verbetering met tetracycline gedurende drie maanden.
Daarnaast speelt de huisarts een belangrijke rol bij het kiezen van het juiste vervolgtraject. Patiënten met matig-ernstige en ernstige HS (Hurley-stadium II en III), alsmede patiënten met een milde HS bij wie bovengenoemde maatregelen onvoldoende werken, moet de huisarts verwijzen naar de dermatoloog. Deze kan medicamenteus behandelen, chirurgische ingrepen verrichten en zo nodig verwijzen naar de (plastisch) chirurg voor uitgebreidere operaties.
Verder speelt de huisarts uiteraard een rol in het kader van de psychologische begeleiding van HS-patiënten, en, indien relevant, bij stoppen met roken en afvallen.

Conclusie

Hidradenitis suppurativa is een chronische, invaliderende ontstekingsziekte van de huid, met een hoge ziektelast. HS wordt gekenmerkt door pijnlijke, ontstoken nodi, abcessen, fistels en fibrosering van de huid met hypertrofische littekens. Immuundysregulatie speelt een rol in de pathogenese van HS. De aandoening is geen infectieziekte en heeft ook een duidelijk andere pathogenese dan acne vulgaris. Behandeling bestaat, afhankelijk van de ernst en uitbreiding van de ziekte, uit lokale, systemische en/of chirurgische therapie. Vroege detectie van HS draagt bij aan het tijdig opstarten van een geschikt behandeltraject, teneinde ernstige complicaties en morbiditeit zo veel mogelijk te voorkomen. HS-patiënten raken helaas snel tussen wal en schip, mede doordat de behandeld arts op een eerstehulp- of huisartsenpost doorgaans volstaat met het couperen van de symptomen van de acute ontsteking door middel van incisie of drainage. Door het ontbreken van een adequaat vervolgbeleid kan de patiënt teleurgesteld raken over de behandeling, wat kan leiden tot mijden van zorg. De huisarts ziet erop toe dat deze patiënten in het juiste behandeltraject terechtkomen. Milde HS kan de huisarts zelf behandelen met lokale en orale antibiotica. Bij onvoldoende verbetering, bij matig-ernstige of ernstige HS moet de huisarts de patiënt naar de dermatoloog verwijzen. De huisarts heeft een rol bij het begeleiden van de patiënt bij het stoppen met roken en het bestrijden van overgewicht (beide risicofactoren voor HS), en bij het ondersteunen van de patiënt bij de psychosociale gevolgen van de ziekte.

Literatuur

  • 1.Sillevis Smitt JH, Van Everdingen JJE, Starink TM, De Haan M. Dermatovenereologie voor de eerste lijn. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2004.
  • 2.Revuz J. Hidradenitis suppurativa. J Eur Acad Dermatol Venereol 2009;23:985-98.
  • 3.Wollina U, Koch A, Heinig B, Kittner T, Nowak A. Acne inversa (hidradenitis suppurativa): a review with a focus on pathogenesis and treatment. Indian Dermatol Online J 2013;4:2-11.
  • 4.Von Laffert M, Helmbold P, Wohlrab J, Fiedler E, Stadie V, Marsch W. Hidradenitis suppurativa (acne inversa): early inflammatory events at terminal follicles and at interfollicular epidermis. Exp Dermatol 2010;19:533-7.
  • 5.Jemec GB, Revuz J, Leyden JJ. Hidradenitis Suppurativa. Berlijn: Springer-Verlag, 2006.
  • 6.Jemec GB, Heidenheim M, Nielsen NH. The prevalence of hidradenitis suppurativa and its potential precursor lesions. J Am Acad Dermatol 1996;35:191-4.
  • 7.Canoui-Poitrine F, Revuz JE, Wolkenstein P, Viallette C, Gabison G, Pouget F, et al. Clinical characteristics of a series of 302 French patients with hidradenitis suppurativa, with an analysis of factors associated with disease severity. J Am Acad Dermatol 2009;61:51.
  • 8.Berna-Serna JD, Berna-Mestre JD. Follicular occlusion due to hyperkeratosis: a new hypothesis on the pathogenesis of mammillary fistula. Med Hypotheses 2010;75:553-4.
  • 9.Von Laffert M, Stadie V, Wohlrab J, Marsch WC. Hidradenitis suppurativa/acne inversa: bilocated epithelial hyperplasia with very different sequelae. Br J Dermatol 2011;164:367.
  • 10.Konig A, Lehmann C, Rompel R, Happle R. Cigarette smoking as a triggering factor of hidradenitis suppurativa. Dermatology 1999;198:261-4.
  • 11.Rompel R, Petres J. Long-term results of wide surgical excision in 106 patients with hidradenitis suppurativa. Dermatol Surg 2000;26:638-43.
  • 12.Yazdanyar S, Jemec G. Hidradenitis suppurativa: a review of cause and treatment. Curr Opin Infect Dis 2010;24:118-23.
  • 13.Van der Zee HH, Van der Woude CJ, Florencia EF, Prens EP. Hidradenitis suppurativa and inflammatory bowel disease: are they associated? Results of a pilot study. Brit J Dermatol 2009;162:195-7.
  • 14.Jemec GB. The symptomatology of hidradenitis suppurativa in women. Br J Dermatol 1988;119:345-50.
  • 15.Morgan WP, Leicester G. The role of depilation and deodorants in hidradenitis suppurativa. Arch Dermatol 1982;118:101-2.
  • 16.Poli F, Jemec GB, Revuz J. Clinical presentation. In: Jemec GB. Hidradenitis Suppurativa. Berlin: Springer-Verlag; 2006:11-24.
  • 17.Von der Werth JM, Williams HC. The natural history of hidradenitis suppurativa. J Eur Acad Dermatol Venereol 2000;14:389-92.
  • 18.Onderdijk AJ, Van der Zee HH, Esmann S, Lophaven S, Dufour DN, Jemec GB, et al. Depression in patients with hidradenitis suppurativa. J Eur Acad Dermatol Venereol 2013;27:473-8.
  • 19.Wolkenstein P, Loundou A, Barrau K, Auquier P, Revuz J, Quality of Life Group of the French Society of Dermatology. Quality of life impairment in hidradenitis suppurativa: a study of 61 cases. J Am Acad Dermatol 2007;56:621.
  • 20.Hurley HJ. Axillary hyperhidrosis, apocrine bromhidrosis, hidradenitis suppurativa and familial benign pemphigus surgical approach. In: Roenigk RK, Roenigk HH. Dermatologic Surgery. New York: Marcel Dekker, 1989:729-39.
  • 21.Zouboulis CC, Desai N, Emtestam L, Hunger RE, Ioannides D, Juhász I, et al. European S1 guideline for the treatment of hidradenitis suppurativa/acne inversa. J Eur Acad Dermatol Venereol 2015;29:619-44.
  • 22.Jemec GB. Clinical practice. Hidradenitis Suppurativa. N Engl J Med 2012;366:158-64.
  • 23.Saunte DM, Boer J, Stratigos A, Szepietowski JC, Hamzavi I, Kim KH, et al. Diagnostic delay in hidradenitis suppurativa is a global problem. Brit J Dermatol Epub 2015 Nov 3. doi:10.1111/bjd.14038.
  • 24.Alikhan A, Lynch PJ, Eisen DB. Hidradenitis suppurativa: a comprehensive review. J Am Acad Dermatol 2009;60:539.
  • 25.Faye O, Petit F, Poli F, et al. Lymphedema as a complication of hidradenitis suppurativa in three patients. Ann Dermatol Venereol 2007;134:567-9.
  • 26.Lapins, J, Ye W, O. Emtestam NL. Incidence of cancer among patients with hidradenitis suppurativa. Arch Dermatol 2001;137:730-4.
  • 27.Maalouf E, Faye O, Poli F, Cosnes A, Revuz J. Fatal epidermoid carcinoma in hidradenitis suppurativa following treatment with infliximab. Ann Dermatol Venereol 2006;133:473-4.
  • 28.Deckers IE, Van der Zee HH, Prens EP. Severe fatigue based on anaemia in patients with hidradenitis suppurativa: report of two cases and a review of the literature. J Eur Acad Dermatol Venereol 2015;Epub Sept 3. doi:10.1111/jdv.12680.
  • 29.Boer J, Jemec GB. Resorcinol peels as a possible self-treatment of painful nodules in hidradenitis suppurativa. Clin Exp Dermatol 2010;35:36-40.
  • 30.Jemec GB, Wendelboe P. Topical clindamycin versus systemic tetracycline in the treatment of hidradenitis suppurativa. J Am Acad Dermatol 1998;39:971-4.
  • 31.Clemmensen OJ. Topical treatment of hidradenitis suppurativa with clindamycin. Int J Dermatol 1983;22:325-8.
  • 32.Sapadin AN, Fleischmajer R. Tetracyclines: nonantibiotic properties and their clinical implications. J Am Acad Dermatol 2006;54:258-65.
  • 33.Altenburg J, De Graaff CS, Van der Werf TS, Boersma WG. Immunomodulatory effects of macrolide antibiotics; biological mechanisms. Respiration 2011;81:67-74.
  • 34.Van der Zee H, Boer J, Prens E, Jemec GBE. The effect of combined treatment with oral clindamycin and oral rifampicin in patients with hidradenitis suppurativa. Dermatology 2009;219:143-7.
  • 35.Gener G, Canoui-Poitrine F, Revuz JE, Faye O, Poli F, Gabison G, et al. Combination therapy with clindamycin and rifampicin for hidradenitis suppurativa: a series of 116 consecutive patients. Dermatol 2009;219:148-54.
  • 36.Nazary M1, Van der Zee HH, Prens EP, Folkerts G, Boer. Pathogenesis and pharmacotherapy of hidradenitis suppurativa. J Eur J Pharmacol 2011;15:1-8.
  • 37.Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV). Richtlijn: Acneïforme dermatosen; 2013. Beschikbaar op: www.huidarts.info.
  • 38.Van Rappard DC1, Limpens J, Mekkes JR. The off-label treatment of severe hidradenitis suppurativa with TNF-α inhibitors: a systematic review. J Dermatolog Treat 2013;24:392-404.
  • 39.Grant A, Gonzalez T, Montgomery MO, Cardenas V, Kerdel FA. Infliximab therapy for patients with moderate to severe hidradenitis suppurativa: a randomized, double-blind, placebo-controlled crossover trial. J Am Acad Dermatol 2010;62:205-17.
  • 40.Adams DR, Yankura JA, Fogelberg AC, Anderson BE. Treatment of hidradenitis suppurativa with etanercept injection. Arch Dermatol 2010;146:501-4.
  • 41.Miller I, Lynggaard CD, Lophaven S, Zachariae C, Dufour DN, Jemec GB. A double blind placebo controlled randomised trial of adalimumab in the treatment of hidradenitis suppurativa. Brit J Dermatol 2011;165:391-8.
  • 42.Kimball A, Jemec G, Okun M, Gu Y. Efficacy and safety of adalimumab in treatment of moderate to severe hidradenitis suppurativa: results from the placebo-controlled portion of a phase II, randomized, double-blind study. J Am Acad Dermatol 2011;64:AB155.
  • 43.Ellis LZ. Hidradenitis suppurativa: surgical and other management techniques. Dermatol Surg 2012;38:517-36.
  • 44.Shah, N. Hidradenitis suppurativa: a treatment challenge. Am Fam Physician 2005;72:1547-52.
  • 45.Ritz JP, Runkel N, Haier J, Buhr HJ. Extent of surgery and recurrence rate of hidradenitis suppurativa. Int J Colorectal Dis 1998;13:164-8.
  • 46.Buimer MG, Ankersmit MF, Wobbes T, Klinkenbijl JH. Surgical treatment of HS with gentamycin sulphate: a prospective randomised study. Dermatol Surg 2008;34:224-7.
  • 47.Danby FW. Commentary: unroofing for hidradenitis suppurativa, why and how. J Am Acad Dermatol 2010;63:481.
  • 48.Hazen PG, Hazen BP. Hidradenitis suppurativa: successful treatment using carbon dioxide laser excision and marsupialization. Dermatol Surg 2010;36:208-13.
  • 49.Van der Zee HH, Prens EP, Boer J. Deroofing: a tissue-saving surgical technique for the treatment of mild to moderate hidradenitis suppurativa lesions. J Am Acad Dermatol 2010;63:475-80.
  • 50.Van Rappard DC, Mooij JE, Mekkes JR. Mild to moderate hidradenitis suppurativa treated with local excision and primary closure. J Eur Acad Dermatol Venereol 2012;26:898-902.
  • 51.Ather S, Chan DS, Leaper DJ, Harding KG. Surgical treatment of hidradenitis suppurativa: case series and review of the literature. Int Wound J 2006;3:159-69.
  • 52.Alharbi Z, Kauczok J, Pallua N. A review of wide surgical excision of hidradenitis suppurativa. BMC Dermatol 2012;12:9.
  • 53.Mooij JE, Van ’t Oost L, Leenarts MF, Mekkes JR. Behandelopties bij ernstige hidradenitis suppurativa. Ned Tijdschr Geneeskd 2011;155:A1912.
  • 54.Wielink G, Koning S, Oosterhout RM, Wetzels R, Nijman FC, Draijer LW. NHG-Standaard Bacteriële huidinfecties (Eerste herziening). Huisarts Wet 2007;50:426-44.
  • 55.Zorginstituut Nederland. Middelen bij inflammatoire dermatosen. Farmacotherapeutisch Kompas;2014 (geraadpleegd op 4-12-2014). www.fk.cvz.nl.

Reacties

Er zijn nog geen reacties