Nieuws

Het effect van calciumsuppletie op botverlies na de menopauze

0 reacties
Gepubliceerd
10 mei 2004

Achtergrond De rol van het calciumgehalte van de voeding en het belang van calciumsuppletie bij de incidentie en de preventie van osteoporose staan nog altijd ter discussie. Doel In deze Cochrane-review werd het effect van calciumsupplementen op botverlies en fracturen bij postmenopauzale vrouwen beoordeeld. Zoekstrategie en insluiting Er werd gezocht in het Cochrane register, Medline, Embase en via de sneeuwbalmethode tot en met 2001 naar gerandomiseerde en gecontroleerde interventieonderzoeken met calciumsuppletie bij postmenopauzale vrouwen met als uitkomstmaat de meting van botmineraaldichtheid of de incidentie van fracturen. Aanvullende insluitingscriteria waren: een onderzoeksduur van minimaal 1 jaar, calciumsuppletie in de behandelgroep van minimaal 400 mg per dag en meting van de botdichtheid met SPA, DPA of DEXA. Onderzoeken waarin zowel de interventiegroep als de controlegroep gesuppleerd werden met vitamine D werden ingesloten, mits de dosis lager was dan 400 IU per dag. Resultaten De auteurs vonden 15 onderzoeken met in totaal 1806 proefpersonen, waaronder 953 vrouwen die met calcium gesuppleerd werden. In 5 onderzoeken met in totaal 576 proefpersonen was naast de botdichtheid ook de incidentie van wervelfracturen onderzocht. In twee onderzoeken werd ook de incidentie van andere dan wervelfracturen gemeten. Uitgedrukt als gepoold relatief risico was er een statistisch niet-significante trend naar minder wervelfracturen in de behandelde groep (RR 0,79; 95%-BI:0,55-1,13). Het aantal overige fracturen in de twee betreffende onderzoeken was te laag om er een conclusie uit te kunnen trekken (gepoolde RR 0,86; 95%-BI 0,43-1,72). De botmineraaldichtheid (BMD) werd in meerdere delen van het skelet gemeten; de lumbale wervelkolom (9 onderzoeken), de heup (8 onderzoeken), de pols (6 onderzoeken) en het totale skelet (4 onderzoeken). Alle vier verschillende BMD-metingen lieten een klein, maar statistisch significant effect zien op de BMD. Bij 3 van de 4 metingen werd geen relatie gevonden tussen de grootte van het effect en de duur van de behandeling. Het effect van de calciumsuppletie op botverlies uit de wervelkolom was statistisch significant gerelateerd aan de duur van de suppletie met een kleiner en niet-significant effect in het derde en vierde behandeljaar. Uitgedrukt als percentage van de beginwaarde bedroeg het gewogen gemiddeld effect van de calciumsuppletie 2,05% (95%-BI 0,24-3,86) voor het gehele skelet, 1,66% (95%-BI 0,92-2,39) voor de lumbale wervelkolom na 2 jaar suppletie, 1,13% (BI -0,11-2,38) voor de lumbale wervelkolom na 3-4 jaar suppletie, 1,6% (95%-BI 0,78-2,41) voor de heup en 1,91% (95%-BI 0,33-3,5) voor de pols. De onderzoeksresultaten van de onderzoeken waren statistisch significant verschillend. Dit werd niet verbeterd indien er gecorrigeerd werd voor de duur van de postmenopauze, de hoeveelheid calcium in het supplement, de tijd sinds de menopauze en het calciumgehalte van het dieet. Conclusie De auteurs concluderen dat calciumsuppletie bij postmenopauzale vrouwen een gunstig effect heeft op botverlies. Het effect van calciumsuppletie op de incidentie van fracturen blijft onduidelijk.

Commentaar

Uit bevolkingsonderzoek blijkt dat er een exponentiële relatie bestaat tussen de incidentie van heupfracturen en de botmineraaldichtheid. Dit betekent dat kleine veranderingen in de botdichtheid van de bevolking een groot effect zouden kunnen hebben op de incidentie van fracturen. De auteurs merken terecht op dat het door hun gevonden kleine effect maatschappelijk gezien zeer belangrijk zou kunnen zijn. Calciumsuppletie is een goedkope interventie met weinig bijwerkingen. Dit betekent dat het effect niet erg groot hoeft te zijn om kosteneffectief te zijn. Over de effect van calciumsuppletie op fracturen is echter nog te weinig bekend, laat staan over het nut op individueel niveau. Met deze review zijn we dus niet veel opgeschoten. Theoretisch dient de calciuminname het obligate calciumverlies te compenseren om het geen aanleiding te geven tot botverlies. De calciumabsorptie is zeer variabel. Zowel bij jeugdigen (vanaf 9 jaar) als bij volwassenen en ouderen lijkt een inname van 1000-1200 mg per dag voldoende om dit te bereiken. Dit wordt door ongeveer twee derde van de volwassenen en ouderen in Nederland gehaald. Er zijn aanwijzingen dat bij sterk verlaagde calciuminneming het risico op fracturen verhoogd is. Zowel de NHG-Standaard als de CBO-richtlijn adviseert een calciuminname met de voeding in deze orde van grootte en adviseert gezonden calciumsupplementen te gebruiken als een inname van meer dan 500 mg per dag niet gehaald wordt.12 Tijdens corticosteroïdgebruik, bij osteoporotische fracturen en bij patiënten die medicamenteus behandeld worden voor osteoporose dient de calciuminname minimaal 1000-1200 mg te bedragen. Deze review geeft geen aanleiding om dit advies te veranderen.

Literatuur

  • 0.Elders P, Van Keimpema JC, Petri H, Matser A, Pigmans V, Bolhuis A, et al. NHG-Standaard Osteoporose. Huisarts Wet 1999;42:115-28.
  • 0.CBO. Tweede Herziening Richtlijn Osteoporose. Utrecht: Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO, 2002.

Reacties

Er zijn nog geen reacties