Nieuws

Interview met

0 reacties
Gepubliceerd
10 mei 2001

Samenvatting

Frank Smeenk was vanuit de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT) nauw betrokken bij de ontwikkeling van de Landelijke Transmurale Afspraken (LTA's) over astma en COPD. Maar ook rond de actualisering van de standaarden over astma en COPD is met hem en anderen samengewerkt. ‘Ik ben een ervaring rijker, omdat zo'n proces je dwingt na te denken over je eigen rol. Wanneer moet een huisarts een patiënt wel of niet verwijzen en hoeveel meer kan een longarts in bepaalde situaties nou eigenlijk betekenen?’, aldus Smeenk.[[img:496]]

Hoe kijk jij zelf aan tegen de zorg voor astma en COPD?

‘We hebben het over chronische ziekten met een hoge morbiditeit en mortaliteit, en die zullen in de komende jaren enorm in kwantiteit toenemen. Met name COPD-patiënten hebben in de loop van hun ziekte verschillende zorgverleners nodig; niet alleen huisartsen en specialisten, maar ook fysiotherapeuten en thuiszorg-hulpverleners. Het is dus heel belangrijk dat die zorg goed wordt gecoördineerd, want je moet niet náást elkaar werken, maar met elkaar.’

Denk je dat de nu ontwikkelde LTA's dat doel bereiken?

‘De eerste en tweede lijn hebben in een constructieve sfeer afspraken gemaakt over zaken als: wanneer is een verwijzing geïndiceerd, wat mag daarvan worden verwacht, taakafbakening, gedeelde zorg, communicatie over gemeenschappelijke patiënten, momenten van terugverwijzing enzovoort. Daarmee is een zorgcontinuüm gecreëerd. Maar de implementatie zal moeilijker worden, vrees ik. Het komt nu neer op de spelers in het veld en een goede implementatie vergt aandacht en energie van beide kanten. Huisartsen en specialisten zullen met elkaar in contact moeten treden en over hun samenwerking moeten gaan praten. Overigens is door de NVALT heel positief gereageerd op de LTA's: ze zijn zonder een enkele tegenstem geaccordeerd.’

Voorzie je struikelblokken bij die implementatie?

‘In een tussentijdse enquête brachten de longartsen als belangrijkste probleem naar voren dat er grote verschillen zijn tussen de diverse huisartsen met wie zij samenwerken. Sommige huisartsen weten heel veel van longziekten, andere hebben er weinig aandacht voor. En zo ook zijn er praktijken waar bijvoorbeeld wel spirometrie kan worden verricht, terwijl andere praktijken die mogelijkheid niet hebben. Dat is echter wel van belang voor de terugverwijzingsmogelijkheden.’

Hoe zou je dat kunnen oplossen?

‘Eigenlijk zouden wij als longartsen ondersteuning op maat moeten bieden aan de huisartsen. In Eindhoven ga ik regelmatig als een soort consulent naar huisartsen toe, en dan worden problemen en vaardigheden samen besproken. Soms blijkt de kennis dusdanig groot, dat een huisarts de zorg langer op zich kan blijven nemen dan de LTA voorschrijft; is die kennis minder, dan kun je afspreken dat juist eerder wordt verwezen dan de LTA stelt. Op die manier kun je al werkend de LTA implementeren. Dit vergt echter een andere werkwijze van de longarts en daar staat (nog) geen honorering tegenover. Toch zullen wij iets dergelijks moeten gaan doen, want doorwerken op de huidige manier kan niet: over tien jaar zullen we dan de zorg niet meer met elkaar aankunnen vanwege de tekorten aan zowel huisartsen als specialisten. Overigens vind ik dit overleg met huisartsen heel leuk om te doen, en zij zeggen hetzelfde. Waar je werkplezier wordt verhoogd, ga je ongemerkt ook beter werken. Als eerste en tweede lijn zouden we een “wij-gevoel” moeten krijgen. Tenslotte hebben we een gemeenschappelijk doel: een betere zorg voor de patiënt.’ (AS)

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen