Praktijk

Kennistoets: vragen

Gepubliceerd
9 januari 2014
De huisarts maakt een visite bij de heer Jonker, 51 jaar. Zijn echtgenote heeft hier eerder die ochtend om gevraagd, omdat haar man sinds anderhalve dag hevig duizelig en misselijk is. Na anamnese en onderzoek stelt de huisarts de waarschijnlijkheidsdiagnose neuritis vestibularis. De huisarts legt uit dat de klachten doorgaans binnen vier dagen afnemen. Zij vraagt de heer Jonker opnieuw contact met haar op te nemen indien zijn klachten niet binnen deze termijn zijn afgenomen. Zij schrijft betahistine voor tegen de duizeligheid en metoclopramide tegen de misselijkheid.
1. De genoemde termijn (binnen 4 dagen) is in dit geval correct.
2. Het voorschrijven van betahistine is in dit geval correct.
3. Het voorschrijven van metoclopramide tegen de misselijkheid is in dit geval correct.
De huisarts heeft samen met de aios de bevalling begeleid van mevrouw Vrede, 29 jaar. De bevalling is goed verlopen en de huisarts onderzoekt het pasgeboren meisje. Haar armpjes en beentjes bewegen symmetrisch. Hij (1) onderzoekt haar beide heupjes op dysplastische heupontwikkeling (DHO).
4. Dit onderzoek (1) hoort bij het standaardonderzoek van de pasgeborene door de huisarts.
De aios bespreekt de familieanamnese met zijn opleider. De vader van de pasgeborene, 39 jaar, heeft coxartrose. De opleider zegt dat het in de familie op jonge leeftijd voorkomen van coxartrose zonder bekende oorzaak een risicofactor is voor DHO.
5. De opleider heeft gelijk.
Het echtpaar Hendriksen komt op het spreekuur om te praten over het drankprobleem van de heer Hendriksen, 62 jaar. Sinds hij een half jaar geleden met vervroegd pensioen is gegaan, drinkt hij elke dag minstens vier flesjes bier. Zijn vrouw zegt dat het drankgebruik leidt tot ruzies in het gezin en dat de sociale contacten eronder lijden. De heer Hendriksen ontkent dat de problemen worden veroorzaakt door de alcohol. Na een uitgebreid gesprek stelt de huisarts de diagnose problematisch alcoholgebruik. Hij meet de bloeddruk van de heer Hendriksen. Hij stelt voor om laboratoriumonderzoek te doen (1) om een betere indruk te krijgen van de mate van het alcoholgebruik.
6. Een risicofactor voor problematisch alcoholgebruik is in dit geval de pensionering.
7. Het meten van de bloeddruk is bij de gestelde diagnose zinvol.
8. Laboratoriumonderzoek is voor het doel na (1) geschikt.
Recent is door de huisarts bij Stefan, 7 jaar, de diagnose astma gesteld. Zijn ouders komen nu met een aantal vragen op het spreekuur. Op de vraag of deze klachten kunnen verdwijnen, antwoordt de huisarts dat kinderen van Stefans leeftijd kans hebben dat de astmaklachten voor of rond de puberteit verdwijnen. De ouders van Stefan vragen ook of hun zoon een poederinhalator kan krijgen in plaats van de voorgeschreven dosisaerosol met voorzetkamer. De huisarts antwoordt dat een poederinhalator pas wordt gegeven bij voldoende inspiratiekracht, (1) hetgeen voor Stefan nog niet geldt.
9. De kans dat astmaklachten voor of rond de puberteit verdwijnen, zoals hierboven vermeld, ligt dichter bij 40% dan bij 70%.
10. Het gestelde na (1) is correct.
De antwoorden staan op pagina 52.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen