Praktijk

Kennistoets: vragen

Gepubliceerd
3 augustus 2015
1. Welke stelling(en) is/zijn correct? (1) Ongeveer 4 op de 10 kinderen met door de huisarts geregistreerd astma hebben in het dossier daadwerkelijk aanwijzingen voor astma. (2) Bij ongeveer 1 op de 4 kinderen met door de huisarts geregistreerd astma was de diagnose astma onwaarschijnlijk.
  • Alleen stelling 1 is correct.
  • Alleen stelling 2 is correct.
  • Beide zijn correct.
  • Geen van beide is correct.

2. Geert, 4 jaar, is verkouden en heeft sinds twee dagen een piepende en zagende ademhaling. Moeder wil graag bloedonderzoek op allergie. Geert heeft geen allergische klachten, in zijn familie komt atopie niet voor. Welke stelling(en) is/zijn correct? (1) Screeningsonderzoek op inhalatieallergenen is in dit geval aangewezen.(2) Een goede reactie op salbutamol maakt de diagnose astma bij Geert waarschijnlijk.
  • Beide stellingen zijn correct.
  • Alleen stelling 1 is correct.
  • Alleen stelling 2 is correct.
  • Geen van beide is correct.

3. In het leergesprek over inspanningsastma zegt de aios dat kinderen minder kwetsbaar zijn voor inspanningsastma als ze hun conditie verbeteren. De opleider zegt dat kinderen een goede bescherming hebben tegen inspanningsastma als ze een goede warming-up en cooling-down doen. Wie heeft/hebben gelijk?
  • De aios heeft gelijk.
  • De opleider heeft gelijk.
  • Beiden hebben gelijk.
  • Beiden hebben ongelijk.

4. Wat is een nadeel van percutane naaldfasciotomie door de huisarts (PNF) ten opzichte van selectieve fasciectomie door de plastisch chirurg bij M. Dupuytren?
  • Langzamer herstel.
  • Hoger complicatierisico.
  • Het invasieve karakter van de PNF.
  • Groter risico op een vroeg recidief.

5. Welke stelling over de ziekte van M. Dupuytren is correct?
  • Dupuytren is een fibromatose van de dorsale fascie van de hand en vingers.
  • De oorzaak van Dupuytren is nog onbekend.
  • In de Nederlandse bevolking ouder dan 50 jaar heeft ongeveer 1% een kromstand van één of meer vingers door M. Dupuytren.
  • In de Nederlandse huisartsenpraktijk is de incidentie voor M. Dupuytren ongeveer 0,1/1000 patiëntjaren.

6. Welke van onderstaande ziektebeelden is geen uiting van dezelfde bindweefselstoornis als M. Dupuytren?
  • Ziekte van Peyronie (verkromming van de penis).
  • Ledderhose-syndroom (knobbeltjes op de voetzolen).
  • Knuckle pads (verhardingen op de strekzijden van vingers en tenen).
  • Triggerfinger (lokale zwelling van de handpalm en verminderde buigmogelijkheid).

7. Verdachte huidafwijkingen zorgen voor een toenemende belasting in de huisartsenpraktijk. Welke stelling is correct?
  • Het aantal consulten voor verdachte huidafwijkingen stijgt jaarlijks met 7%.
  • In 2010 was bij verdachte huidafwijkingen de benigne/maligne-ratio 20:1.
  • Ongeveer 25% van alle consulten voor verdachte huidafwijkingen wordt verwezen.
  • De laatste jaren wordt bij 20% van de patiënten met verdachte huidafwijkingen kleine chirurgie toegepast.

8. Een manier om moedervlekken te beoordelen is de ABCDE-regel. Elke letter staat voor een kenmerk dat de kans op een melanoom vergroot. Welk van ondergenoemde kenmerken staat niet in de ABCDE-regel?
  • A staat voor Asymmetry (het niet symmetrisch zijn van de moedervlek);
  • B voor Border (rand);
  • C voor Consistency (consistentie, hardheid);
  • D voor Diameter (doorsnede, grootte);
  • E voor Evolution (verandering).

9. Mehmet, 2 jaar, heeft een ‘Tierfell-naevus’ op zijn rug. De huisarts zegt tegen moeder dat (1) het risico op kwaadaardige verandering toeneemt naarmate de plek groter is en (2) dat kwaadaardige verandering bij dit soort moedervlekken met name optreedt na het 20ste levensjaar.
  • Beide stellingen zijn correct.
  • Alleen stelling 1 is correct.
  • Alleen stelling 2 is correct.
  • Geen van beide is correct.

10. Mevrouw Verschoor is een blanke Curaçaose van 34 jaar. Zij komt vanwege een jeukende en groeiende moedervlek op haar rug. Haar voorgeschiedenis vermeldt het dysplastisch naevussyndroom. De kans op een maligne melanoom is vergroot door:
  • het dysplastisch naevussyndroom;
  • jeuk aan de bewuste naevus;
  • jarenlang verblijf in de tropen;
  • alle bovenstaande factoren.

De toetsvragen zijn gebaseerd op artikelen uit dit nummer van Huisarts & Wetenschap. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van bronnen die daarbij aansluiten, zoals NHG-Standaarden, Farmacotherapeutisch Kompas, CBO-richtlijnen. De juiste antwoorden vindt u op pagina 452.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen