Nieuws
Gepubliceerd
10 december 2008

Vele jaren later - ik was al volwassen - hadden mijn ouders, bij wie ik even langsging, hun achtjarige kleinzoon te logeren. Om een reden die ik niet meer weet, werd mijn vader woedend op dat joch. Heel goed herkende ik die woede, waar nu geen latje maar alleen het geschreeuw nog aan te pas kwam. Het deed me nog steeds niet veel. Dat veranderde echter op slag toen ik de doodsangst in de ogen van mijn neefje zag. Ineens voelde ik de ongelooflijke dreiging van die totale overkill aan woede tegenover zo’n weerloos jongetje dat het op dát huilen zette dat ík als jochie altijd verdrongen had. Psychoanalyse en therapie moesten er later aan te pas komen om het een en ander bij mij recht te zetten. Ik prijs me gelukkig dat ik mijzelf op die manier toch nog tot een heel leefbaar type heb weten te kneden, compleet met een gezin, leuk werk en geluk. Maar de kerven in je ziel zijn blijvend. De allereerste avond samen met mijn vrouw, 26 jaar geleden, heb ik haar al over dat latje verteld…

Onlangs maakte ik me grote zorgen over een jongetje in een mij bekend, uiterst agressief gezin. Ik belde daarom zijn huisarts, die ik goed ken, met de hint eens extra op dat jongetje te letten. Hij vond het een griezelig gezin en wilde er zijn handen liever niet aan branden. Dan maar een vertrouwensarts gebeld. Ik weet niet wie die benaming verzonnen heeft, maar de toon en afstandelijke houding deden mij het ergste vrezen. En ik had gelijk: als hij al in mijn verhaal geïnteresseerd zou zijn geweest, had het nog geen zin, want procedures bleken belangrijker dan het jongetje. We kennen onderhand de krantenberichten: grote verontwaardiging als er weer een kind aan mishandeling is bezweken, maar steeds weer blijken vele professionals zich achter dikke procedurele bomen te hebben verscholen.

Vorige week liep in het najaarszonnetje een vader met een klein kind in een soort draagzakje op zijn schouder. Het zag er, diep in slaap, met zijn hoofdje op papa’s schouder, uit als een spinnend poesje. En het effect op de voorbijgangers was opmerkelijk. Vrijwel iedereen keek vertederd naar het tweetal en maakte elkaar erop attent. En meters verder keken de mensen nog eens om, om nog een glimp van het tafereeltje op te vangen. De volledige overgave en totale veiligheid van het kind spraken kennelijk tot ieders verbeelding. Dat is wat wij kinderen eigenlijk allemaal toewensen.

Toen huisarts Jan Moors, alweer lang geleden, geweld in het gezin tot onderwerp van het NHG-Congres maakte, verwachtten wij allen veel van deze nogal gedurfde keuze. Decennialang al echter praten zorgverleners, als waren zij deelnemers aan het programma Rondom Tien, over hoe gecompliceerd het is als er sprake is van (een vermoeden van) kindermishandeling. De vertrouwensband met de ouders mag niet worden geschaad of verbroken en wat te doen als de verdenking niet terecht blijkt te zijn? Wat haal je jezelf allemaal op de hals als je een agressieve vader laat weten niet te geloven in de opgegeven redenen van de verwondingen van zijn kind? Allemaal realistisch misschien, maar al deze redeneringen vallen in het niet waar het gaat om geestelijke of lichamelijke mishandeling van kinderen. Je moet er als zorgverlener toch niet aan denken dat procedurele bedenkingen of, erger nog, zelfbescherming ertoe hebben geleid dat de mishandeling is doorgegaan? De minister heeft onlangs bepaald dat huisartsen mishandeling altijd moeten melden. Je mag hopen dat die hier méér dan loyaal aan meewerken en de risico’s van valse meldingen met alle ellende van dien toch minder zwaar zullen laten wegen dan de risico’s van niet gestopte mishandeling! Hans van der Voort hvdvoort@knmg.nl

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen