Wetenschap

Nabij op afstand. Een dubbele terugblik op ‘De pest'

Gepubliceerd
20 mei 2002

Inleiding

Het beeld van de hoofdpersoon uit De pest was mij altijd zeer nabij, maar het verhaal stond op grote afstand. Wat herken ik nu terug van dat beeld in het oorspronkelijke verhaal en is mijn beeld nog steeds met recht een monument voor wat een dokter vermag?

Herinnering

De dokter uit La peste van Albert Camus – in mijn herinnering heet hij wonderlijk genoeg Raoul – was de spil in mijn gedachten in de jaren dat ik me een beeld ging vormen van wat geneeskunde voor mij betekende. Ook later, toen mij slechts spaarzame en mistige indrukken van het verhaal waren bijgebleven, stond Raoul me helder voor de geest als archetype voor ‘de dokter‘. Hij was hors concours monument geworden voor wat me indertijd – bij de eerste lezing op mijn twintigste of daaromtrent en nogmaals zo'n tien jaar daarna – had getroffen als de ‘kennelijke‘ drijfveren voor de ware geneeskunst: die paradoxale combinatie van berustende gelatenheid met betrekking tot de loop der gebeurtenissen en nieuwsgierige betrokkenheid bij de individuen die deelgenoot zijn van de gebeurtenissen. Een deelgenoot is niet per se een slachtoffer, maar voor Raoul kwam betrokkenheid tot uiting in hulpvaardigheid. Voor hem sloten gelatenheid en zelfs naar fatalisme neigende berusting niet uit dat hij zich als vanzelfsprekend inzette voor zijn patiënten in hun misère. Hij overzag de gemeenschappelijkheid van die ellende, doorzag oorzaken en toedracht en werd – zo leert nog steeds mijn herinnering – door deze kennis en dit inzicht absoluut niet geremd naar beste kunnen liefst nuttige en op z'n minst opbeurende bijdragen te leveren aan het verlichten van het lot van zijn patiënten. Later herkende ik deze elementen in de bekende zegswijze: ‘L’office du médecin est de gué-rir quelquefois, de soulever souvent et de consoler presque toujours’. Raoul leerde mij (of ik dichtte hem toe) dat een dokter bij zoveel opeenvolgend en schier onvermijdelijk menselijk leed zich boos noch verdrietig voelt, de confrontatie zeker niet ervaart als persoonlijk falen, maar zich rustig, berustend en rustgevend bekommert om zijn individuele patiënten. Boven de boosheid en het verdriet kunnen staan, vanuit de notie de situatie te overzien en te doorzien, dat zijn de componenten die het de dokter mogelijk maken zijn patiënten de helende en troostende combinatie van betrokkenheid en distantie te tonen. Distantie als noodzakelijke voorwaarde voor medisch vakmanschap en betrokkenheid uit medemenselijkheid en als drijfveer voor vakmanschap en doorzettingsvermogen.

Raoul ploeterde in mijn herinnering zo'n beetje in zijn eentje voort. Zijn arbeid leek hopeloos – zijn patiënten stierven bij bosjes – maar hij ervoer dat niet zo. Toch voelde hij zich niet eenzaam, ook niet wanneer hij 's avonds voor het open raam uitkeek over de daken van Oran. Hier stond een vermoeide, lichtelijk uitgebluste, maar innerlijk rustige en zelfs tevreden dokter.

Dit artikel is een voorpublicatie uit het boek Ziektebeelden – essays over literatuur en geneeskunde, samengesteld door Frans Meulenberg, Jan van der Meer en Arko Oderwald. In H&W zullen de komende maanden vijf hoofdstukken als voorpublicatie verschijnen. Het echte boek verschijnt op 18 september 2002 bij uitgeverij Lemma, Utrecht. Meer informatie via: karin.vlug@lemma.nl

Onthulling?

Hierboven staan mijn herinneringen verwoord die ik heb genoteerd voordat ik ten derde male De pest in vertaling van Willy Corsari ging lezen. 1 De aanleiding voor deze opfrisbeurt was de uitnodiging te verwoorden welk literair werk vanuit een medisch perspectief een bijzondere indruk op me heeft gemaakt. Het zal wel toeval zijn dat mijn literaire bedevaart op de week nauwkeurig samenvalt met mijn 25-jarig jubileum als arts. In deze tekst richt ik me op de beantwoording van twee vragen. Wat herken ik van ‘mijn Raoul’ wel of niet terug in het boek en is Raoul, dan wel zijn alter ego Bernard Rieux nog steeds met recht een monument?

Camus voert naast Bernard Rieux zo'n half dozijn karakters ten tonele, die even zoveel thema's des levens tot uitdrukking brengen. Zo zijn daar de verontwaardiging en ontgoocheling van Tarrou, die in het besef ‘dat wij allen verpest zijn’, heeft besloten zich ‘bij elke voorkomende gelegenheid aan de kant van de slachtoffers te scharen om zoveel mogelijk kwaad te voorkomen’ en ‘te ontdekken hoe je de vrede kunt vinden.’ Dan is er de liefdesqueeste van de journalist Rambert, die ten langen leste ‘voorlopig wilde doen als allen om hem heen, die schenen te geloven dat de pest kan komen en gaan zonder de harten der mensen te veranderen.’ Een centraal thema is vervolgens de prediking van een ‘actief fatalisme’ door pater Paneloux: ‘Men moest niet luisteren naar de moralisten die beweerden, dat men op de knieën moest vallen en alles weerloos laten gebeuren, men moest proberen voorwaarts te komen in het donker, als het ware blindelings, men moest trachten goed te doen.’ Voorts is daar het verbleken van de vervolgingsangst van Cottard te midden van de algehele ontreddering: ‘Gelooft u me, ik kan het weten, de enige methode om de mensen tot elkaar te brengen is de pest op hun dak te sturen. Kijkt u maar om u heen.’ Regelmatig wordt vertedering opgeroepen door de schaamte van de ascetisch levende ambtenaar Grand voor zijn geheimzinnige taak de juiste woorden te vinden. ‘Ach dokter, ik wou dat ik kon leren me goed uit te drukken.’ Uiteindelijk bleek de formule voor een ‘schelmse tevredenheid’ simpel: ‘Ik heb alle adjectieven weggelaten.’ En dan zijn er nog ‘de heldere, kastanjebruine ogen van Rieux' moeder’ met ‘een blik, waarin zoveel goedheid was te lezen, (dat deze) altijd sterker zou zijn dan de pest’, voorts de vanzelfsprekende ijver van de oude dokter Castel een serum tegen de pest te vervaardigen en ten slotte de monotone regelmaat waarmee de spotgrage, maar blijmoedige oude astmalijder zijn pannen erwt voor erwt vulde. ‘Na vijftien pannen is het tijd om te bikken. Heel eenvoudig.’

Zelfs in deze summiere schets komen deze personen allesbehalve saai of nietszeggend over. Ook louter getalsmatig mogen ze er zijn in het boek. Ik schat dat minstens een derde van het aantal bladzijden aan de bijrollen wordt besteed. Toch bleken deze personages voor mij volstrekt achter de coulissen te zijn verdwenen. Bij herlezing bleek ik me niets en dan ook niets van de personen rond Raoul te herinneren, met uitzondering van een woordeloos liefdevolle aanwezigheid van Rieux’ moeder ergens vaag zichtbaar tussen de coulissen. Lezing 30 jaar geleden en herlezing 10 jaar daarna hadden mij slechts de herinnering nagelaten van Raoul. Geen vage herinnering opgesloten in zinnen met abstracte woorden, maar een scherp beeld van een Humphrey Bogart-achtige verschijning, steeds als zwart-wit foto (nooit bewegend als in een film) staand voor het raam of in het trapportaal starend naar een dode rat. Voorts was daar het klassieke plaatje van een zwijgende dokter staand naast een bed met de hand rustend op de arm van een doodzieke patiënt. Wonderlijk hoe deze persoon (en dokter!) in mijn herinnering zo geïsoleerd is komen te staan, terwijl de personen uit zijn entourage ieder voor zich een deel van zijn alter ego vertegenwoordigen: in hen wordt een karaktertrek van Rieux uitvergroot of weerspiegelt zich een dilemma dat Rieux ook niet vreemd is. Mijn herinneringsvertekening is des te opmerkelijker aangezien ik enkele personen rond Rieux nu kleurrijker, zelfs spannender vind dan de dokter die bijvoorbeeld minder reliëf krijgt dan Tarrou, wiens levenshouding begrijpelijk wordt uit zijn verhaal. Rieux is er gewoon, hij wordt nauwelijks geplaatst in zijn levenslijn. Wonderlijk genoeg heeft mijn Raoul belangrijke elementen uit de karakterschetsen van de kameraden van Rieux in zich geïncorporeerd. Raoul stond in mijn herinnering voor meer passie (Tarrou), bezonkenheid (Paneloux) en bescheidenheid (Castel) dan ik nu terugvind bij Bernard Rieux. Enigszins ontnuchterd registreer ik van hem vooral sleutelpassages als: ‘Het heil van de mens, dat zijn te grote woorden voor mij. Zover ga ik niet. De gezondheid van de mens is het, die mij interesseert; in de eerste plaats zijn gezondheid.’ En: ‘Wat er nu moest gebeuren was, de waarheid onder ogen zien, een eind maken aan nutteloze verdoezelingen en de nodige maatregelen treffen. Daarna zou de pest ophouden, omdat men zich geen voorstelling van haar kon maken, of slechts een verkeerde.’ Hier spreekt de arts, nuchter en streng, ook voor zichzelf. ‘Rieux beheerste zich met geweld. Hier lag de zekerheid, in het dagelijkse werk. De rest was een weefsel van onbetekenende gebeurtenissen, waarmee men zich niet kon ophouden. Het belangrijkste was, zijn werk goed te verrichten.’ Dit arbeidsethos zat weliswaar ook opgesloten in de mentaliteit van mijn Raoul, maar dan minder ingebed in vanzelfsprekende professionaliteit en meer in compassie en warmhartigheid. Wellicht is mijn herinnering vooral vastgeklonken geraakt aan de reflectie van Rieux aan het eind van de strijd: ‘…en hij dacht, dat het niet belangrijk was of die dingen een zin hadden gehad of niet, doch dat het slechts belangrijk was vast te stellen hoe de hoop der mensen beantwoord wordt.’ En: ‘Alles wat de mens kon winnen in het spel van de pest en het leven was iets te leren kennen en het zich te herinneren.’

Omslagtekst De pest 1

In de rustige kleine handelsstad Oran, aan de Algierse kust, breekt een pest-epidemie uit. De stad wordt gesloten. Haar bewoners worden gescheiden van de buitenwereld. Met het aantal sterfgevallen stijgen de paniek en vertwijfeling. De jonge dr. Bernard Rieux, wiens vrouw kort voor de epidemie voor herstel van gezondheid de bergen in moest gaan, voert een schijnbaar hopeloze strijd tegen de ziekte. Hij wordt echter bijgestaan door mensen van zeer uiteenlopende aard. Daar is Tarrou, een eigenaardige jonge man, die kort tevoren zich in de stad gevestigd had en die begint groepen vrijwilligers te organiseren. Bij hem voegt zich Grand, een eenvoudig ambtenaartje, wiens grote illusie het is, eens een meesterwerk te schrijven, maar die nooit verder komt dan de eerste zin en temidden van ellende en doodsnood, terwijl hij op zijn bescheiden wijze prachtig werk doet, blijft tobben met die zin. Dan is er Rambert, een journalist die toevallig in de stad was en die hemel en aarde beweegt om er uit te komen, naar de vrouw toe, die hij lief heeft. Maar als hij er eindelijk in slaagt langs illegale weg een middel te vinden, blijft hij toch, omdat hij ‘zich zou schamen, alléén gelukkig te zijn’. Dan is er de oude dr. Castel, die dag en nacht werkt, als het serum is opgeraakt, om zelf een serum te vervaardigen. En pater Paneloux, die aanvankelijk van de preekstoel verkondigt dat deze ramp een gerechte straf van God is, doch deze harde zekerheid voelt wankelen als hij het sterfbed van een kind heeft bijgewoond. Maar ook is er Cottard, die vóór de epidemie in angst leefde dat de politie hem zou arresteren voor een misdrijf dat hij gepleegd heeft en voor wie deze noodtoestand een uitkomst is, zodat hij ‘medeplichtige van de pest’ wordt. Wanneer op het hoogtepunt van de nood als door een wonder het serum van Castel gaat werken en de ene genezing op de andere volgt, als de uitgeputte strijders tenslotte er in slagen, de pest te verjagen en de stad haar bevrijding viert in een roes van vreugde, keert het gewone leven terug, maar de pest heeft in velen iets veranderd. Ook de harde rechter Othon, die nooit teder was voor zijn vrouw en kinderen, heeft een innerlijke omwenteling ondergaan door de nood van zijn zoontje. Tarrou, wiens enige ideaal het was de innerlijke vrede te vinden, vond deze tenslotte slechts in de dood en daarmee brak de vriendschap af, die ontloken was tussen hem en dr. Rieux. Cottard, opgejaagd door de politie, wordt krankzinnig. Rambert ziet de vrouw terug, over wie hij zoveel gedroomd heeft en weet, dat hij nu zal moeten bewijzen dat hij gelijk had en het menselijk geluk boven alles gaat. Rieux, wiens vrouw ver van hem gestorven is, is eenzaam temidden van de feestvreugde. Na alles wat hij heeft gezien en doorgemaakt, gelooft hij toch, dat in wezen de mens meer goed dan slecht is en het kwade in de wereld gewoonlijk ontstaat uit onwetendheid.

Epicrise

Via selectie, reductie en verdichting heb ik de personen en thema's uit De pest indertijd in mijn herinnering getransformeerd tot een ideaaltypische dokter, die ik onbewust – om de authenticiteitskwestie geen geweld aan te doen? – een nieuwe naam heb gegeven: Raoul. Feilloos heb ik ‘overbodige’ informatie – hele personages! – weggefileerd, als ware het ‘een weefsel van onbetekenende gebeurtenissen, waarmee men zich niet kon ophouden.’ Het betrof echter geen onbezonnen hakwerk. De personages werden als persoon in mijn herinnering verdonkeremaand, maar hun karakteristieken leefden – al dan niet vertekend en in ieder geval niet afzonderlijk herkenbaar – voort in het beeld van mijn …… Ja, het beeld van wie of wat eigenlijk? Mijn held, idool en ideaalbeeld? Raoul was onmiskenbaar mijn archetype voor ‘de dokter’, maar is hij daarmee dan ook mijn held, idool en ideaalbeeld geweest? Sterker nog, heeft Rieux, alias Raoul, mij als voorbeeld gediend, in die zin dat ik hem heb willen navolgen in mijn beroepsleven? Ik denk het niet, of ik hoop in ieder geval van niet. Om het even of ik doel op Rieux of Raoul, R was toch te veel een zonderling, een lonesome cowboy en uneasy rider, 2 die ondanks zijn gedrevenheid en betrokkenheid te ver van de mensen afstond. Hij maakte zelfs enigszins (en maakt naar mijn huidige inschatting zeker) een gedepersonaliseerde indruk, met die robotachtige plichtmatigheid. Tot mijn verrassing vond ik onlangs steun voor mijn oordeel: ‘Camus' La Peste (The Plague) is an excellent course text. But it can be read clearly as allegory or even a fable. Dr Rieux would not work as a role model.’ 3 Geen rolmodel dus, maar wel een geschikte kern waarop mijn vage gedachten over wat een dokter zou kunnen of moeten zijn, konden uitkristalliseren tot monument. En hoe mooi mijn kristal ook schitterde, het bleef koud en op afstand. Het zijn dan ook fotografische beelden en geen filmische, waarin Raoul mij voor de geest stond. Scherp en concreet, dat wel, maar zonder tekst. Monumenten spreken immers niet, met uitzondering van Hollebolle Gijs in de Efteling, maar die symboliseert met zijn ‘papier… hier’ dan ook een heel ander aspect van mijn beroepsleven: de vergankelijkheid van de academische schrijverij. Raoul representeerde een minder cynisch beeld. Hij was (en is) een eerbiedwaardig monument voor het edele en eerlijke van de ware dokter: wijsheid ambachtelijk ingezet ten dienste van patiënten, nabij …op afstand. Een monument is een uit steen gehouwen of in brons gegoten metafoor. Daardoor wordt het eigene van de metafoor – het ongrijpbare – ogenschijnlijk tastbaar, maar het monument blijft uitgebeelde beeldspraak en dient dan ook niet letterlijk genomen te worden, laat staan dat het model zou staan ter navolging. Goed, Raoul of zijn alter ego Bernard Rieux inclusief diens strijdmakkers, wil ik in deze zin een monument noemen. De hamvraag is daarmee echter nog niet aan bod gekomen. Hoe moeten we aankijken tegen de rigoureuze herinneringsvertekening die ervoor heeft gezorgd dat ik mijn Raoul kon scheppen ten gunste van een mooi geestesplaatje, maar ten koste van ‘de werkelijkheid’ van het verhaal? Een bespiegeling op het waarom van mijn mentale alchemie vind ik hier minder aan de orde dan een poging het mechanisme ervan te plaatsen. Men zal in de selectie, reductie en verdichting van gegevens die ik heb toegepast, zonder moeite de basiselementen van het geijkte analytische instrumentarium van de arts herkennen. Een arts zal immers steeds maar weer te midden van een overdaad aan informatie doelgericht die gegevens bij elkaar zoeken die een samenhangend beeld van de situatie vormen, liefst met een optimale verklaringspotentie, maar in ieder geval met een handelingsperspectief, al was het maar om duidelijkheid te scheppen. Wanneer deze duiding hout snijdt, ben ik De pest indertijd dus tegemoet getreden alsof het een ziektegeschiedenis betrof. Geheel in de geest van Bernard Rieux, die immers een eind wilde maken aan nutteloze verdoezelingen en die zich niet kon ophouden met onbetekenende gebeurtenissen, heb ik een veelzijdige roman samengebald in een metaforische persoon die mij als monument kon dienen. In deze zin heeft Bernard Rieux me wellicht toch als rolmodel gediend. Maar in dit geval heeft dat dan wel geleid tot nieuwvorming – de creatie van Raoul – en op nieuwvorming is een dokter doorgaans niet uit. Nieuwvorming is aan kunstenaars.

Literatuur

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen