Praktijk

Natuurbescherming

Gepubliceerd
10 mei 2006

Maar dat is onnatuurlijk…!’ Dit argument kom je veel tegen in de krant, vooral als het gaat over biotechnologische innovaties als klonen en stamceltherapie. Onderschat wordt echter de mate waarin het argument van ‘natuurlijkheid’ ook in de spreekkamer aan bod komt, in gesprekken met patiënten over ‘gewone’ dingen. Toen ik daar eenmaal oog voor had, ging ik erop letten.

Waar sprak ik over met ‘mijn volk’? De afgelopen weken heel vaak over de ophokplicht en het al dan niet vaccineren van pluimvee. Verrassend, want ik besefte niet hoeveel hoenders en hanen in mijn praktijk scharrelen. Daarnaast is het opvallend dat de huisarts, blijkbaar, een vertrouwder gesprekspartner is dan de dierenarts. Met twee stellen besprak ik hun kinderwens die maar niet vervuld werd, en hun keuze om al dan niet het ‘medisch circuit’ in te gaan, tot aan IVF. Vorige week had ik een gesprek over mogelijke euthanasie: ‘Hoe pijnlijk is een natuurlijke dood voor mijn man, dokter, en wat voelt hij bij euthanasie?’ Te pas en te onpas komt het thema aan de orde in gesprekken over de zin en onzin van screening: ‘Laat ik maar gewoon afwachten, dokter, dan zien we wel wat er gebeurt. Laat de natuur maar z’n werk doen.’ Bij al deze onderwerpen, in allerlei gedaantes, dook het argument op van ‘tegennatuurlijk’. Een merkwaardig argument eigenlijk, want wat is ‘natuurlijk’ en wat is ‘kunstmatig’? En waarom verklaren wij ‘natuurlijkheid’ soms heilig?

Een alledaags dilemma dus, met een filosofische achtergrond. Denk ik. Helaas ben ik slechts een filosoof van zaterdagbijvoegselniveau, dus van de koude en niet van de warme grond, maar ik doe een poging… Wie streng kijkt, ziet ‘natuurlijk’ als identiek aan ‘biologisch’. Biologisch is alles wat genetisch wordt overgedragen. De rest is cultuur… en (verdedigbaar) onnatuurlijk. Onze levens zijn doordrenkt van niet-biologische kenmerken, en dus tegen-natuurlijk. Dat geldt voor de geneeskunde in zijn geheel. Want van de eenvoudige leesbril, via plastische chirurgie tot aan cosmetische psychofarmaca: het zijn verworvenheden buiten het natuurlijke om. Is het erg dat die dingen in wezen onnatuurlijk zijn? Nee. Daarom gebruikte ik ook het woord verworvenheden. Wie kan – om bij dit eenvoudige voorbeeld te blijven – zonder leesbril? Sterker nog: wij ontlenen een groot deel van de zingeving van ons leven aan dit soort onnatuurlijke dingen. Auto, huis, mode: zij bepalen mede wie wij zijn. En dat vinden we prettig; dat willen we ook uiten. Dat deze zaken onnatuurlijk zijn, schuiven we dan onder het vloerkleed. Maar wanneer het geneeskundig handelen betreft, gaat menigeen zich plotseling ongemakkelijk voelen. Het onderbuikgevoel knort: ‘Hier deugt iets niet!’ Onze houding tegenover vooruitgang is dus per definitie ambivalent.

Ook de huisarts staat wat dubbelhartig tegenover natuurlijkheid. Enerzijds verwijst hij soms apetrots op het ‘natuurlijk beloop’. Anderzijds doet hij niet moeilijk als het gaat om almaar ingrijpen in de natuur van zijn patiënten. Dat moet ook. Dat hoort zo. Het is zijn taak. Hoe je het ook bekijkt: hielprik, aspirientje of antibioticum zijn fremdkörper, indringers, kunstmatige ingrepen. En wie flesvoeding voor zuigelingen als zodanig beschouwt, ontkomt niet aan de conclusie dat de natuurlijkheid van de mens hooguit een enkel uur ongeschonden blijft.

Dus als ik de strenge denktrant van sommige patiënten volg, is het werk van de huisarts natuurlijk… onnatuurlijk! Iemantsverdriet

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen