NHG richtlijn

NHG-Standaard Niet-traumatische knieklachten

0 reacties
Gepubliceerd
1 februari 2016
Belangrijkste wijzigingen
  • De standaard is een samenvoeging van de standaarden Niet-traumatische knieproblemen bij volwassenen (M67) en Niet-traumatische knieproblemen bij kinderen en adolescenten (M65), omdat sommige aandoeningen (zoals het patellofemorale pijnsyndroom) in verschillende leeftijdsgroepen voorkomen.
  • De Bakerse cyste wordt niet apart besproken, omdat deze meestal is gerelateerd aan knieartrose.
  • Genua vara en genua valga worden niet meer besproken, omdat standsafwijkingen meestal geen klachten geven.

Na publicatie in H&W worden er soms nog wijzigingen doorgevoerd in de NHG-Standaard. Zie voor de meest recente versie www.nhg.org/standaarden
Kernboodschappen
  • Bij de meeste knieaandoeningen kan worden volstaan met voorlichting en adviezen.
  • Bij pijnklachten van de knie bij kinderen en adolescenten wordt geadviseerd om activiteiten die pijn uitlokken te verminderen. Dit advies sluit aan bij de gangbare praktijk, maar is niet wetenschappelijk onderbouwd.
  • Knieartrose is een klinische diagnose, waarbij in de huisartsenpraktijk beeldvormend onderzoek niet wordt aanbevolen.
  • Bij knieartrose stimuleert de huisarts een actieve leefstijl van de patiënt.
  • Voedingssupplementen (glucosamine, chondroïtine) worden niet aanbevolen voor de behandeling van knieartrose.

Inbreng van de patiënt

De NHG-Standaarden geven richtlijnen voor het handelen van de huisarts; de rol van de huisarts staat dan ook centraal. Daarbij geldt echter altijd dat factoren van de kant van de patiënt het beleid mede bepalen. Om praktische redenen komt dit uitgangspunt niet telkens opnieuw in de richtlijn aan de orde, maar wordt het hier expliciet vermeld. De huisarts stelt waar mogelijk zijn beleid vast in samenspraak met de patiënt, met inachtneming van diens specifieke omstandigheden en met erkenning van diens eigen verantwoordelijkheid, waarbij adequate voorlichting een voorwaarde is.

Afweging door de huisarts

Het persoonlijk inzicht van de huisarts is uiteraard bij alle richtlijnen een belangrijk aspect. Afweging van de relevante factoren in de concrete situatie zal beredeneerd afwijken van het hierna beschreven beleid kunnen rechtvaardigen. Dat laat onverlet dat deze standaard bedoeld is om te fungeren als maat en houvast.

Delegeren van taken

NHG-Standaarden bevatten richtlijnen voor huisartsen. Dit betekent niet dat de huisarts alle genoemde taken persoonlijk moet verrichten. Sommige taken kan de huisarts delegeren aan de praktijkassistente, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige, mits zij worden ondersteund door duidelijke werkafspraken waarin is vastgelegd in welke situaties zij de huisarts moeten raadplegen, en mits de huisarts toeziet op de kwaliteit. Omdat de keuze van de te delegeren taken sterk afhankelijk is van de lokale situatie, bevatten de standaarden daarvoor geen concrete aanbevelingen.
Evenmin bevatten standaarden gedetailleerde aanwijzingen over de beoordeling van het spoedeisende karakter van een hulpvraag als de patiënt zich telefonisch meldt bij de triagist tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten of bij de praktijkassistente tijdens praktijkuren. Meer gedetailleerde informatie hierover is te vinden in de NHG-TriageWijzer. Ook bij telefonische spoedbeoordeling geldt dat de huisarts verantwoordelijk blijft en moet toezien op de kwaliteit.

Inleiding

De NHG-Standaard Niet-traumatische knieklachtenknieklachten geeft richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van knieklachten die niet het directe gevolg zijn van een trauma. Deze standaard vervangt de NHG-Standaarden Niet-traumatische knieproblemen bij volwassenen en Niet-traumatische knieproblemen bij kinderen en adolescenten. Samen met de NHG-Standaard Traumatische knieklachten vormt deze standaard een tweeluik over knieklachten in de huisartsenpraktijk (zie [tabel 1]). In deze standaard worden de zes in [tabel 1] genoemde niet-traumatische knieklachten besproken.
Tabel1Tweedeling NHG-Standaarden over de knie
NHG-Standaard Niet-traumatische knieklachtenNHG-Standaard Traumatische knieklachten
knieartrosecontusie, distorsie
patellofemorale pijnsyndroomcollateraal bandletsel
bursitis prepatellariskruisbandletsel
iliotibiale bandsyndroommeniscusletsel
jumper’s kneepatellaluxati
ziekte van Osgood-Schlatter

Achtergronden

Begrippen

Knieartrose (synoniem: gonartrosegonartrose): degeneratieve aandoening van de knie die wordt gekenmerkt door pijn, zowel bij het begin van een beweging (startpijn) als tijdens belasting. Hierdoor kunnen beperkingen ontstaan in het dagelijks functioneren. Er kan sprake zijn van structurele kraakbeen- of botveranderingen, waarvan de relatie met de klachten vaak onduidelijk is. In de huisartsenpraktijk is knieartrose een klinische diagnose.
Patellofemorale pijnsyndroom: complex van klachten en symptomen, gekenmerkt door kniepijn achter, onder of rondom de patella, of symptomen zoals crepitaties, stijfheid, zwelling of een instabiliteitsgevoel. De aandoening komt soms dubbelzijdig voor. De pijn is vooral aanwezig tijdens en na belasting (sport of traplopen) en bij zitten met gebogen knieën (theaterfenomeen).
Bursitis prepatellaris: acute of chronische ontsteking van de bursa prepatellaris, gekenmerkt door een fluctuerende, soms pijnlijke zwelling op de patella.
Iliotibiale bandsyndroom (‘lopersknie lopersknie ’): overbelastingsblessure van het distale deel van de tractus iliotibialis, die loopt van de crista iliaca naar de laterale condyl van de tibia, gekenmerkt door pijn ter hoogte van de laterale femurcondyl, die optreedt bij belasting en doorgaans in rust verdwijnt.
Jumper’s knee (synoniem: patellatendinopathie; ‘springersknie springersknie ’): aandoening van de knie, waarbij de patellapees is aangedaan, gekenmerkt door pijn aan de voorzijde van de knie, veelal na belasting.
Ziekte van Osgood-Schlatter: apofysitis tuberositas tibia waarbij een kleine partiële avulsiefractuur kan optreden. De ziekte komt vooral voor bij kinderen tussen acht en vijftien jaar en wordt gekenmerkt door lokale pijn, zwelling en gevoeligheid.

Epidemiologie

Knieklachten zijn, na nek- en rugklachten, de meestvoorkomende klachten van het bewegingsapparaat in de huisartsenpraktijk. De incidentie van (traumatische en niet-traumatische) knieklachten is 33,5 per 1000 personen per jaar en de prevalentie 32,2 per 1000 personen per jaar.
Van de knieklachten komt knieartrose het meest voor: de jaarprevalentie bedraagt 22,6 per 1000 personen. Na de middelbare leeftijd neemt de prevalentie sterk toe, vooral bij vrouwen. Knieartrose is de meestvoorkomende chronische gewrichtsaandoening.
De meestgestelde diagnosen bij kinderen en adolescenten zijn aandoeningen aan de voorzijde van de knie, waaronder het patellofemorale pijnsyndroom (PFPS) en de ziekte van Osgood-Schlatter. 1

Etiologie, pathofysiologie en symptomatologie

Veelal zijn de pathofysiologische mechanismen van de in deze standaard besproken aandoeningen onduidelijk.
Knieartrose kan ontstaan door een combinatie van factoren. Zowel genetische factoren, constitutionele factoren (zoals vrouwelijk geslacht, veroudering, overgewicht) als lokale biomechanische factoren (zoals werkgerelateerde belasting en knietrauma’s) kunnen in meer of mindere mate het ontstaan van knieartrose beïnvloeden. Bij knieartrose is de belangrijkste verandering een vermindering van de dikte en kwaliteit van het kraakbeen. Het onderliggende (subchondrale) bot verdikt en aan de randen van het gewricht vindt osteofytvorming plaats. Daarnaast ontstaat een chronische ontsteking van het synoviale weefsel. Het gevolg van deze processen is een onregelmatig gewrichtsoppervlak, benige verbreding van het gewricht, mogelijke verdikking van het gewrichtskapsel en soms ophoping van synoviale vloeistof (hydrops). De klinische manifestaties zijn pijn, bewegingsbeperking en op den duur verlies van functie. De ernst van de pijn op een bepaald tijdstip is slechts in geringe mate gerelateerd aan de radiologische ernst, maar de progressie van klachten over de tijd is doorgaans wel gerelateerd aan radiologische progressie. De artrose kan zich in de gehele knie voordoen, maar kan zich ook beperken tot het patellofemorale compartiment of het mediale of laterale tibiofemorale compartiment. Bij knieartrose kan sprake zijn van tijdelijke verergeringen.
Als symptoom van knieartrose kan een Bakerse cysteBakerse cyste ontstaan. Dit is een meestal niet-pijnlijke, fluctuerende zwelling in de knieholte. Een Bakerse cyste ontstaat waarschijnlijk doordat een zwakke plek in het kapsel vanuit het kniegewricht met vocht wordt gevuld als gevolg van een overproductie van synoviale vloeistof (hydrops), die door een ventielmechanisme moeilijk kan terugvloeien in het gewricht. Behalve door knieartrose, kan overproductie van synoviale vloeistof ook veroorzaakt worden door een al dan niet symptomatische intra-articulaire afwijking, zoals reumatoïde artritis of een meniscusletsel. Zolang de onderliggende oorzaak van de overproductie van synoviale vloeistof niet is weggenomen, zal de aandoening in wisselende mate aanwezig blijven.
Bursitis prepatellaris is meestal het gevolg van stoten of veel knielen, zoals dat voorkomt bij bepaalde beroepen (stratenmakers, stoffeerders) of sporten (judo, worstelen). Er bestaan twee vormen: een acute en een chronische vorm. De acute vorm wordt gekenmerkt door een ontsteking, die meestal aseptisch is. Van een chronische vorm is sprake als de zwelling na een aantal weken nog aanwezig is of frequent recidiveert.
Het iliotibiale bandsyndroom ontstaat door irritatie van de tractus iliotibialis over de laterale femurcondyl. De aandoening komt vooral voor bij duursporters, zoals duurlopers en toerfietsers. De pijn treedt op als de tractus iliotibialis naar voren schuift over de condyl bij kniestrekking en naar achteren bij kniebuiging. Het (pijnlijke) moment treedt op bij iets minder dan 30 graden kniebuiging.
Pijnklachten van de knie bij kinderen en adolescenten doen zich in de meeste gevallen voor aan de voorzijde van de knie. De meeste pijnklachten hebben hun origine in het strekapparaat, dat gevormd wordt door het continuüm van musculus quadriceps, patella, patellapees en tuberositas tibiae. Het gaat daarbij vooral om de volgende extra-articulaire aandoeningen: het patellofemorale pijnsyndroom, de jumper’s knee en de ziekte van Osgood-Schlatter.
Als oorzaak van het patellofemorale pijnsyndroom worden belasting, trauma of verminderde spierkracht genoemd. Er zijn geen aanwijzingen dat het patellofemorale pijnsyndroom overgaat in knieartrose.
Sportbeoefening waarbij veel gesprongen wordt, zoals volleybal of basketbal, is veelal verantwoordelijk voor het ontstaan van een jumper’s knee. Een verstoord evenwicht tussen belasting en belastbaarheid speelt waarschijnlijk een belangrijke rol. Bij de jumper’s knee is de aanhechting van de patellapees aan de onderpool van de patella vaker aangedaan dan de aanhechting aan de bovenpool van de patella of aan de tuberositas tibiae.
Verondersteld wordt dat de ziekte van Osgood-Schlatter het gevolg is van herhaalde tractie van de patellapees ter hoogte van de tuberositas tibiae. De aandoening is gerelateerd aan de groeispurt en komt vaker voor bij actief sportende kinderen, vooral bij jongens.2

Prognose en natuurlijk beloop

Knieartrose heeft een wisselend progressief beloop. Regelmatig kunnen tijdelijke verergeringen optreden, gekenmerkt door een toename van de klachten en symptomen. Zodra de aandoening zich eenmaal heeft ontwikkeld, is verbetering van de structuur van het kraakbeen zeldzaam. Vermindering van pijn en beperkingen komt echter wel voor.
Het patellofemorale pijnsyndroom kan een langdurig beloop hebben: na 1 jaar heeft ongeveer 60% van de patiënten nog klachten, na 6 jaar is dit nog ongeveer 40%.
Wanneer de luxerende factor bij bursitis prepatellaris wordt weggenomen, heeft de aandoening een gunstige prognose en kan herstel binnen enkele weken optreden. Ook de prognose van het iliotibiale bandsyndroom is gunstig: na aanpassing van de belasting en verbetering van de statiek die tot het syndroom geleid hebben kan binnen enkele weken tot maanden herstel optreden. Jumper’s knee heeft een gunstige prognose, bij sporters kunnen echter langdurig lichte klachten blijven bestaan.
De klachten bij de ziekte van Osgood-Schlatter kunnen enkele maanden tot twee jaar aanhouden en gaan vrijwel altijd over na de groeispurt.3

Richtlijnen diagnostiek

Alarmsymptomen

Bij een acuut ontstaan van de klachten, gewrichtspijn in rust, zwelling, warmte, roodheid, bewegingsbeperking en/of koorts kan sprake zijn van een (septische) artritis en kan de huisarts van het hier voorgestelde diagnostische traject afwijken (zie de NHG-Standaard Artritis).
De klacht van de patiënt is meestal pijn in of bij de knie. De huisarts moet erop bedacht zijn dat knieklachten een uiting kunnen zijn van een aandoening in de heup.

Anamnese

De huisarts besteedt aandacht aan:
  • pijn: lokalisatie, duur en beloop;
  • zwelling;
  • slotverschijnselen: ‘op slot zitten’ of niet meer recht kunnen krijgen van de knie;
  • ochtendstijfheid en startpijn;
  • omstandigheden die de klachten verergeren (bijvoorbeeld hurken, knielen, bewegen, traplopen, sporten);
  • omstandigheden die de klachten verminderen (bijvoorbeeld rust of strekken van de knie);
  • relatie met (beroeps)werkzaamheden;
  • functiebeperkingen en belemmeringen in het dagelijks leven;
  • voorgeschiedenis (knieklachten of een knietrauma in het verleden);
  • zelfzorg (medicatie, rust, tape of brace).

Lichamelijk onderzoek

Bij pijnklachten van de knie worden naast de knieën ook de enkels en heupen onderzocht om aandoeningen van deze gewrichten uit te sluiten. De huisarts laat de patiënt de benen geheel ontbloten, let op links-rechtsverschillen en verricht het volgende onderzoek:
  • inspectie (staand):
      • standsafwijkingen, asymmetrie;
      • atrofie van de m. quadriceps;
      • zwelling: lokaal of diffuus, ventraal of dorsaal;
      • verbreding van het gewricht;
  • inspectie, palpatie en bewegingsonderzoek (in rugligging):
      • roodheid en temperatuur van de knie;
      • drukpijn over de gewrichtsspleet;
      • drukpijn patella en tuberositas tibiae;
      • zwelling palpabel in de knieholte;
      • ballottement van de patella;
      • crepitaties bij bewegingsonderzoek;
      • actieve en passieve flexie en extensie: beperkt, pijnlijk;
      • rotaties heup.

Provocatietesten voor het stellen van de diagnoses patellofemorale pijnsyndroom en jumper’s knee worden niet aanbevolen. 4

Aanvullend onderzoek

Bij het vermoeden van osteochondritis dissecansosteochondritis dissecans, osteomyelitisosteomyelitis of een maligniteit wordt beeldvormend onderzoek en/of laboratoriumonderzoek aangevraagd.5
Beeldvormend onderzoek (zoals röntgenfoto of MRI-scan) voor het vaststellen of uitsluiten van knieartrose, patellofemorale pijnsyndroom, bursitis prepatellaris, iliotibiale bandsyndroom, jumper’s knee en ziekte van Osgood-Schlatter wordt niet aanbevolen, omdat de relatie tussen afwijkingen, gevonden bij beeldvormend onderzoek, en de klachten van de patiënt vaak onduidelijk is.6,7

Evaluatie

De huisarts overweegt de volgende diagnosen:
Knieartrose: waarschijnlijk bij aanwezigheid van de volgende drie criteria:
  • leeftijd > 45 jaar;
  • aan activiteiten gerelateerde kniepijn;
  • geen of kortdurende ochtendstijfheid (

    De volgende bevindingen maken de diagnose knieartrose waarschijnlijker:
    • verminderde flexie of extensie;
    • crepitaties bij bewegingsonderzoek;
    • gevoeligheid van de gewrichtsspleet;
    • benige verbreding van het kniegewricht.6

    Patellofemorale pijnsyndroom: bij pijn op, achter of rond de patella zonder aanwijzingen voor andere aandoeningen. De pijn verergert vaak bij lang zitten met gebogen knieën, hurken, knielen, traplopen of fietsen (met tegenwind) en vermindert bij rust en strekken van de knie.
    Bursitis prepatellaris: bij een fluctuerende, prepatellair gelokaliseerde zwelling, al dan niet rood of pijnlijk. Indien dit gepaard gaat met koorts, uitbreidende roodheid, zwelling en pijn is er een vermoeden van een bacteriële infectie.
    Iliotibiale bandsyndroom: bij pijn ter hoogte van de laterale femurcondyl tijdens of na het sporten.
    Jumper’s knee: bij pijn ter hoogte van de patellapees, vooral na belasting, zoals springen. Bij lichamelijk onderzoek is er drukpijn op de patellapees ter hoogte van de onderrand van de patella of van de tuberositas tibiae of op de quadricepspees ter hoogte van de bovenrand van de patella.
    Ziekte van Osgood-Schlatter: bij pijn tijdens of na sporten, (druk)pijnlijke zwelling ter hoogte van tuberositas tibiae, veelal unilateraal.
    Andere diagnosen waarop de huisarts alert dient te zijn: meniscusletsel: knietrauma in het verleden, recidiverende hydrops, al dan niet met slotverschijnselen (zie de NHG-Standaard Traumatische knieklachten); referred pain (pijn veroorzaakt door aandoening buiten de knie, bijvoorbeeld de heup): afwijkingen bij bewegingsonderzoek van de heup.
    Minder vaak voorkomende aandoeningen zijn: jicht, andere inflammatoire artritiden en septische artritis (zich vaak uitend door een warm, gezwollen gewricht, zie NHG-Standaard Artritis). Daarnaast moet de huisarts alert zijn op maligniteiten, juveniele artritis en osteochondritis dissecans (vallen buiten het bestek van deze standaard).

Richtlijnen beleid

Dit hoofdstuk is onderverdeeld in aanbevelingen voor het beleid bij knieartrose en de overige klachten van de knie (patellofemorale pijnsyndroom, bursitis prepatellaris, iliotibiale bandsyndroom, jumper’s knee en ziekte van Osgood-Schlatter).

Knieartrose

Voorlichting en adviezen ten aanzien van lichaamsbeweging en gewichtsreductie en het voorschrijven van analgetica vormen de kern van de aanpak van artrose, waarbij gericht wordt geëvalueerd of de toegepaste interventies het beoogde effect hebben.

Voorlichting en advies

De huisarts legt uit dat het beloop wisselend is en dat perioden met veel klachten worden afgewisseld met perioden met weinig klachten. Daarnaast worden de volgende adviezen gegeven:
  • Adviseer patiënten regelmatige en voldoende intensieve lichaamsbeweging (bijvoorbeeld ten minste een half uur matig intensief bewegen per dag) ter vermindering van pijn en verbetering van het functioneren. Deze lichaamsbeweging dient te bestaan uit een combinatie van oefeningen gericht op mobiliteit, spierkracht en uithoudingsvermogen.
  • Bespreek met de patiënt de wijze waarop een oefenprogramma kan worden gestart (individueel of onder begeleiding). Dit hangt onder andere af van de voorkeuren van de patiënt, motivatie en lokale beschikbaarheid van faciliteiten. Zie voor een voorbeeld van een oefenprogramma www.thuisarts.nl.8
  • Bespreek met patiënten met overgewicht of obesitas (BMI ≥ 25 kg/m2) de mogelijkheid om deel te nemen aan interventies gericht op gewichtsreductie, zoals dieet en oefentherapie. Betrek, gegeven de beperkte voordelen van gewichtsreductie, de voorkeuren van de patiënt, motivatie en lokale beschikbaarheid van faciliteiten. Voor het kiezen van de interventies en aanpak wordt verwezen naar de NHG-Standaard Obesitas uit 2010 en naar de NHG-Zorgmodules Leefstijl uit 2015.9
  • Benadruk dat een positief effect van lichaamsbeweging weer kan verdwijnen als de activiteiten worden gestaakt.
  • Instrueer patiënten contact op te nemen bij verergering van de klachten of als adviezen moeilijk zijn uit te voeren.

In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting, kan de huisarts de patiënt verwijzen naar de informatie over knieartrose op www.thuisarts.nl of de betreffende tekst (voorheen NHG-Patiëntenbrief) meegeven (via het HIS). Deze patiënteninformatie is gebaseerd op de NHG-Standaard.

Niet-medicamenteuze behandeling

Bespreek met de patiënt de mogelijkheid van het starten van een oefenprogramma onder begeleiding van een fysiotherapeut bij onvoldoende effect van het advies om voldoende lichaamsbeweging te verkrijgen.8
Patiënten kunnen hulpmiddelen, zoals het gebruik van een wandelstok (aan de gezonde zijde) of rollator, overwegen als ondersteuning van hun behandeling als zij klachten ondervinden bij activiteiten in het dagelijkse leven. Verwijs hiervoor eventueel naar een fysiotherapeut of ergotherapeut.10
Het gebruik van braces en orthesen wordt niet aanbevolen voor patiënten met knieartrose.10
Glucosamine en chondroïtine worden niet aanbevolen voor de behandeling van patiënten met knieartrose.11

Medicamenteuze behandeling

Ter ondersteuning van de algemene adviezen kan een analgeticum worden geadviseerd. Zie hiervoor de NHG-Standaard Pijn.12
Bespreek met de patiënt bij een tussentijdse verergering of bij onvoldoende pijnvermindering met analgetica de toediening van intra-articulaire corticosteroïdeninjecties. Geef daarbij aan dat de effecten meestal kortdurend zijn (13
Intra-articulaire injecties met hyaluronzuur worden niet aanbevolen voor de behandeling van patiënten met knieartrose.14

Controles en verwijzing

Evalueer het effect van de gegeven adviezen en niet-medicamenteuze behandelingen na drie maanden en evalueer medicamenteuze adviezen na een tot twee weken.
Bij knieartrose die samenhangt met het werk verwijst de huisarts de patiënt naar de bedrijfsarts om eventuele aanpassing van het werk te bespreken.
Bij patiënten met slotverschijnselen kan verwijzing naar de orthopeed voor artroscopische interventie (met of zonder debridement) worden overwogen.15
Patiënten met knieartrose die ondanks maximale conservatieve behandeling ernstige klachten en belemmeringen in het dagelijks functioneren houden, worden naar een orthopedisch chirurg verwezen voor het bespreken van de mogelijkheid van een knievervangende operatie.
Patiëntkenmerken (waaronder leeftijd, geslacht, overgewicht/obesitas en comorbiditeit) zijn in principe geen reden om niet te verwijzen naar de orthopedisch chirurg.16 Overweeg bij polyartrose verwijzing naar de reumatoloog.

Overige aandoeningen van de knie

De kern van het beleid bij de overige knieklachten (patellofemorale pijnsyndroom, bursitis prepatellaris, iliotibiale bandsyndroom, jumper’s knee en ziekte van Osgood-Schlatter) is de belasting en belastbaarheid op elkaar af te stemmen. Dit is afhankelijk van het inspanningsniveau en de wensen van de patiënt.

Voorlichting en advies

De huisarts geeft de volgende informatie en adviezen:17,18,19
  • Geef informatie over aard en beloop van de aandoening (zie achtergronden).
  • Adviseer (sport)activiteiten die de pijn uitlokken zo mogelijk gedurende een tot twee maanden te verminderen.
  • Adviseer de patiënt desgewenst bewegingsalternatieven te vinden die minder pijn veroorzaken, bijvoorbeeld zwemmen of fietsen. Het is immers van belang te voorkomen dat de algehele conditie achteruitgaat. De belasting dient te worden afgestemd op de belastbaarheid en de pijnklachten van de patiënt.
  • Leg uit dat bewegen met pijn (aan de voorzijde) van de knie op zich geen kwaad kan. Als de pijn echter tijdens en na belasting duidelijk toeneemt, kan het zinvol zijn de belasting te verminderen.
  • Adviseer de (sport)activiteiten weer geleidelijk op te voeren als de klachten na een tot twee maanden zijn verminderd.
  • Adviseer bij een bursitis prepatellaris in het geval van pijn en roodheid om de knie gedurende een tot twee weken zo min mogelijk te belasten. Indien door sport of beroep een verhoogde kans op recidieven bestaat, worden kniebeschermers geadviseerd.
  • Vertel de patiënt met de ziekte van Osgood-Schlatter dat de zwelling ter hoogte van de tuberositas tibiae langdurig kan blijven bestaan nadat de pijnklachten verdwenen zijn. De klachten duren meestal enkele maanden en gaan vrijwel altijd over na de groeispurt.

In aansluiting op de mondelinge voorlichting kan de huisarts de patiënt verwijzen naar de informatie over de betreffende knieaandoeningen op www.thuisarts.nl of de betreffende tekst (voorheen NHG-Patiëntenbrief) meegeven (via het HIS). Deze patiënteninformatie is gebaseerd op de NHG-Standaard.

Niet-medicamenteuze behandeling

Voor de behandeling van het patellofemorale pijnsyndroom kan oefentherapie worden overwogen. Zie voor een voorbeeld van een oefenprogramma www.thuisarts.nl.20
Andere behandelingen zoals tapen, steunzolen en shockwave worden niet aanbevolen.21,22,23
Wanneer een niet-bacterieel ontstoken bursa prepatellaris functioneel storend is, kan worden overwogen de inhoud te aspireren.24

Medicamenteuze behandeling

Ter ondersteuning van de algemene adviezen kan indien gewenst een analgeticum worden geadviseerd, voor een periode van één week. Deze behandeling kan zo nodig met één of twee weken worden verlengd. Zie hiervoor de NHG-Standaard Pijn.17,18,19,24,26
Injecties met corticosteroïden worden niet aanbevolen vanwege het ontbreken van bewijs voor de effectiviteit, terwijl er wel bijwerkingen kunnen optreden.17-19,24
Indien bij een bursitis prepatellaris sprake is van een toenemende lokale roodheid en algemene verschijnselen, zoals koorts en malaise, houdt de huisarts rekening met de mogelijkheid van een bacteriële infectie. Zie voor behandeling hiervan de NHG-Standaard Bacteriële huidinfecties.27

Controles

De huisarts vraagt de patiënt na vier tot zes weken contact op te nemen als de klachten onvoldoende verbeterd zijn. Ga na in hoeverre het gelukt is de activiteiten te verminderen. De periode waarin de activiteiten worden verminderd of gestaakt, kan steeds met een tot twee maanden worden verlengd. Ter preventie van recidieven van pijnklachten aan de knie lijkt vooral het op elkaar afstemmen van belasting en belastbaarheid een belangrijke factor.

Verwijzing

Wijs patiënten met sportgerelateerde klachten die intensief sporten bij onvoldoende herstel of bij recidiverende klachten op de mogelijkheid een (sport)fysiotherapeut te raadplegen voor adviezen en begeleiding met betrekking tot de hervatting en opbouw van de sportbeoefening, de techniek en het materiaal.
Verwijzing naar een orthopedisch chirurg of sportarts bij bursitis prepatellaris, patellofemorale pijnsyndroom, jumper’s knee of de ziekte van Osgood-Schlatter wordt niet aanbevolen.
Verwijs de patiënt naar de bedrijfsarts bij werkgerelateerde klachten.
Verwijs patiënten op korte termijn naar de tweede lijn bij vermoeden van osteochondritis dissecans of een maligniteit. Verwijs de patiënt nog dezelfde dag bij vermoeden van een bacteriële artritis (zie NHG-Standaard Artritis) of een osteomyelitis.

Totstandkoming en methoden

Zie voor het deel Totstandkoming en methoden de webversie van deze standaard op www.nhg.org.
© 2016 Nederlands Huisartsen Genootschap

Literatuur

  • 1.Bij verwijzing naar NHG-producten: zie www.nhg.org.
  • 2.Abou-Raya S, Abou-Raya A, Helmii M. Duloxetine for the management of pain in older adults with knee osteoarthritis: randomised placebo-controlled trial. Age Ageing 2012;41:646-52.
  • 3.Amadio P, Cummings DM. Evaluation of acetaminophen in the management of osteoarthritis of the knee. Curr Ther Res 1983;34:59-66.
  • 4.Bastick AN, Runhaar J, Belo JN, Bierma-Zeinstra SM. Prognostic factors for progression of clinical osteoarthritis of the knee: a systematic review of observational studies. Arthritis Res Ther 2015;17:152.
  • 5.Baumbach SF, Lobo CM, Badyine I, Mutschler W, Kanz KG. Prepatellar and olecranon bursitis: literature review and development of a treatment algorithm. Arch Orthop Trauma Surg 2014;134:359-70.
  • 6.Bellamy N, Bourne R, Campbell J, Wells G. Intra-articular corticosteroids for osteoarthritis of the knee. Cochrane Database Syst Rev 2006a;2:CD005328.
  • 7.Bellamy N, Campbell J, Welch V, Gee TL, Bourne R, Wells GA. Viscosupplementation for the treatment of osteoarthritis of the knee. Cochrane Database Syst Rev 2006b;2:CD005321.
  • 8.Belo JN, Berger MY, Reijman M, Koes BW, Bierma-Zeinstra SM. Prognostic factors of progression of osteoarthritis of the knee: a systematic review of observational studies. Arthritis Rheum 2007;57:13-26.
  • 9.Bianchi M, Broggini M, Balzarini P, Baratelli E, Ferrario P, Panerai AE, et al. Effects of tramadol on synovial fluid concentrations of substance P and interleukin-6 in patients with knee osteoarthritis: comparison with paracetamol. Int Immunopharmacol 2003;3:1901-1908.
  • 10.Bjordal JM, Klovning A, Ljunggren AE, Slørdal L. Short-term efficacy of pharmacotherapeutic interventions in osteoarthritic knee pain: A meta-analysis of randomised placebo-controlled trials. Eur J Pain 2007;11:125-38.
  • 11.Blagojevic M, Jinks C, Jeffery A, Jordan KP. Risk factors for onset of osteoarthritis of the knee in older adults: a systematic review and meta-analysis. Osteoarthr Cartil 2010;18:24-33.
  • 12.Bloom OJ, Mackler L, Barbee J. Clinical inquiries. What is the best treatment for Osgood-Schlatter disease? J Fam Pract 2004;53:153-6.
  • 13.Callaghan MJ, Selfe J. Patellar taping for patellofemoral pain syndrome in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012;4:CD006717.
  • 14. Case JP, Baliunas AJ, Block JA. Lack of efficacy of acetaminophen in treating symptomatic knee osteoarthritis: a randomized, double-blind, placebo-controlled comparison trial with diclofenac sodium. Arch Intern Med 2003;163:169-78.
  • 15.Cepeda MS, Camargo F, Zea C, Valencia L. Tramadol for osteoarthritis. Cochrane Database Syst Rev 2006;3:CD005522.
  • 16.Chappell AS, Desaiah D, Liu-Seifert H, Zhang S, Skljarevski V, Belenkov Y, et al. A double-blind, randomized, placebo-controlled study of the efficacy and safety of duloxetine for the treatment of chronic pain due to osteoarthritis of the knee. Pain Pract 2011;11:33-41.
  • 17.Chappell AS, Ossanna MJ, Liu-Seifert H, Iyengar S, Skljarevski V, Li LC, et al. Duloxetine, a centrally acting analgesic, in the treatment of patients with osteoarthritis knee pain: a 13-week, randomized, placebo-controlled trial. Pain 2009;146:253-60.
  • 18.Christensen R, Bartels EM, Astrup A, Bliddal H. Effect of weight reduction in obese patients diagnosed with knee osteoarthritis: a systematic review and meta-analysis. Ann Rheum Dis 2007;66:433-9.
  • 19. Christian RA, Rossy WH, Sherman OH. Patellar tendinopathy - recent developments toward treatment. Bull Hosp Jt Dis 2014;72:217-24.
  • 20.Cook JL, Khan KM, Kiss ZS, Purdam CR, Griffiths L. Reproducibility and clinical utility of tendon palpation to detect patellar tendinopathy in young basketball players. Victorian Institute of Sport tendon study group. Br J Sports Med 2001a;35:65-9.
  • 21.Cook JL, Khan KM, Kiss ZS, Coleman BD, Griffiths L. Asymptomatic hypoechoic regions on patellar tendon ultrasound: A 4-year clinical and ultrasound followup of 46 tendons. Scand J Med Sci Sports 2001b;11:321-7.
  • 22.Demirag B, Ozturk C, Yazici Z, Sarisozen B. The pathophysiology of Osgood-Schlatter disease: a magnetic resonance investigation. J Pediatr Orthop B 2004;13:379-82.
  • 23.Derry S, Moore RA, Rabbie R. Topical NSAIDs for chronic musculoskeletal pain in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012;9:CD007400.
  • 24.Dickinson FL, Harper WM, Finlay DB. Knee tumours - duration and nature of symptoms prior to investigation. Br J Radiol 1997;70:635-7.
  • 25.Dixit S, DiFiori JP, Burton M, Mines B. Management of patellofemoral pain syndrome. Am Fam Physician 2007;75:194-202.
  • 26.Douwes M, Hooftman W, Kraan K, Steenbeek R, Venema A, De Vroome E, et al. Arbobalans 2014 - Kwaliteit van de arbeid, effecten en maatregelen in Nederland. Leiden: TNO, 2014. http://www.monitorarbeid.tno.nl/publicaties/arbobalans-2014.
  • 27. Duivenvoorden T, Brouwer RW, Baan A, Bos PK, Reijman M, Bierma-Zeinstra SM, et al. Comparison of closing-wedge and opening-wedge high tibial osteotomy for medial compartment osteoarthritis of the knee: a randomized controlled trial with a six-year follow-up. J Bone Joint Surg Am 2014;96:1425-32.
  • 28.Duivenvoorden T, Brouwer RW, Van Raaij TM, Verhagen AP, Verhaar JA, Bierma-Zeinstra SM. Braces and orthoses for treating osteoarthritis of the knee. Cochrane Database Syst Rev 2015;3:CD004020.
  • 29.Ekman EF, Pope T, Martin DF, Curl WW. Magnetic resonance imaging of iliotibial band syndrome. Am J Sports Med 1994;22:851-4.
  • 30.Felson DT, Lawrence RC, Dieppe PA, Hirsch R, Helmick CG, Jordan JM, et al. Osteoarthritis: new insights. Part 1: the disease and its risk factors. Ann Intern Med 2000;133:635-46.
  • 31.Felson DT. The sources of pain in knee osteoarthritis. Curr Opin Rheumatol 2005;17:624-8.
  • 32.Ferguson PC, Griffin AM, Bell RS. Primary patellar tumors. Clin Orthop Relat Res 1997;199-204.
  • 33.Ferretti A, Puddu G, Mariani PP, Neri M. The natural history of jumper’s knee. Patellar or quadriceps tendonitis. Int Orthop 1985;8:239-42.
  • 34.Fingleton C, Smart K, Moloney N, Fullen BM, Doody C. Pain sensitization in people with knee osteoarthritis: a systematic review and meta-analysis. Osteoarthr Cartil 2015;23:1043-56.
  • 35.Frakes EP, Risser RC, Ball TD, Hochberg MC, Wohlreich MM. Duloxetine added to oral nonsteroidal anti-inflammatory drugs for treatment of knee pain due to osteoarthritis: results of a randomized, double-blind, placebo-controlled trial. Curr Med Res Opin 2011;27:2361-72.
  • 36.Fredberg U, Bolvig L. Jumper’s knee. Review of the literature. Scand J Med Sci Sports 1999;9:66-73.
  • 37.Fredericson M, Yoon K. Physical examination and patellofemoral pain syndrome. Am J Phys Med Rehabil 2006;85:234-43.
  • 38.Friedman L, Finlay K, Jurriaans E. Ultrasound of the knee. Skeletal Radiol 2001;30:361-77.
  • 39.Frink SJ, Snearly W, Parsons TW, III. Malignant tumors about the knee. Am J Knee Surg 1998;11:257-66.
  • 40.Gisslen K, Alfredson H. Neovascularisation and pain in jumper’s knee: a prospective clinical and sonographic study in elite junior volleyball players. Br J Sports Med 2005;39:423-8.
  • 41.Gisslen K, Gyulai C, Nordstrom P, Alfredson H. Normal clinical and ultrasound findings indicate a low risk to sustain jumper’s knee patellar tendinopathy: a longitudinal study on Swedish elite junior volleyball players. Br J Sports Med 2007;41:253-8.
  • 42. Golden HE, Moskowitz RW, Minic M. Analgesic efficacy and safety of nonprescription doses of naproxen sodium compared with acetaminophen in the treatment of osteoarthritis of the knee. Am J Ther 2004;11:85-94.
  • 43.Haim A, Yaniv M, Dekel S, Amir H. Patellofemoral pain syndrome: validity of clinical and radiological features. Clin Orthop Relat Res 2006;451:223-8.
  • 44.Hart LE. Exercise and soft tissue injury. Baillieres Clin Rheumatol 1994;8:137-48.
  • 45.Hawkins D, Metheny J. Overuse injuries in youth sports: biomechanical considerations. Med Sci Sports Exerc 2001;33:1701-7.
  • 46.Hefti F, Beguiristain J, Krauspe R, Moller-Madsen B, Riccio V, Tschauner C, et al. Osteochondritis dissecans: a multicenter study of the European Pediatric Orthopedic Society. J Pediatr Orthop B 1999;8:231-45.
  • 47.Heintjes EM, Berger M, Bierma-Zeinstra SMA, Bernsen RMD, Verhaar JAN, Koes BW. Pharmacotherapy for patellofemoral pain syndrome. Cochrane Database Syst Rev 2004;3:CD003470.
  • 48.Herrero-Beaumont G, Ivorra JAR, Del Carmen Trabado M, Blanco FJ, Benito P, Martin-Mola E, et al. Glucosamine sulfate in the treatment of knee osteoarthritis symptoms: a randomized, double-blind, placebo-controlled study using acetaminophen as a side comparator. Arthritis and Rheumatism 2007;56:555-67.
  • 49.Hossain M, Alexander P, Burls A, Jobanputra P. Foot orthoses for patellofemoral pain in adults. Cochrane Database Syst Rev 2011;1:CD008402.
  • 50.IKNL. Nederlandse Kankerregistratie (2015). Integraal Kankercentrum Nederland. http://www.cijfersoverkanker.nl.
  • 51.Kastelein M, Luijsterburg PAJ, Heintjes EM, Van Middelkoop M, Verhaar JAN, Koes BW, et al. The 6-year trajectory of non-traumatic knee symptoms (including patellofemoral pain) in adolescents and young adults in general practice: a study of clinical predictors. Br J Sports Med 2014;6:400-5.
  • 52.Kaya DO, Toprak U, Baltaci G, Yosmaoglu B, Ozer H. Long-term functional and sonographic outcomes in Osgood-Schlatter disease. Knee Surg Sports Traumatol Arthrosc 2013:1131-9.
  • 53.Kirkley A, Birmingham TB, Litchfield RB, Giffin JR, Willits KR, Wong CJ, et al. A randomized trial of arthroscopic surgery for osteoarthritis of the knee. New Engl J Med 2008;359:1097-107.
  • 54.Krause BL, Williams JP, Catterall A. Natural history of Osgood-Schlatter disease. J Pediatr Orthop 1990;10:65-8.
  • 55.Kujala UM, Kvist M, Heinonen O. Osgood-Schlatter’s disease in adolescent athletes. Retrospective study of incidence and duration. Am J Sports Med 1985;13:236-41.
  • 56.Lamberts H. In het huis van de huisarts. Verslag van het Transitieproject. Lelystad: Meditekst, 1994.
  • 57.Larsson MEH, Kal I, Nilsson-Helander K. Treatment of patellar tendinopathy - a systematic review of randomized controlled trials. Knee Surg Sports Traumatol Arthrosc 2012;20:1632-46.
  • 58.Laupattarakasem W, Laopaiboon M, Laupattarakasem P, Sumananont C. Arthroscopic debridement for knee osteoarthritis. Cochrane Database Syst Rev 2008;1:CD005118.
  • 59.Lian OB, Engebretsen L, Bahr R. Prevalence of jumper’s knee among elite athletes from different sports: a cross-sectional study. Am J Sports Med 2005;33:561-7.
  • 60.Luyten FP, Geusens P, Malaise M, De Clerck L, Westhovens R, Raeman F, et al. A prospective randomised multicentre study comparing continuous and intermittent treatment with celecoxib in patients with osteoarthritis of the knee or hip. Ann Rheum Dis 2007;66:99-106.
  • 61. Machado GC, Maher CG, Ferreira PH, Pinheiro MB, Lin CW, Day RO, et al. Efficacy and safety of paracetamol for spinal pain and osteoarthritis: systematic review and meta-analysis of randomised placebo controlled trials. BMJ 2015;350:h1225.
  • 62.Maffuli N, Renström P, Leadbetter WB. Tendon injuries; basic science and clinical medicine. London: Springer, 2004.
  • 63.Malanga GA, Andrus S, Nadler SF, McLean J. Physical examination of the knee: a review of the original test description and scientific validity of common orthopedic tests. Arch Phys Med Rehabil 2003;84:592-603.
  • 64. McAlindon TE, Bannuru RR, Sullivan MC, Arden NK, Berenbaum F, Bierma-Zeinstra SM, et al. OARSI guidelines for the non-surgical management of knee osteoarthritis. Osteoarthr Cartil 2014;3:363-88.
  • 65. Miceli-Richard C, Le Bars M, Schmidely N, Dougados M. Paracetamol in osteoarthritis of the knee. Ann Rheum Dis 2004;63:923-30.
  • 66.Mori Y, Kuroki Y, Yamamoto R, Fujimoto A, Okumo H, Kubo M. Clinical and histological study of patellar chondropathy in adolescents. Arthroscopy 1991;7:182-97.
  • 67.NICE. Richtlijn Osteoarthritis, care and management in adults (2014). National Institute for Health and Care Excellence. https://www.nice.org.uk/guidance/cg177.
  • 68.Nielen MMJ, Spronk I, Davids R, Zwaanswijk M, Verheij RA, Korevaar JC. Verantwoording incidentie en prevalentie cijfers van gezondheidsproblemen in de Nederlandse huisartsenpraktijk in 2012. NIVEL. http: www.nivel.nl/en/node/3094.
  • 69.Niethard FU, Gold MS, Solomon GS, Liu JM, Unkauf M, Albrecht HH, et al. Efficacy of topical diclofenac diethylamine gel in osteoarthritis of the knee. Journal Rheumatol 2005;32:2384-92.
  • 70.Nijs J, Van Geel C, Van der Auwera C, Van de Velde B. Diagnostic value of five clinical tests in patellofemoral pain syndrome. Man Ther 2006;11:69-77.
  • 71.NOV. Module ‘Artroscopie bij artrose van knie’ (2010). Nederlandse Orthopaedische Vereniging. http://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/artroscopie_van_de_knie/artroscopische_behandeling_acute_knieletsels/artroscopie_bij_artrose_van_knie.html.
  • 72.NOV. Richtlijn totale knieprothese (2014). Nederlandse Orthopaedische Vereniging. http://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/totale_knieprothese/optimale_indicatiestelling_voor_plaatsen_tkp.html.
  • 73.Reichenbach S, Rutjes AW, Nüesch E, Trelle S, Jüni P. Joint lavage for osteoarthritis of the knee. Cochrane Database Syst Rev 2010;5:CD007320.
  • 74.Reichenbach S, Sterchi R, Scherer M, Trelle S, Burgi E, Burgi U, et al. Meta-analysis: chondroitin for osteoarthritis of the knee or hip. Ann Intern Med 2007;146:580-590.
  • 75.Reilly JP, Nicholas JA. The chronically inflamed bursa. Clin Sports Med 1987;6:345-70.
  • 76.Rejeski WJ, Focht BC, Messier SP, Morgan T, Pahor M, Penninx B. Obese, older adults with knee osteoarthritis: weight loss, exercise, and quality of life. Health Psychol 2002;21:419-426.
  • 77.Robertson W, Kelly BT, Green DW. Osteochondritis dissecans of the knee in children. Curr Opin Pediatr 2003;15:38-44.
  • 78.Roland CG, Murray JB, Cawley CPW. Conservative treatment of inflamed knee bursae. Physician Sports Med 1992;20:67-76.
  • 79.Rosenberg ZS, Kawelblum M, Cheung YY, Beltran J, Lehman WB, Grant AD. Osgood-Schlatter lesion: fracture or tendinitis? Scintigraphic, CT, and MR imaging features. Radiology 1992;185:853-8.
  • 80.Rutjes AW, Jüni P, Da Costa BR, Trelle S, Nüesch E, Reichenbach S. Viscosupplementation for osteoarthritis of the knee: a systematic review and meta-analysis. Ann Intern Med 2012;157:180-91.
  • 81.Sales de Gauzy J, Mansat C, Darodes PH, Cahuzac JP. Natural course of osteochondritis dissecans in children. J Pediatr Orthop B 1999;8:26-8.
  • 82.Santiago Restrepo C, Gimenez CR, McCarthy K. Imaging of osteomyelitis and musculoskeletal soft tissue infections: current concepts. Rheum Dis Clin North Am 2003;29:89-109.
  • 83.Schnitzer TJ, Tesser JR, Cooper KM, Altman RD. A 4-week randomized study of acetaminophen extended-release vs rofecoxib in knee osteoarthritis. Osteoarthr Cartil 2009;17:1-7.
  • 84.Scott WA. The relief of pain with an antidepressant in arthritis. Practitioner 1969;37:802-7.
  • 85.Strand V, Simon LS, Dougados M, Sands GH, Bhadra P, Breazna A, et al. Treatment of osteoarthritis with continuous versus intermittent celecoxib. J Rheumatol 2011;38:2625-34.
  • 86.Thomee R, Augustsson J, Karlsson J. Patellofemoral pain syndrome: a review of current issues. Sports Med 1999;28:245-62.
  • 87.Towheed T, Maxwell L, Anastassiades TP, Shea B, Houpt JB, Welch V, et al. Glucosamine therapy for treating osteoarthritis. Cochrane Database Syst Rev 2005;2:CD002946.
  • 88.Towheed T, Maxwell L, Judd M, Catton M, Hochberg MC, Wells GA. Acetaminophen for osteoarthritis. Cochrane Database Syst Rev 2006a;1:CD004257.
  • 89.Towheed TE. Pennsaid therapy for osteoarthritis of the knee: a systematic review and metaanalysis of randomized controlled trials. J Rheumatol 2006b;33:567-73.
  • 90.Trnavsky K, Fischer M, Vogtle JU, Schreyger F. Efficacy and safety of 5% ibuprofen cream treatment in knee osteoarthritis. Results of a randomized, double-blind, placebo-controlled study. J Rheumatol 2004;31:565-72.
  • 91.Uthman OA, Van der Windt DA, Jordan JL, Dziedzic KS, Healey EL, Peat GM, et al. Exercise for lower limb osteoarthritis: systematic review incorporating trial sequential analysis and network meta-analysis. BMJ 2013;347:f5555.
  • 92. Uthman OA, Van der Windt DA, Jordan JL, Dziedzic KS, Healey EL, Peat GM, et al. Exercise for lower limb osteoarthritis: systematic review incorporating trial sequential analysis and network meta-analysis. Br J Sports Med 2014;48:1579.
  • 93.Van Ark M, Zwerver J, Van den Akker-Scheek I. Injection treatments for patellar tendinopathy. Br J Sports Med 2011;45:1068-76.
  • 94.Van der Heijden RA, Lankhorst NE, Van Linschoten R, Bierma-Zeinstra S, Van Middelkoop M. Exercise for treating patellofemoral pain syndrome. Cochrane Database Syst Rev 2015;1:CD010387.
  • 95. Van der Worp MP, Van der Horst N, De Wijer A, Backx FJ, Nijhuis-van der Sanden MW. Iliotibial band syndrome in runners: a systematic review. Sports Med 2012;42:969-92.
  • 96.Van Mourik JBA. Bot- en gewrichtsinfecties. In: Verhaar JAN, Van Mourik JBA, redactie. Orthopedie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2008:313-19.
  • 97.VSG. Richtlijn Iliotibiale Band Syndroom (2010). Vereniging voor Sportgeneeskunde. http://www.sportgeneeskunde.com/files/Richtlijn%20Iliotibiale%20 Band%20Syndroom.pdf.
  • 98.Warden SJ, Kiss ZS, Malara FA, Ooi AB, Cook JL, Crossley KM. Comparative accuracy of magnetic resonance imaging and ultrasonography in confirming clinically diagnosed patellar tendinopathy. Am J Sports Med 2007;35:427-36.
  • 99.Waryasz GR, McDermott AY. Patellofemoral pain syndrome (PFPS): a systematic review of anatomy and potential risk factors. Dyn Med 2008;7:9.
  • 100.Weiler R, Ingram M, Wolman R. 10-Minute Consultation. Osgood-Schlatter disease. BMJ 2011;343:d4534.
  • 101.Yusuf E, Kortekaas MC, Watt I, Huizinga TW, Kloppenburg M. Do knee abnormalities visualised on MRI ex-plain knee pain in knee osteoarthritis? A systematic review. Ann Rheum Dis 2011;70:60-7.

Reacties

Er zijn nog geen reacties