Praktijk

Over de grens werken in je ‘eigen’ land [Column]

Gepubliceerd
6 juli 2020
Barbara Wauben-Czekalska, van oorsprong Pools, werkt als huisarts onder andere in een asielzoekerscentrum. Voor H&W beschrijft ze hoe ze in haar dagelijkse werkzaamheden te maken krijgt met het thema 'Over de grens'.
0 reacties
Barbara Wauben
Barbara Wauben-Czekalska werkt als huisarts onder andere in een asielzoekerscentrum.

Het is vrijdagochtend. Een klein beetje verlaat haast ik me naar het ochtendspreekuur in het AZC in Assen. Eerst moet ik mijn Rubicon oversteken: de overvolle wachtkamer; een toren van Babel van verschillende talen en culturen. Stiekem tussendoor rennen is geen optie: zodra mijn voet binnenstapt en mijn rode, best opvallende, dokterstas in de ooghoek van de eerste patiënt komt, staat een groep mensen om mij heen. “Wy ljekar?” (“Bent u de dokter?”) vraagt een bejaarde patiënte, die zo op het oog waarschijnlijk uit Azerbeidzjan of Oezbekistan afkomstig is. Ze draagt een hoofddoek met bloemenprint, haar obese lichaam is gehuld in een lange rok en kleurrijk shirt met lange mouwen. Zo’n folkloristisch ogend plaatje wil meestal zeggen dat ze sinds kort in Nederland verblijft. Hoe langer iemand in het AZC woont, des te minder vaak zien we die mooie, originele, regionale kleren uit hun land van herkomst. Gelukkig (of juist niet) versta ik wat Russisch en ik probeer haar in het Pools uit te leggen dat ze een nummertje moet trekken en op de assistente moet wachten. Mijn patiënte lijkt me te begrijpen. Ze zucht diep, trekt een nummer en gaat zitten. De vier andere patiënten, die ook opgestaan zijn, probeer ik in alle talen en gebaren die ik ken duidelijk te maken dat ze op de assistente moeten wachten. Gestrest kijk ik naar de klok: mijn spreekuur begint zo. Snel duw ik me een beetje tussen de vragende ogen door naar de deur van het GZA (Gezondheidszorg voor Asielzoekers). De eerste grens is gepasseerd: de taal- en cultuurbarrière die het werk met asielzoekers zo spannend, interessant en uitdagend maakt. Nu rechtdoor naar mijn spreekkamer.

Een oude neurologische hamer

De eerste patiënt, een 36-jarige jongeman afkomstig uit Iran, heeft rugklachten, zoals iedereen op het centrum. Iedereen hier slaapt op dezelfde, blauwe matrassen, die nauwelijks steun bieden voor de (vaak gemartelde) ruggengraat. Zoals antidepressiva en gesprekken met de psycholoog ook nauwelijks steun bieden voor deze ernstig getraumatiseerde mensen, die nog eens vijf maanden moeten wachten op een traumabehandeling. Uit automatisme pak ik mijn neurologische hamer om reflexen te testen. De kniepeesreflexen bij mijn Iraanse patiënt zijn symmetrisch, net als de achillespeesreflexen. Ik heb geen vermoeden van een hernia nuclei pulposi. Ik leg mijn hamer op de tafel, geef uitleg aan de patiënt via een telefonische tolk in Farsi.

Zodra de patiënt mijn kamer verlaat, vallen mijn ogen op de neurologische, half verroeste merkloze hamer waar een hele familiegeschiedenis aan vastzit. Een geschiedenis van een vlucht. Ik kreeg de hamer van mijn moeder – in het communistische tijdperk studeerde zij geneeskunde in Polen – en zij weer van haar oom. Hij was gynaecoloog en vluchtte na de Tweede Wereldoorlog uit Polen naar Australië, waar hij zijn hele studie geneeskunde opnieuw moest overdoen. Hij werd huisarts in Sydney. Misschien vind ik daarom mijn werk met asielzoekers zo leuk? Polen zijn in de geschiedenis vaak op de vlucht geweest. Grens nummer twee: een oude, neurologische hamer die over de grenzen heen heeft gevlogen, gereden en gevaren.

Moederschap

Grens nummer drie: moederschap. Mijn tweede patiënt is een 35-jarige vrouw uit Eritrea. Ze heeft een meisje van bijna 3 en een jongen van 6 bij zich, draagt een baby op de rug en is zwanger. De ‘luxe’ van anticonceptie is in veel landen niet of nauwelijks aanwezig. Voor veel vrouwen is moederschap geen keus: veel van mijn patiënten zijn uitgehuwelijkt op 14- of 15-jarige leeftijd. Sommige zijn slachtoffer van mensenhandel geweest en zijn op deze manier de grens van moederschap gepasseerd. Mijn patiënte heeft last van jeuk: ik onderzoek ook alle aanwezige kinderen nauwkeurig. Typische gangetjes tussen digiti wijzen erop dat de familie besmet is met scabiës. Voor de tweede keer. De laatste keer hebben wij de hele familie behandeld en het protocol nauwkeurig gevolgd: alle kleren werden gewassen op 60 graden, COA (Centraal Orgaan Asielzoekers) zorgde voor nieuw beddengoed. De vader van de kinderen heeft al een verblijfsvergunning en woont niet in het AZC. Hij had ons beloofd om naar zijn eigen huisarts te gaan. Waarschijnlijk is dit niet gebeurd. Deze keer behandelen wij écht de hele familie, inclusief de vader. Ik leg alles uit en draai me om om een briefje te pakken om een nieuwe afspraak te maken voor inname medicatie onder toezicht. Boven het kastje, waar afsprakenkaarten liggen, hangt een door mijn schoonvader geschilderd schilderij van een klein meisje tussen de bloemen: mijn dochter. Op het moment dat ik dit schilderij zie word ik er weer aan herinnerd hoe tijdrovend en vermoeiend reizen met kinderen kan zijn. Elke keer naar Polen of Limburg om opa en oma te bezoeken, alle spulletjes die per se ‘mee’ moeten. De familie die voor mij zit is gevlucht via de Sahara, Libië, de Mediterraanse zee, Italiaanse overvolle vluchtelingenkampen, en heeft zich uiteindelijk verstopt in een vrachtwagen naar Nederland. Met één koffer en drie kinderen. Sommige van onze patiënten werden tijdens de vlucht gedwongen tot prostitutie of zijn verkracht. Zwangerschap is soms helaas geen keus. Daarom ben ik altijd blij als onze proactieve, pro-anticonceptievoorlichting zijn vruchten afwerpt.

Je eigen denkpatroon

Dat is juist het geval bij de volgende patiënte van vandaag: een jonge vrouw uit Nigeria. Ze wil graag anticonceptie. Ik leg alle opties uit. Ze wordt erg enthousiast voor een spiraaltje. Ik noem alle voordelen van een hormoonspiraaltje op een rij: grote kans op geen menstruaties meer, vijf jaar lang anticonceptie, geen nadenken over de pil innemen. Plots zie ik haar enorm schrikken: “Geen bloedingen meer?!”. Na een korte uitleg begrijp ik haar schrik: menstruatiebloeding staat symbool voor vrouwelijkheid in haar land. Ik stel een koperspiraal voor: ze wordt heel erg blij dat ze elke maand blijft bloeden. Ze loopt tevreden de deur uit. De volgende grens van vandaag: de grens van je eigen denkpatroon.

Als de patiënte de deur uit is, komt een verpleegkundige naar mij toe met een belangrijke melding: er is sprake van hongerstaking bij een van de bewoners. Suïcidaliteit, psychoses, hyperventilatie-aanvallen zijn in het AZC dagelijkse kost, maar hongerstaking komt gelukkig niet vaak voor. Zo’n situatie zet je letterlijk tegen de grenzen van de zorg. Iemand die ziek is behandelen is vanzelfsprekend. Maar iemand die zelf voedsel weigert om iets te bereiken? Dat roept innerlijke weerstand op. Gelukkig zijn er goede protocollen voor: er wordt altijd een vertrouwensarts ingeschakeld en wij hebben een hecht, ervaren team. Wij beslissen om ’s middags een huisbezoek af te leggen voor protocollaire controles en vaststelling van wilsbekwaamheid. De patiënt is vastberaden om door te gaan. Hij is boos op Nederland, boos op het systeem en eindigt zijn monoloog met een zin vol verwijten tegen ‘jouw systeem, jouw land’. Tja. Dat gebeurt vaker. Ik moet dan altijd lachen. Ook al woon ik hier acht jaar, ik ben geen Nederlandse. Na een korte uitleg lacht de patiënt ook. Gelukkig, er is nog ruimte voor een glimlach in deze buitengewone situatie.

In het AZC werken is over de grens werken in je ‘eigen’ land. Je eigen grens elke uur passeren. Elke dag weer beseffen hoe ons brein een denkbeeldig grens creëert en hoe belangrijk de universele, grenzeloze waardes zijn: echt communiceren en echt contact met elkaar maken.

Barbara Wauben-Czekalska, huisarts

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen