Nieuws

Prikkelbaredarmsyndroom

0 reacties
Gepubliceerd
2 april 2009

In de verder zeer lezenswaardige beschouwing ‘Prikkelbaredarmsyndroom in de huisartsenpraktijk’ van René Bijkerk in H&W 2009;52:17-20 laat hij (onbedoeld?) in de inleiding zien waar de schoen wringt bij de wetenschappelijke basis van PDS. In de definitie van PDS spreek hij van ‘een afwijkend ontlastingspatroon’ of ‘verstoorde stoelgang’. Twee zinnen verderop staat dat dezelfde mechanismen verantwoordelijk zijn voor ‘buikpijn en een afwijkend ontlastingspatroon bij mensen zonder PDS’. Ergo, mensen zonder PDS kunnen dezelfde buikpijn en afwijkende stoelgang hebben als mensen met PDS. Hier wordt één van de basale eisen van wetenschap geschonden, namelijk: dat de beschrijving van een zaak alleen maar die zaak beschrijft en niet nog een andere. Een wetenschappelijke definitie moet onderscheidend zijn. Als je een wetenschappelijke omschrijving van een kat wilt geven, praat je niet over vier poten, want die heeft een hond ook. Immers, in wetenschap moet je je stelling (‘dit is een kat’) kunnen falsifiëren, en dat kan niet als je Bello van de buren soms een kat en dan weer een hond noemt. De definitie die ons hieruit kan redden, gaat – denk ik – onvermijdelijk niet uit van de genoemde symptomen en identieke mechanismen bij mensen met en zonder PDS, maar veeleer van de beleving van de klachten van de patiëntengroep met PDS. Cees Sluimer

Antwoord

Hoewel patiënten met en zonder prikkelbaredarmsyndroom (PDS) op basis van dezelfde mechanismen PDS-symptomen kunnen ervaren, verschillen zij in patiëntenprofiel. De student die voor zijn examen buikpijn en diarree heeft, ervaart dit in de meeste gevallen als een normale reactie op stress. Falende coping door factoren als angst voor kanker kunnen ertoe bijdragen dat de klachten aanhouden en zijn een belangrijke reden om een huisarts te consulteren. De aanvulling van collega Sluimer over de definitie van PDS geeft precies aan waar wat betreft de diagnostiek nog stappen gezet moeten worden. Omdat er geen biochemische markers voor PDS bestaan, hebben onderzoekers de afgelopen decennia geprobeerd om PDS te definiëren met symptomen die zijn ontleend aan epidemiologisch onderzoek. De Manningcriteria, ontwikkeld in 1978, gaan uit van buikpijn, afwijkend ontlastingspatroon met slijm in de ontlasting en opgeblazen gevoel als de belangrijkste symptomen van PDS. Deze criteria worden wijdverbreid gebruikt, de validatie hiervan bleek echter erg moeilijk. Daarom hebben gastro-enterologen diagnostische criteria voor PDS en andere functionele gastro-enterologische aandoeningen ontwikkeld. Deze zogenaamde Rome-criteria werden voor het eerst vastgesteld in 1990 (Rome I) en gereviseerd in 1999 (Rome II) en 2006 (Rome III). In deze definitie is het kernsymptoom buikpijn die langer aanhoudt dan drie maanden. Nadeel van deze criteria is dat ze zijn ontworpen naar aanleiding van tweedelijnsonderzoek. De meeste huisartsen gebruiken meer pragmatische criteria, zoals beschreven in de NHG-Standaard Prikkelbaredarmsyndroom. De standaard definieert PDS als een chronische gastro-entestinale aandoening die zich kenmerkt door terugkerende buikpijn of een opgeblazen gevoel in relatie tot een verstoorde stoelgang. In de huidige criteria wordt de beleving van de klachten van PDS-patiënten nog onvoldoende meegenomen. Het patiëntenprofiel kan ons mogelijk helpen om mensen met en zonder PDS te onderscheiden. Klachten die langer dan vier weken aanhouden, zijn in de huisartsenpraktijk een belangrijk signaal. Dat geldt ook voor: een frequent consultatiepatroon, recent ingrijpend life event, verhoogde prevalentie van somatische en psychiatrische comorbiditeit en een voorgeschiedenis met lichamelijk onbegrepen klachten. Welke PDS-criteria in de eerste lijn de voorkeur genieten staat nog niet vast. Verder onderzoek naar de validiteit van de criteria die huisartsen gebruiken is noodzakelijk om het diagnostisch proces van PDS in de eerste lijn te kunnen ondersteunen. René Bijkerk

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen