Wetenschap

Spirometrie hoeft niet ingewikkeld

Gepubliceerd
10 maart 2009

Patrick Poels onderzocht het effect van een ondersteunend elektronisch diagnostisch expertsysteem (SpidaXpert®) en tevens het effect van feedback van een longarts op spirometrie in de huisartsenpraktijk. Spirometrie blijkt niet zozeer gebruikt te worden voor de diagnostiek als wel om het effect van inhalatiecorticosteroïden (ICS) te meten. Spirometrie wordt vaker verricht in goed georganiseerde praktijken en door ter zake getrainde huisartsen. De meeste van de 133 deelnemende huisartsen gaven blijk van een chronische behoefte aan nascholing over spirometrie, een behoefte die nauwelijks verband hield met de kenmerken van de huisarts of zijn praktijk. Een interventiegroep (36 huisartsen) kreeg hulp van SpidaXpert® bij het oplossen van een tiental casussen. De controlegroep van huisartsen werd voorzien van nepinformatie: de volumetijdcurve. SpidaXpert® bleek geen invloed te hebben op het besluitvormingsproces van de huisarts. Het beleid met ‘gewone’ spirometrie in 15 praktijken in het oosten van Nederland werd vergeleken met de hieraan toegevoegde waarde van SpidaXpert® , respectievelijk met consultatie van de longarts. SpidaXpert® noch longartsconsult had invloed op het beleid van de huisarts. Spirometrie sec had overigens wel tot gevolg dat de diagnose COPD vaak moest worden veranderd in astma. Het aantal spirometrieën zou de laatste drie jaar verdubbeld zijn als gevolg van de nieuwe honoreringsstructuur, en dat terwijl de toegevoegde waarde van spirometrie aan anamnese en klinisch onderzoek nog nauwelijks bekend is en de trainingsmethodes voor de spirometrist in spe nog te weinig zijn onderzocht. Patrick Poels deed opbouwend onderzoek in een niet goed ontgonnen terrein. De generaliseerbaarheid van de bevindingen, bijvoorbeeld naar de huisartsen in het westen van het land, lijkt mij geen punt. Veel huisartsen in den lande zijn voldoende ingewijd in de spirometrie. Des te opmerkelijker aan het onderzoek van Patrick Poels is daarom dat de ‘nepinformatie’ die gegeven werd aan de deelnemende huisartsen bestond uit de volumetijdcurve. Deskundigen zijn nu juist van mening dat de volumetijdcurve even belangrijk is voor de beoordeling van het eind van de geforceerde uitademing (en dus voor de FVC) als de flowvolumecurve is voor het begin ervan (en dus voor de FEV1 of, zo u wilt, voor de piekstroom).1 SpidaXpert beperkt zich tot feedback over de FEV1 en de FVC, de twee expiratoire volumeparameters bij luchtwegobstructie. Computers zijn namelijk niet in staat feedback te geven over de flowvolumecurve als geheel. Longartsen zouden dit laatste misschien wel kunnen, maar ook hun feedback over de curve leidde niet tot een ander beleid van de huisarts. De flowvolumecurve is naar huidig inzicht dan ook geen geschikt middel om astma van COPD te onderscheiden.1 De uitkomst van het onderzoek – geen effect van elektronisch expertsysteem of van de bijdrage van de longarts – was tegen de verwachting in van de onderzoekers. Een mogelijke verklaring voor het ontbreken van dit effect is de vele voor de huisarts overtollige informatie, die zowel de flowvolume- als de volumetijdcurve kenmerkt (nepinformatie). De betekenis van het onderzoek is vooral dat het huisartsen kan doen inzien dat spirometrie niet te ingewikkeld moet. Bij de huidige stand van kennis zijn een of twee parameters – te meten met eenvoudige apparatuur - voldoende.2 Het proefschrift is vlot geschreven en lezenswaardig; een aanrader voor de huisarts die zich meer dan gemiddeld bezighoudt met spirometrie. Ben Ponsioen

Literatuur

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen