Nieuws

Spirometrie voor huisartsen

Door
Gepubliceerd
10 april 2002

Dit boek is een goed initiatief: er is namelijk maar weinig literatuur die specifiek spirometrie voor de huisarts belicht en dat is spijtig gezien het toenemend gebruik. De aanwezige literatuur richt zich op de longarts, waarbij het gehele scala van longfunctietesten wordt behandeld. Voor de huisarts zit de uitdaging erin om met beperkte middelen (anamnese, lichamelijk onderzoek, X-thorax en spirometrie) het maximale aan diagnostiek eruit te halen, maar tegelijk de beperkingen en valkuilen te leren kennen. In de literatuur voor de huisarts komt dit aspect onvoldoende aan bod.

Positief van het boek is dat het in anderhalf tot twee uur is uit te lezen. Er zijn echter ook belangrijke minpunten. De auteurs zijn longartsen; het woord ‘huisarts’ komt maar viermaal in het hele boek voor. De NHG-Standaarden en de Landelijke Transmurale Afspraken worden in het gehele boek niet genoemd. Ook het gedachtegoed van het nuttige NHG-product ‘bouwsteen spirometrie’ is volkomen onbekend bij de Belgische auteurs. Enkele voorbeelden: astma met persisterende obstructie wordt niet genoemd; chronische bronchitis wordt weer ingevoerd naast COPD; reversibiliteit wordt gedefinieerd als >12% van voorspeld (NHG-Standaard/LTA >9%); de definities wijken af van die van de Standaard; ernstige dyspneu is bij een pols >100 (NHG-Standaard >110). Ook wordt er veel aangestipt zonder hier concrete toepasbare informatie over te geven. Bijvoorbeeld over de effecten van bètablokkers, oogdruppels, acetylsalicylzuur en NSAID's op astma/COPD. ACE-remmers worden in het boek niet genoemd. De NHG-Standaard geeft in een noot wel een fraai getalsmatig overzicht van de effecten waar de huisarts wat aan heeft! In het hoofdstuk over apparaten wordt maar zeer beperkt ingegaan op voor de huisarts bruikbare apparatuur. Niets wordt gezegd over het belang van de weergave van de flow-volumecurve, het belangrijkste discussiepunt bij spirometrie in de huisartspraktijk. Ook het advies over volledige spirometrie (met trage VC-en IVC-curve) wordt niet onderbouwd noch wordt de relatie met de klinische relevantie voor de huisarts uitgewerkt. Het hoofdstuk over kalibratie en kwaliteitscontrole bevat onvoldoende heldere adviezen voor de huisarts; zo wordt biologische kalibratie aanbevolen wekelijks met een gezonde proefpersoon. Grote variaties komen we hiermee wel op het spoor, maar gezien de grote biologische variatie is dit niet erg nauwkeurig. Adviezen als ‘de volume resolutie van toestellen moet 10 ml bedragen met een accuraatheid van + 3 %, een volume bereik van 0.1-0.8 liter en een flowbereik van 30-900 ml liter/min…’ zijn zelfs voor de zeer geïnteresseerde huisarts niet naar de dagelijkse praktijk te vertalen. De belangrijke adviezen over hygiëne gaan meer over spirometers in de kliniek (met leidingen) dan over desktopapparatuur. Bacteriefilters worden niet geadviseerd; aangeraden wordt om infectieuze patiënten niet te meten, hetgeen een zinvol advies lijkt. Het hoofdstuk over ventilatoire stoornissen is mogelijk het enige van belang met name de differentiële diagnose van restrictieve stoornissen – de witte raaf die er bij longfunctiemeting toch uitgepikt moet worden – is nuttig. Helaas wordt dit hoofdstuk niet meer verlevendigd door casuïstiek en plaatjes van flowvolumecurves. Concluderend: een goed initiatief, maar niet geschikt om interesse te wekken bij de gemiddelde huisarts. Ook voor de zeer geïnteresseerde huisarts of praktijkverpleegkundige astma/COPD is het niet aan te bevelen.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen