Wetenschap

Tien jaar verloskundige zorg op Urk

Gepubliceerd
10 maart 2001

Samenvatting

Vraagstellingen In hoeverre onderscheidt de Urker bevolking zich in verloskundig opzicht van de totale Nederlandse bevolking, hoe groot is het aandeel van de thuisbevallingen, wat zijn de uitkomsten van de belangrijkste parameters voor de kwaliteit van de verloskundige zorgverlening en in hoeverre volgt Urk bepaalde landelijke trends? Methoden Retrospectieve analyse op basis van gegevens in de Landelijke Verloskunde Registratie. Waar nodig werden deze gegevens aangevuld door middel van dossieronderzoek. Resultaten Vergeleken met de landelijke bevolking krijgt de Urker vrouw eerder kinderen en gaat zij daar langer mee door. De gemiddelde leeftijd waarop zij haar eerste kind krijgt, ligt ruim vier jaar onder het landelijke gemiddelde. Slechts 25% van de kraamvrouwen is primipara, tegen 40 à 50 procent landelijk. Twee derde van de zwangeren bevalt thuis; bij 3% van de bevallingen gaat het om een sectio caesarea, bij 5% om een vaginale kunstverlossing. Het percentage thuisbevallingen vertoont een licht dalende tendens, en de percentages kunstverlossingen nemen in geringe mate toe. De perinatale sterfte bedraagt 0,95%, wat nauwelijks verschilt van het landelijke cijfer. Conclusie Urk volgt op verloskundig gebied de landelijke trend, maar er blijven aanzienlijke verschillen; een hoog percentage thuisbevallingen en weinig kunstverlossingen.

Inleiding

Op Urk krijgt men eerder kinderen en het kindertal is groter dan in de rest van Nederland. Al jaren heeft Urk het hoogste geboortecijfer van ons land – 24,5 levend geborenen per 1000 inwoners -, op ruime afstand gevolgd door Genemuiden (21,4 per 1000 1). De late ontsluiting van het voormalige eiland en de behoudend protestantse signatuur van de bevolking dragen hier ongetwijfeld toe bij. De eerstelijns verloskundige zorg op Urk wordt geheel geleverd door de huisartsen; er zijn op Urk geen verloskundigen werkzaam. De tweedelijns zorg berust nagenoeg geheel bij de gynaecologenmaatschap in Emmeloord. Wij verrichtten een onderzoek met de volgende vraagstellingen:

  • In hoeverre onderscheidt de Urker bevolking zich in verloskundig opzicht van de totale Nederlandse bevolking en hoe groot is het aandeel van de thuisbevallingen?
  • Wat zijn de uitkomsten van enkele van de belangrijkste parameters voor de kwaliteit van de verloskundige zorgverlening (percentage kunstverlossingen, perinatale sterfte)?
  • In hoeverre zijn – in weerwil van het specifieke karakter van de Urker bevolking – toch bepaalde landelijke trends waarneembaar?

Methoden

De Landelijke Verloskunde Registratie (LVR) is een centraal gegevensbestand, waaraan wordt deelgenomen door het merendeel (80 à 90 procent) van de gynaecologen en verloskundigen in Nederland, en door circa 20 procent van de verloskundig actieve huisartsen. De Urker huisartsen zijn hierbij sinds 1986 betrokken. Het onderzoek was gericht op de decade 1986-1995. Naast de gegevens van de huisartsen werden ook gegevens van de Emmeloorder gynaecologen gebruikt. Voor zover nodig, vond aanvullend dossieronderzoek plaats. Het onderzoek had betrekking op alle zwangere vrouwen die ten tijde van de bevalling (miskraam) woonachtig waren in de gemeente Urk. Ter controle werd de omvang van dit bestand vergeleken met het aantal geboorteaangiften in de jaren 1986-1995. Onder perinatale sterfte werd – conform de definitie die het CBS sinds 1994 hanteert – verstaan: sterfte van het kind voor of tijdens de bevalling of gedurende de eerste levensweek bij een amenorroeduur van meer dan 167 dagen. De uitkomsten van het onderzoek werden vergeleken met gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek en de LVR. 234

Resultaten

De analyse heeft betrekking op 3564 zwangerschappen (waarvan 32 tweelingzwangerschappen), waaruit 3596 kinderen werden geboren. Op grond van de gegevens van de burgerlijke stand hadden dat er 3614 moeten zijn; in totaal zijn dus 18 zwangerschappen in de registratie gemist (0,5%).

Zwanger worden en bevallen op Urk

Uit tabel 1 blijkt dat de vrouwen op Urk eerder voor de eerste keer zwanger worden en ook langer doorgaan met kinderen krijgen. Uit tabel 2 blijkt, dat de gemiddelde leeftijd, waarop de Urker vrouw haar eerste kind krijgt, ongeveer vier jaar lager ligt dan landelijk het geval is. Dit geldt ook voor de leeftijd, waarop het tweede en derde kind worden geboren. Bij hogere pariteit neemt dit verschil af. Dit verschil blijkt vrij constant door de jaren heen. Slechts een kwart van de vrouwen was primipara (landelijk 40 à 50 procent 5.6). Verder is het aandeel van de grande multiparae (para >4) groot: bijna een vijfde – ongeveer zes maal zoveel als landelijk. Er waren 57 vrouwen (1,6%) met een pariteit van 10 of meer (inclusief 1 × 17 en 1 × 18).

Tabel1Leeftijdsverdeling Urker zwangeren, vergeleken met landelijke cijfers. Percentages
LeeftijdsklasseUrk n=3.564CBS 1991 n=199.732
15-193,62,1
20-2434,014,4
25-2932,639,5
30-3419,033,2
35-398,59,5
>402,31,3
Tabel2Gemiddelde leeftijd moeder in jaren naar rangnummer kind.
Jaar1 2 3 >3 
 UrkCBSUrkCBSUrkCBSUrkCBS
198622,226,824,028,726,530,732,533,4
198922,527,424,429,426,831,132,433,6
199222,828,024,930,027,731,732,233,8
199524,328,625,330,728,032,132,334,1
Het percentage thuisbevallingen is zeer hoog ( tabel 3).
Tabel3Plaats geboorte. Percentages
PlaatsUrk primi n=928multi n-2667†LVR 1993 primi n=67.435multi n=82.650
Thuis50,369,117,831,6
Poliklinisch, eerstelijns*12,714,0
Klinisch49,730,969,554,4
* Vanuit Urk worden geen poliklinische bevallingen begeleid. † Eenmaal was er sprake van een geboorte in de ambulance (niet in tabel opgenomen).
In tabel 4 zijn de verschillende verwijsmomenten weergegeven. Van de 867 op enig moment in de zwangerschap verwezen vrouwen (primaire + secundaire verwijzingen) bevielen er 30 (3,5%) alsnog thuis. Deze vrouwen zijn voor de partus terugverwezen naar de huisarts.
Tabel4Verwijspatronen. Percentages
Soort verwijzingUrk primimultiLVR 1993 primimulti
Primair3,73,60,50,8
Secundair26,720,322,914,9
Durante partu20,37,629,410,5
Post partum3,31,12,32,3

Kwaliteit van zorg

Bij 289 vrouwen werd de geboorte kunstmatig beëindigd:

  • sectio caesarea 109× (3%; 5,6% bij de primiparae, 2,2%; bij de multiparae);
  • forcipale extractie 135× (3,8%; 11,6% bij de primiparae, 1,1% bij de multiparae);
  • vacuümextractie 45× (1,3%; 3,2% bij de primiparae, 0,6% bij de multiparae).
Onder de 1285 klinische bevallingen bedroeg het aandeel van de keizersneden 8,5 procent en het percentage vaginale kunstverlossingen 14,0 procent. In de totale landelijke populatie bedroeg het percentage keizersneden 8,0 procent. 7 Voor de vaginale kunstverlossingen is dat percentage niet bekend.

Er waren 34 gevallen van perinatale sterfte (0,95%, tegen landelijk 0,97% in 1994 en 1995):

– amenorroeduur 14×
– amenorroeduur 28-37 weken
– serotiniteit (amenorrhoeduur >42 weken)
– tweelingzwangerschap (3×2)
– ernstige dismaturitas (geboortegewicht onder de 2,3 percentiel)
Vijf van deze kinderen, alle met een amenorroeduur >37 weken, werden thuis geboren:
– ante partum
– durante partu
– binnen 24 uur post partum

Trends

Zoals uit tabel 2 blijkt, was er een geleidelijke stijging van de gemiddelde leeftijd waarop de vrouwen hun eerste kind kregen, van 22,2 naar 24,3 jaar. Landelijk was er eveneens een stijging van ongeveer 2 jaar. Het verschil tussen beide populaties van ongeveer 4 jaar bleef daarbij bestaan. Het aandeel van de thuisbevalling vertoont een dalende tendens ( figuur 1). Het percentage keizersneden was betrekkelijk stabiel ( figuur 2). Het percentage vaginale kunstverlossingen vertoonde een stijgende tendens, van gemiddeld nog geen 3 procent in de jaren 1986-1988 tot gemiddeld 7 procent in de laatste drie jaren.

Het beloop van de perinatale sterfte liet geen duidelijke trend zien. Er waren twee jaren met een aanzienlijk meer dan gemiddelde sterfte (1987 met zeven gevallen en 1993 met zes gevallen) en drie jaren met slechts één geval.

In de serie ‘Zwangerschap & Kraambed’ verschenen eerder het commentaar ‘Kind en badwater’ en de artikelen ‘Koorts in het kraambed’, ‘Prenatale zorg: van ritueel naar rationeel handelen’, ‘Naweeën – Gepresenteerde morbiditeit in het eerste jaar post partum’, ‘Seks tijdens zwangerschap en periode post partum’, ‘Doodgeboorte – Het rouwproces van de ouders en de rol van de hulpverleners’, ‘Werken tijdens de zwangerschap en post partum’, ‘Zwangerschap en sport’, ‘Klachten bij een dreigende miskraam’, ‘Verloskundig actieve huisartsen’, ‘Fluor vaginalis tijdens de zwangerschap’, ‘Hiv-screening bij zwangeren – haken en ogen’ en ‘Asymptomatische bacteriurie en urineweginfecties tijdens de zwangerschap’

Wat is bekend?

  • Het percentage thuisbevallingen daalt in Nederland; tegenwoordig bevalt circa 30% van de zwangere vrouwen thuis.
  • Het aandeel van de huisarts in de thuisverloskunde neemt af.

Wat is nieuw?

  • De situatie op Urk wijkt af van dit patroon:
      • ruim 60% van de zwangeren bevalt thuis, onder leiding van de huisarts;
      • er worden relatief weinig barenden durante partu verwezen;
      • er worden minder kunstverlossingen verricht.
  • De perinatale sterfte wijkt nauwelijks af van het landelijke cijfer.

Beschouwing

Landelijke trends, met name de stijging van de leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen en de daling van het percentage thuisbevallingen, deden zich ook op Urk voor, maar het verschil blijft aanzienlijk. Het percentage kunstverlossingen vertoonde enige stijging, maar blijft zeer laag. Er vonden iets meer secundaire verwijzingen plaats dan landelijk, maar beduidend minder verwijzingen durante partu. Het perinatale sterftecijfer wijkt nauwelijks af van het landelijke cijfer (dat echter mogelijk wat te laag is als gevolg van onderrapportage 7,8). Harde conclusies over de kwaliteit van de verloskundige zorgverlening op Urk zijn op basis van dit onderzoek niet te trekken; daarvoor is een diepgaander analyse nodig.

Dankbetuiging

De Matty Brand Stichting voor het financieel mogelijk maken van het onderzoek.

Literatuur

  • 1.Loop van de bevolking per gemeente 1996. Voorburg: Centraal Bureau voor de Statistiek, 1997.
  • 2.Vademecum Gezondheidsstatistiek Nederland 1995. Voorburg, 1995:92-101.
  • 3.SIG-Jaarboek verloskunde 1991. Utrecht: SIG, 1991.
  • 4.Lems AA. Verloskunde. Grote lijnen 1989-1993. Utrecht: SIG, 1995.
  • 5.Springer MP. Kwaliteit van het verloskundig handelen van huisartsen [Dissertatie]. Leiden: Rijksuniversiteit Leiden, 1991.
  • 6.Eskes M. Het Wormerveeronderzoek. Meerjarenonderzoek naar de kwaliteit van de verloskundige zorg rond een vroedvrouwenpraktijk. Leiden: Rijksuniversiteit Leiden, 1991:68.
  • 7.Doornbos JP, Nordbeck HJ, Treffers PH. The reliability of perinatal mortality statistics in the Netherlands. Am J Obstet Gynec 1987;156:1183-7.
  • 8.De Reu PAOM, Nijhuis JG, Oosterbaan HP, Eskes. TKAB. Perinatal audit on avoidable mortality in a Dutch rural region. Eur J Obstet Gyn Repr Biol 2000;88:65-69.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen