Nieuws

Tussenpaden…

Gepubliceerd
4 april 2012
In mijn geboortedorp was de natuur al een issue een halve eeuw vóór de politiek zich erover ging buigen. Wij, kleine schoolkinderen, hadden daarom allemaal een ‘moestuintje’, toen eenvoudig ‘landje’ genoemd. Wij hadden ieder 5 vierkante meters, zodat de afmetingen in de buurt van de 2,22 x 2,22 m lagen. Tussen de tuintjes bevonden zich paadjes voor de verplaatsing van onze productie. De meester had de afmetingen voor ons uitgerekend en een lat gemaakt van precies de juiste lengte. Hij zag streng toe op de aanleg van onze landjes. Het eerste jaar lag het terrein erbij als langs een liniaal getrokken: alles straf in het gelid. Velen hadden een vlaggetje op hun landje gezet om zeker te zijn van blijvend eigendomsrecht in de toekomst.
Het was leuk werken in zo’n tuintje, maar in het najaar werd alles een papperige viezigheid en keerden we de natuur tot het voorjaar de rug toe. Door de sneeuw en de vele regen was toen het onderscheid tussen de paadjes en de bedjes verdwenen, samen met de vlaggetjes. Gewapend met de meetlat gingen dus de eersten weer aan de slag. Zij gaven de meetlat na gedane zaken door aan hun vriendjes, die eveneens hun tuintje uitzetten. Al snel bleken de eersten zo royaal te meten dat er uit hetzelfde lapje grond ineens veel minder tuintjes konden worden gehaald. Dat viel bijzonder slecht bij onze nieuwe onderwijzer, die een groot rechtvaardigheidsgevoel bleek te bezitten. Het meten moest opnieuw en o wee als je ook maar een centimetertje bietste. Niemand had het lef om de gramschap van deze meester over zich af te roepen en iedereen bleef daarom veiligheidshalve royaal binnen de grenzen. Daardoor vielen alle landjes kleiner uit en het eindreepje van vorig jaar, dat uit medelijden was gegeven aan ‘de Pissert’, die lang bedplaste en vaak door ziekte aan huis gebonden was en dus afwezig, werd een onverwacht landgoed waar hij breed grinnikend middenop ging staan.
Het gehannes met de tuintjes dook weer in mijn oude hersenen op tijdens mijn twee laatste logeerpartijen in het ziekenhuis. Veel specialisten (en dus ook verpleegkundigen) blijken uiterst voorzichtig te zijn als het gaat over het betreden van het terrein (ik zou bijna zeggen rayon, want alles is momenteel Elfstedentocht op radio en tv) van een collega van een andere discipline. De specialisten die ik ernaar vroeg, gaven het volmondig toe: ‘Ja, dat herken ik wel!’
Als alle specialisten bij de rand van hun terrein vandaan blijven teneinde met niemand problemen te krijgen, dan ontstaan er brede paden waarbinnen een categorie patiënten vogelvrij verklaard lijkt te zijn. Zo heb ik op de afdeling Interne een week met een open plek in mijn lies ter grootte van een biefstuk gelopen. Pogingen de wond te verbinden mislukten, omdat een bovenbeen taps naar beneden afloopt, zodat elk verband na drie stappen rond de knieën is terug te vinden. Noch de (falende) verpleegkundigen, noch de artsen kwamen op het idee hulp te vragen aan Dermatologie, waar ik ook al patiënt was. Pas bij mijn ontslag moest ik langs Dermatologie. ‘Wie heeft dat in vredesnaam verbonden? Dat kunnen ze daar helemaal niet…’, waarna zij de wond zonder problemen goed en duurzaam inpakten.
In de gesprekken met (groepjes) artsen, al dan niet aan het voeteneind van mijn bed, kreeg ik altijd weifelende of eromheen draaiende antwoorden als ik iets vroeg wat eigenlijk niet op hun terrein lag. Alsof het verraad is een op zich algemeen medische vraag te beantwoorden wanneer die eigenlijk tot het vakgebied van een collega behoort. Het zijn vaak lastige vragen die ik stel, dus het kan ook een manier zijn om van de verantwoordelijkheid af te zijn.
Het spelletje is tijdens het schrijven van dit stukje weer uiterst actueel: Pro-Rail en de NS denken zich te redden door zich steeds weer achter de ander te verschuilen. Ook zij snappen niet dat mensen in geval van grote openheid heel veel ongemakken (zoals het geen antwoorden geven) kunnen accepteren.
Hans van der Voort
hvdvoort@knmg.nl

Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Verder lezen