Beschouwing

Vaccinatietwijfel bij ouders: motieven en handvatten

In de afgelopen jaren is de vaccinatiegraad onder kinderen afgenomen. Dat is zorgelijk, want de gevolgen hiervan zijn ook merkbaar in de spreekkamer. Huisartsen krijgen in toenemende mate te maken met ziekten die door vaccinaties voorkomen kunnen worden. Vaccineren is niet voor alle ouders vanzelfsprekend. Tegelijk ervaren sommige huisartsen mogelijk een drempel om het gesprek hierover aan te gaan. In dit artikel verkennen we de motieven achter vaccinatietwijfel en bieden we praktische handvatten om het gesprek te voeren, inclusief verwijsmogelijkheden bij tijdsdruk en adviezen om de samenwerking met de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) te versterken.
0 reacties
Hoe ga je het gesprek aan met ouders die twijfelen over vaccinatie? Foto: Shutterstock
Hoe ga je het gesprek aan met ouders die twijfelen over vaccinatie? Foto: Shutterstock

De kern

  • De vaccinatiegraad onder kinderen neemt af, waardoor infectieziekten terugkeren in de spreekkamer.
  • Vaccinatietwijfel verwijst naar het besluitvormingsproces bij het maken van de keuze over vaccineren; het is geen synoniem voor weigering.
  • Zorgen over de veiligheid van en het vertrouwen in vaccinaties, en praktische barrières beïnvloeden de vaccinatiekeuze.
  • De huisarts kan de vaccinatiestatus signaleren, vragen of twijfels herkennen, voorlichting geven en verwijzen.
  • Gestructureerde communicatie (CASE-methode) en samenwerking met de JGZ ondersteunen effectieve begeleiding.

Casus 1 | Ongevaccineerde 3-jarige jongen met beenwond

Een ongeluk zit in een klein hoekje. Een 3-jarige jongen valt met zijn fiets en loopt daarbij een flinke beenwond op. De huisarts maakt de wond schoon en hecht deze. Bij navraag blijkt dat het kind nooit is gevaccineerd en dus niet beschermd is tegen tetanus. De ouders geven aan dat zij vaccinatie niet noodzakelijk vonden, omdat ziekten zoals tetanus bijna niet meer voorkomen. Daarnaast hadden ze zorgen over mogelijke bijwerkingen. De huisarts bespreekt het risico op tetanus bij een met straatvuil verontreinigde wond en licht toe hoe hun zoon alsnog beschermd kan worden. Het gesprek zet de ouders aan het denken.

Wereldwijd neemt het vertrouwen in vaccinaties af, daalt de vaccinatiegraad en neemt het aantal infectieziekten toe.1,2 Ook in Nederland is de vaccinatiegraad de afgelopen jaren gedaald tot onder de norm van 95% die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert om populaties te beschermen tegen infectieziekten. Momenteel heeft 85% van de kinderen op 2-jarige leeftijd alle aanbevolen vaccinaties gehad.3 Bij een dalende vaccinatiegraad is mazelen vaak 1 van de eerste ziekten die terugkeert, vanwege de hoge besmettelijkheid. Daarnaast is de vaccinatiegraad niet homogeen verdeeld: clustering van ongevaccineerden in specifieke gemeenschappen vergroot de kans op uitbraken. Eerder leidde dit tot mazelenuitbraken in de orthodox-protestantse gemeenschap.4,5 De recente vaccinatiedaling is echter zichtbaar in de gehele populatie en het meest uitgesproken onder Nederlandse kinderen met een Marokkaanse of Turkse migratie-achtergrond, kinderen die niet naar de kinderopvang gaan en kinderen uit grote gezinnen.4

In 2024 rapporteerde het RIVM 205 gevallen van mazelen en in 2025 is dit aantal met 539 gevallen ruim verdubbeld.7 In 2024 was er ook een uitbraak van kinkhoest, een ziekte die vooral gevaarlijk is voor jonge kinderen. In totaal overleden in dat jaar 8 mensen aan kinkhoest, waaronder 5 baby’s.8 Dit laat zien dat ziekten waartegen wordt gevaccineerd nog steeds circuleren en een bedreiging voor onze gezondheid vormen. Een adequate vaccinatiegraad is belangrijk om vooral kwetsbare groepen, waaronder jonge kinderen en mensen met een verminderde afweer, te beschermen.

Rijksvaccinatieprogramma

In Nederland krijgen kinderen via het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) vaccinaties aangeboden tegen 13 infectieziekten. Ouders van kinderen van 0-4 jaar worden hiervoor uitgenodigd door de JGZ. Sinds september 2025 bieden JGZ-organisaties daarnaast immunisatie tegen het RS-virus aan, waarmee zuigelingen binnen 2 weken na de geboorte beschermd kunnen worden. Oudere kinderen (4-18 jaar) ontvangen uitnodigingen voor vervolgvaccinaties tijdens groepssessies of spreekuren. Inhaalvaccinaties binnen het RVP zijn tot 18 jaar kosteloos beschikbaar via de JGZ.

Recent zijn binnen het RVP verschillende wijzigingen doorgevoerd. In 2024 is de vaccinatie tegen het rotavirus toegevoegd en in 2025 de immunisatie tegen het RS-virus. De RS-prik bevat monoklonale antistoffen en biedt directe bescherming tegen RS-virus; dit heet passieve immunisatie. Tot de invoering hiervan bestond het RVP uitsluitend uit actieve immunisaties, waarbij het immuunsysteem wordt gestimuleerd om zelf antistoffen aan te maken. Strikt genomen verwijst de term vaccineren naar actieve immunisatie. In dit artikel gebruiken wij omwille van de leesbaarheid de term vaccineren als overkoepelende aanduiding voor zowel actieve als passieve immunisatie.

Naast deze toevoegingen zijn in het RVP ook wijzigingen doorgevoerd in de leeftijd waarop bepaalde vaccinaties worden aangeboden. Zo wordt de tweede BMR-vaccinatie tegenwoordig op 3-jarige leeftijd gegeven in plaats van op 9-jarige leeftijd.

Vaccinatietwijfel

Al sinds 2019 staat vaccinatietwijfel (vaccine hesitancy) in de top 10 van de WHO als 1 van de grootste bedreigingen voor de gezondheid wereldwijd, naast onder meer luchtvervuiling en klimaatverandering. De term wordt vaak gebruikt als containerbegrip voor uiteenlopende gevoelens, overtuigingen en gedragingen rond vaccineren. Voor de praktijk helpt het echter om dit begrip preciezer te definiëren als besluiteloosheid bij het maken van een keuze over vaccineren.10 Vaccinatietwijfel verwijst daarmee naar het besluitvormingsproces dat voorafgaat aan gedrag. Twijfel kan leiden tot verschillende keuzes – volledig vaccineren, gedeeltelijk vaccineren of afzien van vaccinatie – en is dus niet gelijk aan vaccinatiegedrag zelf, zoals het weigeren van vaccinaties.11 Door de focus te verleggen van gedrag naar besluitvorming ontstaat meer ruimte voor begrip én effectieve communicatie in de spreekkamer.12,13 Zorgverleners spelen hierin een belangrijke rol.

Verschillende factoren beïnvloeden of iemand zich uiteindelijk laat vaccineren.14 Percepties van het nut, de noodzaak en de veiligheid van vaccinatie spelen een rol en dit kan per vaccin verschillen. Daarnaast kunnen praktische barrières de toegang tot vaccinatiezorg belemmeren, zoals onbekendheid met de organisatie, beperkte flexibiliteit in afspraakmogelijkheden of informatie die onvoldoende aansluit, bijvoorbeeld door een taalbarrière.15

Ook (een gebrek aan) vertrouwen kan een rol spelen. Dit betreft vertrouwen in de ontwikkeling en productie van vaccins, in het vaccinatiebeleid, in de overheid, en in zorgverleners die vaccinaties aanbieden.14 Hoewel het vertrouwen in vaccinaties lijkt af te nemen, blijven zorgverleners de meest vertrouwde informatiebron en is hun aanbeveling zeer belangrijk.1,16,17

Negatieve percepties over vaccinaties zijn niet nieuw.18 Negatieve opvattingen die tijdens de COVID-19-pandemie zijn ontstaan, werken bovendien door in de houding ten aanzien van kindervaccinaties.19 Ook in Nederland is deze houding in die periode minder positief geworden.20 Binnen deze context is de verspreiding van mis- en desinformatie over vaccinaties een belangrijke factor. Voor ouders die zelf informatie zoeken kan het lastig zijn feiten van fabels te onderscheiden. Om hier tegenwicht te bieden, is het belangrijk dat professionals een consistente, duidelijke en onderbouwde boodschap over vaccinaties uitdragen.21

Rol van de huisarts

Het vertrouwen dat mensen hebben in hun huisarts is hoog.22 Informatie en advies van vertrouwde zorgprofessionals spelen een belangrijke rol in de besluitvorming van ouders die twijfelen over vaccineren.23 Binnen het Nederlandse stelsel ligt de primaire voorlichting over kindervaccinaties bij de JGZ; de huisarts heeft hierin geen structurele rol.24 Tegelijk behoort preventieve zorg tot de in 2019 geformuleerde kerntaken van de huisarts. Toch ervaren huisartsen soms een drempel om vaccinatie ter sprake te brengen. Onderzoek in het buitenland laat zien dat huisartsen die zich minder bekwaam voelen, minder vaak actief vaccinatie adviseren.25 Juist daarom is ondersteuning op dit terrein van belang.

De huisarts kan als vertrouwde zorgprofessional een aanvullende rol spelen naast de JGZ, met name bij ouders die barrières ervaren of twijfels hebben. Die rol begint bij het signaleren van de vaccinatiestatus en het herkennen van vragen of twijfels. Vervolgens kan de huisarts het gesprek aangaan, betrouwbare informatie bieden en zo nodig laagdrempelig doorverwijzen naar de JGZ.

Een afspraak bij de huisarts wordt meestal niet primair gemaakt om vaccinaties te bespreken; vaak zal dit terloops aan bod komen. Dat vraagt om alertheid. Ook praktijkondersteuners en doktersassistenten kunnen hierin een rol spelen, bijvoorbeeld door signalen van twijfel te herkennen en te weten hoe zij het gesprek hierover kunnen openen. In een aantal casussen staan hiervoor aanknopingspunten.

Casus 2 | Meisje met huiduitslag

Een moeder van een gezin van 4 kinderen komt met haar oudste dochter van 6 jaar op het spreekuur vanwege huiduitslag, passend bij krentenbaard. Aan het einde van het consult geeft zij aan dat het gezin volgende maand familie in Marokko gaat bezoeken. Naar aanleiding van een poster in de wachtkamer vraagt zij advies over vaccinatie van haar kinderen. Tot nu toe zijn de kinderen deels gevaccineerd vanwege twijfel over het nut van vaccinaties. De huisarts gaat in op de zorgen van de moeder en bespreekt het belang van adequate vaccinatie. Er volgt een verwijzing voor verdere informatie naar de JGZ en betrouwbare online-informatie.

Casus 3 | Jongere met anticonceptievraag

Sarah (16 jaar) maakt een afspraak vanwege buikpijn. Tijdens het consult blijkt dat zij het gebruik van anticonceptie wil bespreken. Ze heeft een vriendje en gebruikt condooms, maar wil daarnaast hormonale anticonceptie. De huisarts herinnert zich de campagne over HPV Awareness Day en benut dit consult om het gesprek over HPV-vaccinatie te openen. Op de vraag of zij gevaccineerd is tegen HPV geeft Sarah aan dat dit niet het geval is. Zij heeft hierover wel een aantal vragen. De huisarts schrijft anticonceptie voor en verwijst haar naar de JGZ voor verdere informatie en eventuele vaccinatie.

Ga het gesprek aan

Onderzoekers ontwikkelden de CASE-methode om zorgverleners structuur te bieden in een gesprek met ouders over het belang van vaccinatie.26 Volgens deze methode erken je eerst de zorg of twijfel die ouders hebben en geef je, met instemming van de ouders, vanuit je professionele rol advies en uitleg, onderbouwd met kennis (tabel). Naast deze methode zijn er ook diverse e-learnings voor professionals beschikbaar, zoals ‘Communicatie rondom vaccinatie’, om beter voorbereid het gesprek over vaccinaties te voeren.27

Tabel | CASE-methode ─ voorbeeldgesprek over zorgen dat vaccinaties autisme veroorzaken (vrij vertaald naar het Nederlands vanuit WHO safety document: ‘How to respond to concerns about vaccination’.)
Tabel | CASE-methode ─ voorbeeldgesprek over zorgen dat vaccinaties autisme veroorzaken (vrij vertaald naar het Nederlands vanuit WHO safety document: ‘How to respond to concerns about vaccination’.)

Bronnen voor verwijzing

Voor huisartsen is actuele en toegankelijke kennis over ziektebeelden en vaccinaties essentieel. Relevante achtergrondinformatie en praktische handvatten zijn te vinden in eerdere edities van H&W:

De meest actuele jaarcijfers over de vaccinatiegraad worden jaarlijks in juni gepresenteerd in het RIVM-rapport Vaccinatiegraad Rijksvaccinatieprogramma Nederland.

Daarnaast kunnen huisartsen ouders doorverwijzen naar informatie op de volgende websites:

Samenwerking huisartsen en de JGZ

Naast het gesprek met ouders in de spreekkamer is het belangrijk dat huisartsen en JGZ-organisaties korte lijnen onderhouden. Goede onderlinge afstemming maakt overleg en gerichte verwijzing eenvoudiger en verlaagt de drempel voor ouders om contact op te nemen met de JGZ. Samenwerking tussen zorgprofessionals uit verschillende disciplines is daarmee een belangrijke voorwaarde om de vaccinatiegraad te versterken.

Conclusie

In dit artikel geven we 3 casussen die aanknopingspunten bieden om het belang van vaccinatie in de spreekkamer onder de aandacht te brengen. Bij de keuze om wel of niet te vaccineren spelen uiteenlopende factoren een rol, variërend van zorgen over de veiligheid, een gebrek aan vertrouwen tot praktische belemmeringen in de toegang tot zorg. Het is belangrijk om zonder aannames hierover met ouders in gesprek te gaan en oog te hebben voor de beweegredenen van ouders, die het beste voor hun kind willen. Professionals doen er goed aan hierin gezamenlijk op te trekken. Een heldere en consistente aanbeveling kan bijdragen aan vertrouwen en weloverwogen besluitvorming. Het vertrouwen dat ouders hebben in hun huisarts, biedt een belangrijke kans om hen op een zorgvuldige en evenwichtige manier te ondersteunen in hun besluitvormingsproces rondom vaccineren, en zo bij te dragen aan een goede vaccinatiegraad.

Dankwoord

Dit artikel is mede tot stand gekomen dankzij de kritische blik en constructieve feedback van onze meelezers dr. Emilie Ruiter, dr. Jeannine Hautvast en prof. Marlies Hulscher. Wij stellen hun bijdrage zeer op prijs.

Tiggelman K, Van Enter B, Bussink-Voorend D. Vaccinatietwijfel bij ouders: motieven en handvatten. Huisarts Wet 2026;69:HnW-00000286.
Mogelijke belangenverstrengeling: niets gemeld.

Literatuur

Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Verder lezen