Wetenschap

Voorkeuren van studenten geneeskunde en recent afgestudeerden voor het beroep van huisarts

0 reacties
Gepubliceerd
10 januari 2005

Samenvatting

Soethout MBM, Van Wigcheren PT, Stalman WAB, Ten Cate ThJ. Voorkeuren van studenten geneeskunde en recent afgestudeerden voor het beroep van huisarts. Huisarts Wet 2005;48(1):12-5. Inleiding In de komende jaren wordt een groot tekort aan huisartsen verwacht. Om na te gaan hoe de belangstelling voor de huisartsgeneeskunde zich ontwikkelt, is onderzoek verricht onder geneeskundestudenten en recent afgestudeerden naar hun voorkeur voor de huisartsgeneeskunde. Wij onderzochten hoe groot de belangstelling voor het beroep van huisarts bij studenten geneeskunde en recent afgestudeerden is en of er een verschil is tussen eerstejaars- en ouderejaarsstudenten en tussen vrouwelijke en mannelijke studenten, respectievelijk recent afgestudeerden. Methode Schriftelijk vragenlijstonderzoek onder alle geneeskundestudenten en recent afgestudeerden aan het VU medisch centrum en het UMC Utrecht in 2002. Resultaten Twaalf procent van de studenten in het eerste studiejaar gaf aan graag huisarts te willen worden. Dit percentage nam toe tot 19% rond het artsexamen. Vrouwen hadden meer belangstelling voor het beroep van huisarts dan mannen. Van de recent afgestudeerden was 13% werkzaam in de huisartsgeneeskunde; 23% van de afgestudeerden wilde dat over 5 jaar zijn, relatief meer vrouwen dan mannen. Er lijkt geen verschil tussen Utrechtse en Amsterdamse studenten en afgestudeerden te zijn in dit opzicht. Beschouwing Gedurende de studie geneeskunde lijkt er een toename aan belangstelling voor de huisartsgeneeskunde op te treden, met name onder vrouwelijke studenten. Van de recent afgestudeerden die rond hun afstuderen zeggen huisarts te willen worden is de helft inderdaad in het vak terechtgekomen.

Wat is bekend?

  • De komende jaren wordt een tekort aan huisartsen verwacht.

Wat is nieuw?

  • Aan het eind van de basisopleiding is de belangstelling voor huisartsgeneeskunde groter dan aan het begin.
  • Toenemende belangstelling voor huisartsgeneeskunde bestaat met name onder vrouwelijke geneeskunde studenten en recent afgestudeerden.

Inleiding

In de komende jaren verwacht het Capaciteitsorgaan een groeiend tekort aan huisartsen. 12 De toenemende behoefte aan huisartsen zal waarschijnlijk geen gelijke tred houden met het aantal afgestudeerde artsen dat voor de huisartsopleiding kiest. Nu al slagen de opleidingen er maar met moeite in om de vergrote opleidingscapaciteit te vullen. 3 De discrepantie tussen vraag en aanbod in de opleiding is bij de huisartsgeneeskunde groter dan bij vrijwel alle andere medische vervolgopleidingen. De verklaringen voor dit verschijnsel lopen uiteen. 45 Daarom is het nuttig na te gaan hoe de belangstelling voor de huisartsgeneeskunde zich in de loop van de medische studie ontwikkelt en welke factoren daarop van invloed zijn. Sinds 2002 wordt in het VU medisch centrum (VUmc) en het universitair medisch centrum Utrecht (UMCU) onderzoek gedaan naar determinanten van de studieloopbaan van studenten en recent afgestudeerden, met een accent op beroepskeuze. De verzamelde gegevens lenen zich goed voor een kwantitatieve analyse van de belangstelling van de medische studenten en recent afgestudeerden voor de huisartsgeneeskunde, met de volgende vraagstellingen:

  • Hoe groot is de belangstelling voor het beroep van huisarts bij studenten geneeskunde en recent afgestudeerden?
  • Is er een verschil in belangstelling tussen eerste- en ouderejaarsstudenten en recent afgestudeerden en spelen sekseverschillen hierin een rol?

Methode

In het studiejaar 2002-03 ontvingen alle studenten van het VUmc en UMCU een vragenlijst over beroepsvoorkeuren, beroepskenmerken en biografische achtergronden. De vragenlijst werd in de eerste vier studiejaren op een vast moment afgenomen (cohort 1-4), en in de laatste studiejaren in de loop van het studiejaar: kort voorafgaand (cohort 5), halverwege (cohort 6) en aan het eind van de co-assistentschappen (cohort 7). De studenten ontvingen de vragenlijst in een werkgroep of tijdens een vaardigheidstraining en vulden deze ter plekke in. De studenten van cohort 6 kregen de vragenlijst inclusief antwoordenvelop per post toegestuurd. In november 2002 ontvingen alle artsen die de opleiding geneeskunde aan het VUmc of UMCU tussen 1 juli 1999 en 1 juli 2002 hadden voltooid de vragenlijst inclusief antwoordenvelop per post. Adresgegevens uit het BIG-register werden hiervoor gematcht met namen van recent afgestudeerden. Aan studenten werd gevraagd van 37 medisch-specialistische beroepen op een 5-punts Likertschaal (1=absoluut niet, 2=liever niet, 3=geen mening, 4=ik denk erover en 5=graag) per beroep aan te geven of men dit zou willen uitoefenen. De recent afgestudeerden werd dezelfde lijst voorgelegd en tevens gevraagd aan te geven in welk beroep zij werkzaam waren, wat hun eerste voorkeur was bij het artsexamen en wat hun beroepswens was voor over 5 jaar. We toetsten verschillen met de chi-kwadraattoets.

Resultaten

In totaal ontvingen 2928 studenten de vragenlijst, waarvan er 2196 (75%) werden geretourneerd. Van de 1101 aangeschreven afgestudeerden retourneerden 767 (70%) de vragenlijst na drie herinneringen. De respons onder studenten verschilde per universiteit (VUmc 93%, UMCU 57%). Het verschil in respons ontstond met name doordat de UMCU-studenten de vragenlijst niet direct bij de werkgroepsbegeleider hoefden in te leveren. Daarnaast vergat de werkgroepsbegeleider een enkele keer de vragenlijst uit te reiken. De geslachtsverdeling onder de respondenten van de beide universiteiten kwam grotendeels overeen (66% vrouwen en 34% mannen) en was conform de totale populatie geneeskundestudenten. Bij recent afgestudeerden waren de vrouwelijke respondenten (64%) iets oververtegenwoordigd vergeleken met de totale populatie recent afgestudeerde artsen (54% vrouw en 46% man).

Tabel 1 laat zien dat 12,5% van de geneeskundestudenten aangaf graag huisarts te willen worden (9,3% van de mannen en 14,2% van de vrouwen). Tussen de twee universiteiten werden geen verschillen waargenomen. Het aantal studenten dat antwoordde met ‘graag’ of ‘denk erover’ nam significant toe (pfiguur). Ook waren ouderejaarsstudenten gerichter in hun voorkeur. Eerstejaars die graag huisarts wilden worden, noemden gemiddeld twee andere alternatieven, terwijl laatstejaars gemiddeld één alternatief specialisme noemden.

Tabel 2Het percentage studenten dat ‘graag’ of ‘denk erover’ heeft ingevuld voor het beroep van huisarts, respectievelijk gemiddeld o
Huisartsgeneeskunde'graag’ of ‘denk erover’Alle 37 specialismen'graag’ of ‘denk erover’
Allen52,321,4
Man44,022,7
Vrouw56,820,8
1e (n=488)50,123,8
2e (n=370)47,822,4
3e (n=400)50,922,7
4e (n=265)51,319,9
5e (n=250)51,820,8
6e (n=238)62,218,9
7e (n=185)62,517,2

Recent afgestudeerde artsen

Tabel 3 laat zien dat 20% van de totale groep vrouwelijke recent afgestudeerden ten tijde van het artsexamen, huisartsgeneeskunde als het beroep van eerste voorkeur had en dat dit toenam tot 27% als beroepswens over 5 jaar. Bij de mannelijke recent afgestudeerden nam het percentage dat de huisartsgeneeskunde als eerste voorkeur had toe van 9,3% naar 15%. Het bleek geen verschil uit te maken aan welke universiteit men gestudeerd had. Van de meest recent afgestudeerden werkte 16,5% in de huisartsgeneeskunde en van de sinds 2 en 3 jaar afgestudeerden was dit 15,3% respectievelijk 5,9% (merendeels in opleiding tot huisarts). Van de 114 recent afgestudeerden, die ten tijde van het artsexamen huisartsgeneeskunde als eerste voorkeur had, was ruim de helft ten tijde van de enquêtering werkzaam in de huisartsgeneeskunde ( tabel 4). Het overgrote deel van deze artsen wilde over 5 jaar nog steeds als huisarts werkzaam zijn. Per jaar van afstuderen werden geen verschillen gevonden tussen de universiteit en de voorkeur ten tijde van het artsexamen en over vijf jaar. Er werd ook geen verband gevonden tussen de proportie recent afgestudeerden die daadwerkelijk werkzaam waren in de huisartsgeneeskunde en de universiteit waaraan zij gestudeerd hadden, uitgesplitst naar jaar van afstuderen.

Tabel 3Beroep en voorkeuren van recent afgestudeerden voor het beroep van huisarts (n=767)
1e voorkeur ten tijde van artsexamen voor huisartsgeneeskunde Thans werkzaam in huisartsgeneeskunde 1e voorkeur over 5 jaar voor huisartsgeneeskunde
n%n%n%
Allen11416,29112,716023,0
Man239,3 2710,53715,0
Vrouw9120,06413,912327,0
4016,74116,5 5121,0
3013,23615,34821,1
4418,3145,96126,0
* chi-kwadraattoets: verband tussen geslacht en voorkeur, p=0,001 † chi-kwadraattoets: verband tussen jaren na afstuderen en thans werkzaam, p=0,001
Tabel 4Beroep en wensen van recent afgestudeerden met een eerste voorkeur voor huisartsgeneeskunde naar geslacht en aantal jaren dat
1e voorkeur ten tijde van artsexamen voor huisartsgeneeskundeThans werkzaam in huisartsgeneeskunde*1e voorkeur voor huisartsgeneeskunde over 5 jaar †
n%n%n%
Allen11410056509486,2
manvrouwmanvrouwmanvrouw
n%n%n%n%n%n%
Aantal jaren afgestudeerd:
8100,032100,0675,02062,5675,02580,0
7100,023100,0571,41565,27100,01990,5
8100,036100,0562,5514,77100,03186,1
* Van 2 vrouwen ontbreken de gegevens over waar ze thans werkzaam zijn. † Van 1 man en 4 vrouwen ontbreken de gegevens over hun voorkeur voor over 5 jaar.

Beschouwing

Tijdens het eerste studiejaar wilde 12% van de studenten graag huisarts worden. In de latere studiejaren wilde 19% dat. Vrouwen hebben meer belangstelling voor het beroep van huisarts dan mannen en ook bij hen kiezen in latere studiejaren er meer voor de huisartsgeneeskunde. Van de recent afgestudeerden werkte in 2003 13% als huisarts of was in opleiding tot huisarts. Bijna een kwart wilde over 5 jaar als huisarts werkzaam zijn. Van de recent afgestudeerden die rond hun afstuderen zeiden huisarts te willen worden, was de helft – ten tijde van de enquêtering – inderdaad in het vak terechtgekomen. Dit percentage is hoger voor de meest recent afgestudeerden; mogelijk dat de verruimde opleidingscapaciteit voor huisartsen hier een rol in heeft gespeeld. In de loop van de studie lijkt de belangstelling voor het beroep van huisarts dus toe te nemen. Het gaat hier echter om uitkomsten van een dwarsdoorsnedenonderzoek. Nader longitudinaal (cohort)onderzoek zal moeten uitwijzen of dit een echte toename van belangstelling blijkt te zijn. Studenten hebben niet alleen hun eerste voorkeur voor de huisartsgeneeskunde, maar ook hun mening over 36 andere specialismen gegeven. Het wel of niet graag willen uitoefenen van een specifiek beroep moet dan ook in deze context geïnterpreteerd te worden. De voorkeurspercentages van studenten komen overeen met cijfers van het Capaciteitsorgaan. 4 Uit Gronings en Leids onderzoek blijkt eveneens dat een aanzienlijk deel van de afgestudeerden in de huisartsgeneeskunde werkzaam is. 56 Brits onderzoek onder recent afgestudeerden laat zien dat ook hier de belangstelling voor huisartsgeneeskunde toeneemt. 8 In de Verenigde Staten neemt de belangstelling voor huisartsgeneeskunde juist af onder recent afgestudeerden. 9 Vooralsnog lijkt het erop dat studenten meer belangstelling voor de huisartsgeneeskunde gaan krijgen naarmate het moment van de feitelijke beroepskeuze nadert en dat de sombere geluiden over de dalende belangstelling voor de huisartsgeneeskunde van het KNMG-studentenplatform (11%) niet de werkelijke situatie weerspiegelen. 7 Tussen de twee onderzochte universiteiten bestaan er nauwelijks verschillen in de voorkeur van studenten voor het beroep van huisarts, zodat de gevonden resultaten grotendeels universiteitonafhankelijk lijken te zijn. De repons van studenten was in Utrecht lager dan Amsterdam en dit kan de resultaten vertekend hebben. Vertekening is echter niet erg waarschijnlijk, mede omdat de belangrijkste verschillen in voorkeur met name gevonden werden tussen de geslachten terwijl de sekseverdeling aan beide universiteiten gelijk was. Wij verwachten dan ook dat vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd op andere Nederlandse medische faculteiten overeenkomstige resultaten te zien zal geven.

Literatuur

Reacties

Er zijn nog geen reacties