Wetenschap

Een prik in de bil bij knieartrose

Knieartrose is de meest voorkomende vorm van artrose. Intra-articulaire injecties met corticosteroïden zijn een veel toegepaste behandeling als orale pijnstilling en oefentherapie onvoldoende werken. Een deel van de huisartsen voelt zich echter onvoldoende bekwaam om deze intra-articulaire injecties uit te voeren. Uit dit onderzoek met 145 deelnemers blijkt dat intramusculaire corticosteroïdinjecties een gelijkwaardig alternatief zijn.
10 reacties
Corticosteroïdinjecties
Intramusculaire corticosteroïdinjecties zijn een gelijkwaardig alternatief voor intra-articulaire injecties.

Wat is bekend?

  • Volgens de NHG-Standaard Niet-traumatische knieklachten zijn corticosteroïdinjecties een optie als de pijn tussentijds verergert of orale analgetica onvoldoende effect hebben.

  • Intra-articulaire corticosteroïdinjecties zijn niet helemaal zonder risico en niet alle huisartsen voelen zich voldoende bekwaam om ze uit te voeren.

Wat is nieuw?

  • Intramusculaire corticosteroïdinjecties zijn een gelijkwaardig alternatief voor intra-articulaire injecties: ook zij geven een klinisch relevante verbetering.

  • Intramusculaire injecties bereiken hun piekeffect later en intra-articulaire injecties geven daarom de eerste 2–4 weken misschien iets meer verlichting, maar na 24 weken is er geen verschil meer.

  • De meeste patiënten prefereren een intramusculaire boven een intra-articulaire injectie.

Knieartrose is een veelvoorkomende aandoening die in Nederland tot veel invaliditeit leidt, met een jaarprevalentie van 42,7 per 1000 inwoners en 40.900 nieuwe gevallen in 2020. 1 , 2 Naast uitleg over de aandoening, voldoende lichamelijke activiteit, oefentherapie en gewichtsreductie, is pijnstilling onderdeel van de standaardbehandeling door huisartsen. De NHG-Standaard Pijn adviseert corticosteroïdinjecties te overwegen indien orale analgetica onvoldoende helpen of als de pijn tussentijds verergert. 3 Het gangbaarst zijn intra-articulaire corticosteroïdinjecties, 35 maar deze zijn niet zonder risico want ze kunnen leiden tot extra kraakbeenverlies of tot een infectie, al gebeurt dat laatste zeer zelden (1:3000–50.000). 6 , 7 Een ander bezwaar is dat veel huisartsen zich onvoldoende bekwaam voelen om intra-articulaire injecties uit te voeren. 8 , 9 Intramusculaire corticosteroïdinjecties vormen mogelijk een alternatief. Die zijn gemakkelijker te plaatsen en geven minder risico op complicaties. Bij patiënten met heupartrose is aangetoond dat intramusculaire corticosteroïdinjecties zorgen voor een klinisch relevant verschil in pijn ten opzichte van placebo. 10 Ons onderzoek had tot doel de non-inferioriteit aan te tonen van intramusculaire corticosteroïdinjecties ten opzichte van intra-articulaire corticosteroïdinjecties voor wat betreft pijnuitkomsten bij patiënten met knieartrose in de huisartsenpraktijk. Onze hypothese was dat de uitkomsten vergelijkbaar zouden zijn.

Methode

Deelnemers

De inclusie vond plaats in 80 huisartsenpraktijken in Zuidwest-Nederland. Inclusiecriteria waren leeftijd ≥ 45 jaar, in de afgelopen 5 jaar ≥ 1 consult voor knieklachten gehad, symptomatische knieartrose in de afgelopen 3 maanden en in de week voor inclusie minimaal milde klachten (pijn ≥ 3 op een schaal van 0–10). De behandelend huisarts bepaalde of er een indicatie was voor een corticosteroïdinjectie. Exclusiecriteria waren onder andere het gebruik van orale corticosteroïden of een intra-articulaire injectie in de afgelopen 6 maanden. 11 De medisch-ethische commissie van het Erasmus MC verleende toestemming voor dit onderzoek (MEC 2017–563).

Interventie

We randomiseerden de deelnemers over 2 groepen [infographic]. Deelnemers in de inverventiegroep ontvingen een intramusculaire injectie in de ipsilaterale bil met triamcinolonacetonide 40 mg. Deelnemers in de controlearm ontvingen een standaard intra-articulaire injectie in de indexknie met triamcinolonacetonide 40 mg. De injecties werden uitgevoerd door de eigen huisarts, zonder lokaal anestheticum. Vooraf werd de huisartsen een training aangeboden door een orthopedisch chirurg in het toedienen van intra-articulaire injecties. De data-analyse werd geblindeerd uitgevoerd.

Infographic

Infographic
© Leon Morselt

Uitkomsten

We bepaalden 2, 4 (primaire uitkomstmaat), 8, 12 en 24 weken na de injectie de pijnscore op de Knee injury and Osteoarthritis Outcome Score (KOOS) (schaalbereik 0–100; 0 is extreme pijn). Een verschil van 10 wordt gezien als klinisch relevant; 12 een verschil ≤ 7 beschouwden we als non-inferioriteit. Bijwerkingen maten we tot 2 weken na de injectie.

Resultaten

Deelnemers

Tussen maart 2018 en februari 2020 meldden de deelnemende huisartsenpraktijken 267 patiënten aan, van wie er 145 werden geïncludeerd. De voornaamste redenen voor exclusie waren een te lage pijnscore (n = 43) en het ontbreken van informed consent (n = 47). De gemiddelde leeftijd van de deelnemers was 67 jaar (SD 10) en 94 deelnemers (65%) waren vrouw. We randomiseerden 74 deelnemers naar de intramusculaire groep en 71 naar de intra-articulaire groep. Opvallend was dat meer deelnemers bij de inclusie aangaven dat ze liever een intramusculaire dan een intra-articulaire injectie zouden krijgen dan andersom (47 vs. 19%). Er waren verder geen significante verschillen in patiëntkenmerken bij aanvang (zie ons originele artikel). 11

Uitkomsten

De primaire uitkomstmaat, non-inferioriteit qua pijnscore na 4 weken van de intramusculaire injectie, kon niet worden aangetoond. Het geschatte gemiddelde verschil in KOOS-pijnscore tussen de 2 groepen was op dat moment –3,4 (95%-BI –10,1 tot 3,3) en de ondergrens van het betrouwbaarheidsinterval lag voorbij de non-inferioriteitsmarge. In beide groepen verbeterde de KOOS-pijnscore gedurende de hele follow-upperiode van 24 weken; de grootste verbetering in pijnscore trad op na 8 weken voor de intramusculaire groep en na 4 weken voor de intra-articulaire groep. Beide groepen toonden klinisch relevante verbeteringen ten opzichte van baseline tot 12 weken na de injectie. Er was geen statistisch significant noch klinisch relevant verschil tussen de 2 groepen in KOOS-pijnscore gedurende de follow-up. Intramusculaire injectie was non-inferieur tot intra-articulaire injectie op 8 en 24 weken na de injectie [infographic]. In beide groepen trad over de gehele onderzoeksperiode een significante verbetering op van gewrichtsklachten, functie, stijfheid, sportniveau en kwaliteit van leven. Zie voor een uitgebreide weergave van de resultaten het originele artikel. 11

Bijwerkingen en co-interventies

In de eerste 2 weken na de injectie rapporteerden 24 deelnemers (33%) van de intramusculaire groep en 28 deelnemers (42%) in de intra-articulaire groep bijwerkingen. De meest gemelde bijwerkingen waren opvliegers (intramusculair 10% versus intra-articulair 21%) en hoofdpijn (intramusculair 14% versus intra-articulair 18%). Alle bijwerkingen werden geclassificeerd als niet-ernstig [infographic]. In beide groepen rapporteerden de deelnemers 4 weken na de injecties dat ze minder orale analgetica gebruikten (intramusculair 13% versus intra-articulair 11%). Gedurende de 24 weken follow-up kregen 4 deelnemers (6%) in de intramusculaire groep en 9 deelnemers (14%) in de intra-articulaire groep een additionele intra-articulaire corticosteroïdinjectie. In de intra-articulaire groep kregen 4 deelnemers deze additionele injectie in de eerste 8 weken, versus 0 in de intramusculaire groep.

Beschouwing

We kunnen niet uitsluiten dat bij een deel van de patiënten een intramusculaire injectie na 4 weken minder pijnstilling geeft dan een intra-articulaire injectie, en dat dit verschil klinisch relevant is. Onze primaire uitkomstmaat is dus niet aangetoond, maar non-inferioriteit van intramusculaire ten opzichte van intra-articulaire injecties op het gebied van pijnvermindering na 8 en na 24 weken is wél aangetoond. Een deel van de verklaring is dat intra-articulaire injecties hun piek­effect na 4 weken bereikten en intramusculaire injecties pas na 8 weken. Beide leidden in de eerste 12 weken na de injectie tot een klinisch relevante verbetering van de pijn. De intra-articulaire injecties hadden iets meer bijwerkingen, hoewel geen hiervan ernstig waren.

Dit is het eerste onderzoek naar de effectiviteit van intramusculaire versus intra-articulaire corticosteroïdinjecties als pijnbestrijding bij knieartrose. In eerder onderzoek is de effectiviteit van intramusculaire injecties als pijnbestrijding bij heupartrose aangetoond ten opzichte van placebo. 10 Wij zagen in beide onderzoeksgroepen een verbetering van de pijnklachten ten opzichte van de aanvangsmeting, al verbeterde de pijn na een intra-articulaire injectie sneller (piek na 2–4 weken) dan na een intramusculaire injectie (piek na 8 weken). De pijnverlichting in onze intra-articulaire groep was vergelijkbaar met de pijnverlichting door intra-articulaire injecties in andere onderzoeken. 13 , 14

Sterke punten en beperkingen

Een beperking van ons onderzoek was dat het niet mogelijk was om artsen en deelnemers te blinderen. Bovendien hebben we geen placebogroep ingezet. In beide onderzoeksgroepen kan de pijnverlichting voor een deel dus een gevolg zijn van het placebo-effect.

Sterke punten zijn het behalen van volledige inclusie volgens de sample-sizeberekening en de lage uitval. De multicentrische opzet van het onderzoek vergroot de generaliseerbaarheid. De onderzoekspopulatie was een representatieve afspiegeling van patiënten met knieartrose in de huisartsenpraktijk.

Implicaties voor de praktijk

Huisartsen kunnen zowel intramusculaire als intra-articulaire injectie met een corticosteroïd overwegen wanneer patiënten met knieartrose tussentijds ergere pijn krijgen of onvoldoende baat hebben bij orale pijnstillers. Bij sommige patiënten zal een intramusculaire injectie 2, 4 en 12 weken na de injectie misschien minder effect hebben dan een intra-articulaire injectie. Bij de keus moet echter ook rekening gehouden worden met de bijwerkingen, de voorkeur van de patiënt en de vaardigheden van de clinicus. Bespreek met de patiënt dat zowel intramusculaire als intra-articulaire injecties binnen 12 weken een klinisch relevante verbetering geven, maar dat dat effect na een intramusculaire injectie wat later optreedt. Intramusculaire injecties zijn een veilig alternatief voor intra-articulaire injecties; in geen van beide onderzoeksgroepen traden ernstige bijwerkingen op. Kortom: intramusculaire injectie met corticosteroïden is een gelijkwaardige optie als aanvullende pijnstilling bij patiënten met knieartrose nodig is.

Wang Q, Van Berkel M, Tameeris-Kooiman E, Runhaar J. Een prik in de bil bij knieartrose. Huisarts Wet 2022;65:DOI:10.1007/s12445-022-2118-2.
Dit artikel is een praktijkgerichte bewerking van Wang Q, Mol MF, Bos PK, Dorleijn DM, Vis M, Gussekloo J, Bindels PJ, Runhaar J, Bierma-Zeinstra SM. Effect of intramuscular vs intra-articular glucocorticoid injection on pain among adults with knee osteoarthritis: The KIS randomized clinical trial. JAMA Netw Open 2022;5:e224852. Publicatie gebeurt met toestemming.
Mogelijke belangenverstrengeling: niets aangegeven.

Literatuur

Reacties (10)

Bauke Smit 29 november 2022

Elke huisarts moet toch een ia (knie) injectie of punctie kunnen uitvoeren.

anders op cursus!

Annet Sollie 23 januari 2023

Reactie geplaatst namens de auteurs

In theorie zou men misschien verwachten dat alle huisartsen bekwaam zijn in het toedienen van een intra-articulaire injectie in de knie. Echter bleek in een recentelijk studie onder Nederlands huisartsen dat een aanzienlijk deel zich onvoldoende bekwaam acht en daarom vele patiënten door stuurt naar collega huisartsen of naar de 2e-lijn. Zie Spruit et al. 29 maart 2021 (https://www.henw.org/artikelen/musculoskeletale-injecties-een-pijnpunt).

Jos Runhaar

Tijn van Winden 29 november 2022

Als we bedenken dat een gangbare frequentie voor intra-articulaire corticosteroidinjecties bij artrose zo eens per half jaar (ongeveer 24 weken) is, omdat er dan een optimale balans is tussen de maximale werkingsduur van kenacort/triamcinolon, en minimale bijwerkingen/wearing off, is de vraag wat het zegt dat er na 24 weken geen verschil wordt gevonden.

De Richlijnendatabase[1] adviseert qua frequentie zelfs maximaal eens per 3-4 maanden, over langere intervallen wordt niet gesproken. Is het dan een zinnige uitkomstmaat om te meten na 24 weken? Hoe is dit tot stand gekomen? Zijn patiënten er blij mee om pas na 24 weken een gelijkwaarige behandeling van hun klachten te mogen ervaren?

Lijkt me wel wat af te dingen op de conclusie dat er geen verschil is tussen een IM-injectie en een IA-injectie, omdat er na 24 weken - op het moment dat de IA-injectie mogelijk al helemaal niet meer werkt - geen verschil is waar te nemen. En de patiënt kan een half jaar wachten op (geen) effect van de prik? Hoe zit dit?

 

[1] https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/artrose_in_heup_of_knie/behand…

Annet Sollie 23 januari 2023

Reactie geplaatst namens de auteurs

Er is op 2 weken, 4 weken, 8 weken, 12 weken en 24 weken na de injectie gekeken naar de effecten van beide behandelingen. Conclusies op basis van deze herhaalde pijnmetingen waren: 1) binnen de groepen wordt er tot 12 weken na de injectie een klinisch relevante verbetering van de klachten waargenomen, 2) na 2, 4 en 12 weken zou de ia behandeling een klinisch relevant  beter effect kunnen hebben ten opzichte van de im behandeling, 3) na 8 en 24 weken is de im behandeling niet minder goed dan de ia behandeling. Hiermee is de conclusie dat ‘er na 24 weken … geen verschil is waar te nemen’ niet onjuist, maar wel een weergave van slechts een deel van de resultaten van deze studie.

Jos Runhaar

Schellens 29 november 2022

De tekst onder "Bijwerkingen en co-interventies" klopt niet met de cijfers in de infographic. De intra articulaire en de intra musculaire getallen zijn verwisseld. Wat is juist? Ik kan me voorstellen dat de algemene bijwerkingen (hoofdpijn en opvliegers) meer gemeld worden bij IM dan bij IA injectie.

j.mulder 10 januari 2023

Een juiste constatering. We hebben de infographic aangepast, de juiste versie staat online.

Annet Sollie 23 januari 2023

Reactie geplaatst namens de auteurs

De getallen in de tekst kloppen wel degelijk. Gedurende de eerste twee weken na de injectie rapporteerden 24 deelnemers (33%) van de IM-groep en 28 deelnemers (42%) in de IA-groep bijwerkingen. De meest gemelde bijwerkingen waren opvliegers (IM-groep, 10% vs. IA-groep, 21%) en hoofdpijn (IM-groep, 14% vs. IA-groep, 18%). Meer bijwerkingen in de IA-groep dus.

Jos Runhaar

Erik Pieper 29 november 2022

Nou, aangezien de huisarts vaak vitamine B12 injecties delegeert aan de wijkverpleging kunnen wij de orthopeed adviseren dat hij dit delegeert aan de wijkverpleging; dan kunnen wij huisartsgeneeskunde beoefenen, genoeg te doen.

Huib Franssen 29 november 2022

Kan je het dan niet net zo goed oraal geven?

Annet Sollie 23 januari 2023

Reactie namens de auteurs

Goede vraag, echter zijn ons de studies die dit onderzoeken onbekend.

Jos Runhaar

Verder lezen