Wetenschap

Interview met

Gepubliceerd
10 januari 2001

Samenvatting

Al jarenlang draagt Wim Fraanje (54) de spoedeisende hulpverlening een warm hart toe. Sinds 1971 praktiseert hij fulltime in het Zeeuwse dorp Zaamslag. ‘Dwars door ons dorp loopt een provinciale weg waar vooral vroeger veel ongelukken gebeurden. En nog steeds ligt hier het ongevalspercentage vier keer hoger dan elders. Ik besefte in de jaren zeventig dat ik niet geschoold was om “prehospitaal” spoedeisende hulp te kunnen verlenen. Daar heb ik iets aan gedaan.’ Fraanje was lid van de Wetenschappelijke Programma Commissie (WPC) van het congres.

Wat maakt die spoedeisende hulpverlening eigenlijk zo leuk?

‘Ik heb veel belangstelling voor de exacte kant van de geneeskunde. Fysiologie en pathofysiologie gaan bij de acute geneeskunde hand in hand met logica en rationeel handelen, ondersteund door een goede organisatie en logistiek. Onderzoek en behandeling wisselen elkaar snel af en lopen door elkaar heen. De pathofysiologie stelt tijdslimieten en het toestandsbeeld kan onder je vingers veranderen. Het handelen vereist, kortom, specifieke kennis en vaardigheden.’

Ben je daarom zo actief geweest op dit vlak?

‘Ik heb op dit terrein eigenlijk een soort groeiproces doorgemaakt. Omdat ik destijds ging samenwerken met de lokale brandweer en ambulancedienst, werd ik in 1979 al gevraagd als medisch adviseur/leider van de Centrale Post Ambulancevervoer in Zeeuws-Vlaanderen, en later zelfs in heel Zeeland. Ik hield me bezig met onderwijs aan ambulanceverpleegkundigen en ontwikkelde voor hen cursussen. Nog voor er sprake was van landelijke protocollen, konden wij de protocollering van de ambulancehulpverlening al invoeren. De laatste jaren hield ik me bezig met het ontwikkelen en geven van nascholingscursussen voor huisartsen. En ik zat en zit in diverse commissies.’

Je klopte al eerder aan bij het NHG?

‘Een aantal jaren geleden deed ik inderdaad al eens een poging om aandacht te vragen voor de stiefmoederlijke behandeling van de spoedeisende hulpverlening door de huisarts. Ik werd heus heel vriendelijk ontvangen, maar toch weggestuurd met de mededeling dat het onderwerp niet hoog op het prioriteitenlijstje van het NHG stond. Ik moet zeggen dat ik het niet meer had verwacht toen Paul Giesen me vroeg voor de WPC. De tijden zijn kennelijk veranderd.’

Waardoor zijn die veranderingen ontstaan?

‘De nieuwe generaties huisartsen hebben tijdens de driejarige opleiding veelal gewerkt op een afdeling Spoedeisende Hulp van een ziekenhuis, waardoor ze meer vaardigheden op dat gebied hebben kunnen ontwikkelen. Bovendien is de komst van grote dienstenstructuren in met name de grote steden van invloed. De incidentie van echte spoedgevallen is in dergelijke diensten veel groter, en veel huisartsen moesten erkennen dat zij hiervoor onvoldoende waren toegerust. Voor een deel zijn de ontwikkelingen in de emergency medicine de laatste tien jaar aan de huisarts voorbijgegaan, maar de afdelingen Spoedeisende Hulp en de ambulancehulpverlening zijn volop in beweging. Onze positie van poortwachter op dit gebied is daardoor verzwakt geraakt.’

Hoe kunnen we die positie weer herstellen?

‘Er zou onderzoek moeten komen naar de organisatie en logistiek van diensten. Ook moeten er specifieke richtlijnen komen en moeten nieuwe ontwikkelingen worden toegepast. En tot slot moet het transmuraal denken en transmurale samenwerking worden gestimuleerd. We moeten op zoek naar de kracht van de huisarts, niet uitgaande van de historische positie, maar van de zaken waar de huisarts ‘goed in is’ of misschien zelfs beter dan anderen. Beleid en gerichte scholing van de beroepsgroep zijn voorwaarden om op dit gebied te overleven.’

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen