NHG richtlijn

NHG-Standaard Slechthorendheid (tweede herziening)

0 reacties
Gepubliceerd
4 juni 2014

Samenvatting

NHG Guideline hearing loss

The NHG Guideline Hearing loss provides advice about the diagnosis and management of hearing loss in general practice. Huisarts Wet 2014;57(6):302-12.
Hearing loss is defined as a diminished ability to hear sounds and/or to understand speech. Its management depends on the problems and the limitations in quality of life experienced by affected individuals.
Hearing loss can be a consequence of an impaired conduction or perception of sounds and may be unilateral or bilateral. Conduction impairments are caused by abnormalities of the ear canal, tympanic membrane, or middle ear. Conductive hearing loss often has a favourable course or can be treated. The most common causes are cerumen impaction, with ear wax blocking the ear canal, acute otitis media, and otitis media with effusion. Progressive conductive hearing loss may be due to otosclerosis, cholesteatoma, or trauma with perforation of the tympanic membrane. Perceptive, or sensorineural, hearing loss is caused by disorders of the cochlea, cochlear nerve, or central auditory system and is usually irreversible. It is often accompanied by recruitment and distortion of sound. The causes are age dependent. The most common cause is presbycusis, but other causes include exposure to loud noise (acoustic trauma) and much less commonly Ménière’s disease, ototoxic medicines, acoustic neuroma, and genetic abnormalities. Sudden deafness can also give rise to perceptive hearing loss, but this is rare.
If hearing loss is suspected, the general practitioner should ask the patient about symptoms and risk factors, and pay attention to the perceived burden and consequences for the patient’s personal and social life. Both ears should be examined. If there are no signs of disorders that can explain the hearing loss, supplementary investigations should be carried out. Children younger than 4 years should be referred for these investigations to an audiology centre and children aged 4–6 years to an audiology centre or ear-nose-throat (ENT) doctor. General practitioners can perform audiometric testing in patients older than 6 years. The audiogram is abnormal if there is an average hearing loss of 30 dB at 1000, 2000, and 4000 Hz (high Fletcher index). Tests with tuning forks can be carried out to distinguish between conductive and perceptive hearing loss.
The general practitioner has an important role in providing information about the suspected cause and course of the hearing loss. Cerumen can be removed by the general practitioner, but patients should be referred to an ENT doctor, audiology centre, or a hearing care professional for other treatments, such as surgery or hearing rehabilitation. If hearing loss is caused by exposure to loud noise, then it is important to limit further damage by taking noise protection measures and by referring the patient to the occupational physician.
Patients should be referred urgently to an ENT doctor in the case of acute hearing loss, perforation of the tympanic membrane due to penetrating injury, extensive perforation of the tympanic membrane (= 50%), or perceptive hearing loss. In addition, referral to an ENT doctor should be considered in the case of hearing loss for longer than 3 months suspected to be caused by ototoxic medication, Ménière’s disease, otosclerosis, cholesteatoma, or acoustic neuroma. Referral should also be considered in the case of barotrauma with conduction loss persisting for more than 2 days or perforated tympanic membrane lasting 3 months or longer.
Referral to an audiology centre should be considered for children up to 6 years of age if the suspected hearing loss cannot be ascribed to otitis media with effusion or if they also have language/speech problems, and for children up to 18 years of age suspected of having perceptive hearing loss or long-lasting conductive hearing loss. Referral should also be considered for those patients who have problems with accepting their hearing loss or hearing aid or who experience communication problems at school or work or in psychosocial functioning despite using a hearing aid or other device. Patients with multiple disabilities or severe hearing loss (> 70 dB hearing loss at 1000, 2000, and 4000 Hz in the best ear) are also eligible for referral. In most places, a hearing aid specialist can fit patients older than 67 years suspected of presbycusis with a hearing aid without prior referral to an ENT doctor. Occupational physicians should be alerted if the hearing loss is thought to be noise induced.

Inbreng van de patiënt

De NHG-Standaarden geven richtlijnen voor het handelen van de huisarts; de rol van de huisarts staat dan ook centraal. Daarbij geldt echter altijd dat factoren van de kant van de patiënt het beleid mede bepalen. Om praktische redenen komt dit uitgangspunt niet telkens opnieuw in de richtlijn aan de orde, maar wordt het hier expliciet vermeld. De huisarts stelt waar mogelijk zijn beleid vast in samenspraak met de patiënt en diens omgeving, met inachtneming van diens specifieke omstandigheden en met erkenning van diens eigen verantwoordelijkheid, waarbij adequate voorlichting een voorwaarde is.

Afweging door de huisarts

Het persoonlijk inzicht van de huisarts is uiteraard bij alle richtlijnen een belangrijk aspect. Afweging van de relevante factoren in de concrete situatie zal beredeneerd afwijken van het hierna beschreven beleid kunnen rechtvaardigen. Dat laat onverlet dat deze standaard bedoeld is om te fungeren als maat en houvast.

Delegeren van taken

NHG-Standaarden bevatten richtlijnen voor huisartsen. Dit betekent niet dat de huisarts alle genoemde taken persoonlijk moet verrichten. Sommige taken kunnen worden gedelegeerd aan de praktijkassistente, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige, mits zij worden ondersteund door duidelijke werkafspraken waarin wordt vastgelegd in welke situaties de huisarts moet worden geraadpleegd en mits de huisarts toeziet op de kwaliteit. Omdat de feitelijke keuze van de te delegeren taken sterk afhankelijk is van de lokale situatie, bevatten de standaarden daarvoor geen concrete aanbevelingen.

Belangrijkste wijzigingen

  • Er wordt meer aandacht gegeven aan signalen van slechthorendheid en aan de gevolgen van slechthorendheid voor werk, school en psychosociaal functioneren.
  • Stemvorkproeven hebben een plaats gekregen bij de diagnostiek van slechthorendheid.
  • Instructies over het uitspuiten van oren bij overmatig cerumen zijn toegevoegd.
  • Informatie over hoortoestellen en hoorhulpmiddelen is toegevoegd.
  • Samenwerkingsafspraken met kno-artsen en audiologische centra zijn opgenomen in de standaard.

Kernboodschappen

  • De huisarts dient zich actief op te stellen bij signalen die op slechthorendheid kunnen wijzen.
  • De huisarts vraagt actief naar de gevolgen van de slechthorendheid voor werk, school en psychosociaal functioneren.
  • Om het gehoorverlies te objectiveren heeft audiometrie de voorkeur boven de fluisterspraaktest.
  • De huisarts vraagt patiënten die een hoortoestel hebben aangeschaft en bij wie dit ter sprake komt naar de ervaringen met het toestel en gaat na wat de oorzaken zijn van tegenvallend gebruik.

Inleiding

De NHG-Standaard Slechthorendheidslechthorendheid geeft richtlijnen voor de diagnostiek en beleid bij slechthorendheid van patiënten in verschillende leeftijdsgroepen. Onder slechthorendheid wordt verstaan: een verminderde waarneming van geluid en/of verminderd verstaan van spraak.1 Slechthorendheid als klacht van de patiënt en de daardoor ervaren beperkingen op de kwaliteit van leven zijn richtinggevend voor het huisartsgeneeskundig handelen. In deze standaard wordt uitgegaan van een verminderd gehoor als een patiënt (of ouders/verzorgers van kinderen of ouders/verzorgers van mensen met een verstandelijke beperking) met een klacht over het gehoor de huisarts bezoekt of wanneer de huisarts zelf tijdens het contact met de patiënt slechthorendheid vermoedt. Het gehoorverlies kan worden geobjectiveerd met behulp van een screeningsaudiometer waarmee een luchtgeleidingsaudiogram gemaakt kan worden.2 Er is sprake van doofheid bij een perceptief gehoorverlies van gemiddeld meer dan 90 dB. Deze diagnose kan echter uitsluitend met behulp van klinische audiometrie worden gesteld. Het beleid bij doofheid valt buiten het bestek van deze standaard.
Slechthorendheid kan gepaard gaan met oorsuizenoorsuizen (tinnitustinnitus).3 Soms staat het oorsuizen op de voorgrond en is dit voor de patiënt aanleiding om de huisarts te consulteren. In dat geval moet de huisarts ook denken aan het tegelijkertijd bestaan van slechthorendheid. Het beleid bij hinderlijke tinnitus valt buiten het bestek van deze standaard.
Voor het beleid bij otitis media acuta, otitis media met effusie en otitis externa als oorzaken van slechthorendheid wordt verwezen naar de gelijknamige NHG-Standaarden.
Tot slot bevat de standaard aandachtspunten voor het maken van regionale samenwerkingsafspraken met de kno-arts en met audiologische centra.

Achtergronden

Epidemiologie

Slechthorendheid is een veelvoorkomende aandoening. Uit bevolkingsenquêtes in 2010 blijkt dat bijna 2 miljoen mensen in Nederland gehoorproblemen ervaren. De prevalentie van slechthorendheid in de huisartsenpraktijk is ongeveer 40 per 1000 patiënten per jaar en neemt sterk toe met de leeftijd. Circa 3% van de bevolking van 12 jaar en ouder heeft (al dan niet met een hoortoestel) moeite om een gesprek te voeren met één ander persoon en 14% heeft moeite met een gesprek met 3 of meer personen. Voor mensen van 75 jaar en ouder zijn deze percentages 10% respectievelijk 41%. In de leeftijdsgroep van 65 tot 74 jaar is een prevalentie geregistreerd van 112 per 1000 patiënten per jaar (11,2%), in de groep van 75 jaar en ouder van 245 per 1000 patiënten per jaar (24,5%).4 Slechthorendheid komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen, bij mannen is het beloop ook progressiever. Gezien de veroudering van de bevolking zal de prevalentie van slechthorendheid toenemen. Dit geldt niet alleen voor de algemene bevolking, maar juist ook voor de beroepsbevolking. Met de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd neemt het aantal ouderen en zodoende ook het aantal slechthorenden in de beroepsbevolking toe.

Neonatale gehoorscreening

Aangeboren slechthorendheid of doofheid komt weinig voor, maar heeft verregaande gevolgen voor de ontwikkeling van het jonge kind. Voor de opsporing hiervan wordt tijdens de eerste levensweken de neonatale gehoorscreeningneonatale gehoorscreening met de OAE-methode uitgevoerd door medewerkers in de jeugdgezondheidszorg.5 Zuigelingen die bij herhaling een afwijkende uitslag hebben worden direct, zonder tussenkomst van de huisarts, verwezen naar een audiologisch centrum (AC) waar verder onderzoek gedaan wordt met de AABR-methode. De huisarts wordt hiervan door de screenende instantie op de hoogte gesteld. De huisarts is officieel de verwijzer, maar fiatteert deze doorverwijzing pas achteraf. Na bezoek aan het AC geeft deze de uitslag door aan de huisarts en het consultatiebureau.Ook na een gunstige uitslag dient men alert te blijven op het vroegtijdig onderkennen van slechthorendheid, omdat met de neonatale gehoorscreening alleen gehoorverliezen = 40 dB worden opgespoord en permanent gehoorverlies zich ook pas na de neonatale fase kan manifesteren.6 Signalen van ouders met zorgen over het gehoor van hun kind dienen altijd serieus genomen te worden. Ouders merken gehoorverlies bij hun kind niet altijd op, dus de huisarts en jeugdarts moeten ook alert blijven op het bestaan van een eventueel gehoorverlies.7

Etiologie

Slechthorendheid kan het gevolg zijn van een geleidingsverlies en/of een perceptief verlies en kan éénzijdig of dubbelzijdig optreden.
Geleidingsverliesgeleidingverlies wordt veroorzaakt door afwijkingen aan de gehoorgang, het trommelvlies of het middenoor, waaronder de gehoorbeenketen. Deze stoornis heeft vaak een gunstig beloop of is goed te behandelen. De meestvoorkomende oorzaken van een geleidingsverlies zijn afsluitende cerumenproppen,8 otitis media acuta en otitis media met effusie. De laatste aandoening kan tot langdurig, wisselend geleidingsverlies leiden en komt vooral voor bij kinderen en bij mensen met een verstandelijke beperking (zie de NHG-Standaard Otitis media met effusie).
Progressief geleidingsverlies kan het gevolg zijn van otosclerose of van een cholesteatoom. OtoscleroseOtosclerose is een overmatige botwoekering of botgroei op en rondom de stijgbeugel in het middenoor waardoor de beweeglijkheid van de stijgbeugel langzaam afneemt. Ongeveer 10% van de bevolking heeft enige vorm van otosclerose, maar klinische symptomen komen bij minder dan 1 op de 100 mensen voor. Otosclerose begint vaak tussen het 20e en 40e levensjaar, voornamelijk bij vrouwen en is deels erfelijk bepaald. Bij 20 tot 40% van de vrouwen met otosclerose versnelt de aandoening tijdens de zwangerschap. Bij otosclerose betreft het meestal een geleidingsverlies, maar het gehoorverlies kan ook perceptief of gemengd van aard zijn.9 Een cholesteatoomcholesteatoom is een ophoping van epitheel in het middenoor met opstapeling van keratine, waarbij superinfecties met otorroe, ostitis en mucosa-inflammatie met granulaties kunnen optreden. Chronische otitis media kan zowel het gevolg zijn van een cholesteatoom als zich in uitzonderingsgevallen ontwikkelen tot een cholesteatoom.10 Traumata, bijvoorbeeld door manipulatie in de gehoorgang (met (watten)stokjes of iatrogeen door uitspuiten), of acute drukveranderingen (barotaumabarotauma), zoals bij een klap op het oor, een knal (bijvoorbeeld door vuurwerk) of duiken, kunnen leiden tot een trommelvliesperforatie met acuut geleidingsverlies en soms ook perceptief verlies. Een schedelbasisfractuur kan zowel geleidingsverlies (bijvoorbeeld door een hematotympanon) als perceptief verlies veroorzaken.
Perceptief verliesperceptief verlies wordt veroorzaakt door aandoeningen van het slakkenhuis, de gehoorzenuw of het centrale auditieve zenuwstelsel en is meestal irreversibel, waardoor de patiënt is aangewezen op hulpmiddelen. Perceptief verlies gaat vaak gepaard met recruitmentrecruitment. Hierbij zijn patiënten niet in staat om zachte geluiden waar te nemen en zijn ze tegelijkertijd overgevoelig voor harde geluiden.11 Daarnaast treedt er vervorming van geluid op. Hierdoor hoort de patiënt soms de gesproken woorden wel maar verstaat ze niet. De oorzaken van perceptief verlies zijn vooral afhankelijk van de leeftijd waarop de slechthorendheid zich openbaart. Ernstige perceptieve gehoorstoornissen komen bij kinderen weinig voor (ongeveer 1 tot 2 op de 1000 kinderen).12
Op volwassen leeftijd kan perceptief verlies ontstaan door overbelasting door geluid zoals luide muziek, lawaai op het werk, en veel minder vaak voorkomende oorzaken zoals de ziekte van MénièreMénière, ototoxische geneesmiddelen, een acousticusneurinoomacousticusneurinoom en genetische afwijkingen.13 Bij het zeldzaam voorkomende plotseling gehoorverliesgehoorverlies (sudden deafnesssudden deafness) ontstaat ineens (binnen enkele seconden tot minuten of binnen een periode van maximaal 3 dagen) gehoorverlies van ten minste 30 dB. Bij slechts 10 tot 15% van de patiënten met plotseling gehoorverlies zijn oorzakelijke aandoeningen (vaak bacteriële of virale infecties) aantoonbaar. Deze aandoening is vrijwel altijd eenzijdig. Bij eenderde van de patiënten herstelt het gehoor volledig, bij eenderde is er verbetering maar blijft de restschade groot, en bij de overige patiënten verbetert het gehoor helemaal niet.14
Vanaf het 30e jaar neemt het gehoor per decennium af met ongeveer 3 dB in de lage frequenties, zowel bij mannen als bij vrouwen. Voor de hoge frequenties is dit ongeveer 8 dB voor vrouwen en 13 dB voor mannen. Dit maakt bij ouderen presbyacusispresbyacusis veruit de meestvoorkomende oorzaak van slechthorendheid. Het gaat om perceptief gehoorverlies dat zich vrijwel bij alle oudere personen voordoet en waarschijnlijk veroorzaakt wordt door een samenspel van factoren.15 Bij patiënten met het syndroom van Down (bij wie van jongs af aan vaak sprake is van langdurig conductief gehoorverlies) kan presbyacusis al vanaf het 35e jaar optreden.

Risicofactoren en risicogroepen

Risicofactoren voor progressief of vertraagd (delayed onset) optreden van gehoorverlies bij kinderen tot twee jaar met een niet-afwijkende uitslag bij neonatale gehoorscreening zijn een positieve familieanamnese voor gehoorverlies op kinderleeftijd, congenitale en postnatale infecties, langdurige opname op een neonatale intensivecareafdeling, bepaalde syndromale, neurodegeneratieve en sensorimotorische aandoeningen, schedeltrauma en ototoxische geneesmiddelen. Bij oudere kinderen en volwassenen is langdurige blootstelling aan lawaai de belangrijkste risicofactor (naast de hierboven genoemde risicofactoren). Daarbij kan men denken aan jongeren (audioapparatuur, luid afgestelde hoofdtelefoons, popconcerten),16 motorrijders (windlawaai) en beoefenaars van bepaalde beroepen (waaronder ook musici).17 Een geluidsniveau dat pijn, piepen, oorsuizen of een tijdelijk gevoel van blokkade in de oren veroorzaakt kan bij langdurige expositie op termijn tot perceptief gehoorverlies leiden. Ook zijn er aanwijzingen dat roken en diabetes mellitus type 2 het risico op slechthorendheid verhogen.18
Bijna één op de drie verstandelijk gehandicapten is slechthorend, bij patiënten met het syndroom van Down is dit meer dan de helft. Daarom wordt geadviseerd bij deze groepen regelmatig gehooronderzoek te doen. Het gehoorverlies is bij verstandelijk gehandicapten meestal ook ernstiger dan bij de algemene bevolking.19

Gevolgen voor school, werk en psychosociaal functioneren

Schoolgaande kinderen20 en werkenden21 met gehoorproblemen hebben meer last van vermoeidheid na school of na het werk omdat luisteren hen veel inspanning en concentratie kost. Ze zijn vaker ziek of afwezig van werk in verband met stressgerelateerde klachten, vooral als ze weinig steun van collega’s of leidinggevenden ervaren. Slechthorendheid kan zich bij kinderen uiten in gedragsproblemen. Bij ouderen is slechthorendheid sterk geassocieerd met een verminderd psychosociaal welbevinden en cognitief functioneren.22 Slechthorende ouderen zullen eerder de stilte opzoeken en feestjes vermijden. Psychosociale klachten, zoals angst, psychische vermoeidheid, stress, somatisatie, depressieve gevoelens en eenzaamheid komen meer voor bij slechthorenden dan bij normaalhorenden. Ook de partner kan last ondervinden van de gehoorproblemen van de ander.

Hoortoestellen, hoorhulpmiddelen en chirurgie

Gehoorverlies kan in veel gevallen (of ten minste gedeeltelijk) gecompenseerd worden. Soms kan dat door medisch ingrijpen van de kno-arts (bijvoorbeeld chirurgie bij trommelvliesperforatie of otosclerose). Als dit geen optie is, dan is het aanmeten van hoortoestellenhoortoestellen of andere hoorhulpmiddelenhoorhulpmiddelen23 vaak wel een mogelijkheid. Bij geleidingsverlies kan het gehoorverlies met een hoortoestel goed gecompenseerd worden, immers, de cochlea functioneert nog normaal. Indien er sprake is van een perceptief verlies, lukt de compensatie met een hoortoestel goed als het verlies niet te ernstig is. Bij ernstigere verliezen en bijkomende problemen (zoals hyperacusis, ofwel abnormale overgevoeligheid voor harde geluiden) is de vervorming van geluid die in de cochlea (of retrocochleair) optreedt van dien aard dat compensatie niet altijd goed mogelijk is. Dit betekent dat mensen ook met een hoortoestel moeite blijven ondervinden met het verstaan en horen. Het maximale spraakverstaan in het spraakaudiogram geeft een goede indicatie van het maximaal haalbare met een hoortoestel, maar ook bij patiënten met een beperkt maximaal spraakverstaan kan het aanmeten van een aangepast hoortoestel zeker zinvol zijn.

Audiologisch centrum

Audiologische centraaudiologisch centrum zijn gespecialiseerd in onderzoek, advies, revalidatie en begeleiding bij gehoorproblemen van kinderen en volwassenen. Er wordt gewerkt met een multidisciplinair team bestaande uit klinisch-fysici audiologen, logopedisten, linguïsten, psychologen, orthopedagogen en maatschappelijk werkers. Een kno-arts maakt geen deel uit van dit team maar kan wel worden geraadpleegd.
Bij kinderen jonger dan vier jaar bij wie andere vormen van gehooronderzoek nog moeilijk te verrichten zijn wordt gehooronderzoek gedaan door middel van spelaudiometrie, visuele respons audiometrie en objectieve (hersenstam) audiometrie. Ook doen audiologische centra onderzoek naar de oorzaak van spraak- en taalachterstanden bij kinderen en bieden zij als centrum of binnen een samenwerkingsverband met een organisatie voor gezinsbegeleiding begeleiding aan gezinnen met een doof of slechthorend kind of een kind met ernstige taalspraakproblemen. Een traject van gehoorrevalidatiegehoorrevalidatie bij kinderen dient altijd doorlopen te worden binnen de multidisciplinaire setting van een audiologisch centrum. Mensen bij wie de slechthorendheid, met of zonder hoortoestel of andere aanpassingen communicatieproblemen geeft op school of werk, of in het psychosociaal functioneren, kunnen eveneens voor begeleiding terecht bij een audiologisch centrum.

Richtlijnen diagnostiek

Signalering

Lichte gehoorverliezen blijven vaak onopgemerkt en hebben doorgaans weinig invloed op het functioneren. Meestal zal de patiënt pas klagen over slechthorendheid als er beperkingen in het functioneren worden ervaren. Als de huisarts slechthorendheid vermoedt, vraagt dit een actieve opstelling inzake diagnostiek en beleid. Informatie van de praktijkassistent of praktijkondersteuner kan hier ook van belang zijn.
Bij kinderen kunnen bepaalde gedragingen aanleiding zijn om het gehoor te onderzoeken. Te denken valt aan slechte concentratie, moeite met spraak verstaan (met name in rumoerige omgeving), sterke gelaatgerichtheid, niet reageren op normaal aanspreken, vermoeidheid, hoofdpijn, televisie en muziek op hard volume willen zetten.20
Bij volwassenen en ouderen wordt het vermoeden van slechthorendheid versterkt als de patiënt aangeeft moeite te hebben de ander te verstaan tijdens een gesprek of slecht een gesprek kan voeren met drie of meer personen. Oudere patiënten met slechthorendheid vragen hiervoor vaak geen aandacht van de huisarts, omdat zij het als een natuurlijk verouderingsverschijnsel zien. Sommige patiënten hebben vragen over hun gehoor na een gehoortest bij de audicien, of via internet of de telefoon (www.nationalehoortest.nl of 0900-4560123, www.kinderhoortest.nl, www.oorcheck.nl). De Nationale Hoortest en de kinderhoortest betreffen overigens spraak-in-ruistesten, en zijn niet te vergelijken met toonaudiometrie. Patiënten met een geleidingsverlies zullen een normale score hebben op deze testen.
De huisarts is extra alert bij mensen met een verstandelijke beperking. De huisarts adviseert patiënten met het syndroom van Down (en hun begeleiders) om 3-jaarlijks het gehoor te laten controleren. Bij mensen met een verstandelijke beperking zonder het syndroom van Down is het advies om dit te doen op de leeftijd van 5, 10 en 15 jaar, en vanaf het 50e jaar elke 5 jaar.

Anamnese

Het doel van de anamnese is de ernst van de slechthorendheid in te schatten en de oorzaak op het spoor te komen. De huisarts vraagt naar:24
  • duur, ernst en beloop van de klachten;
  • een- of tweezijdigheid;
  • oorpijn, jeuk, otorroe, verstopt gevoel;
  • episoden van bovensteluchtweginfecties, otitiden, vaker verstopte oren;
  • ooroperaties, trommelvliesperforatie, meningitis, bof of (langdurige) opname op intensive care in de voorgeschiedenis;
  • erfelijke of familiaire aandoeningen;
  • frequent verblijf in lawaaierige omgeving (door werk of hobby), waaronder ook gebruik van oortelefoons of juist van gehoorbescherming;
  • traumata (manipulatie in de gehoorgang, klap op het oor, penetratie door voorwerp);
  • gebruik van ototoxische geneesmiddelen (aminoglycosiden, (hydro)kinine, cytostatica en in geringe mate lisdiuretica);
  • aanvallen van (draai)duizeligheid, misselijkheid, oorsuizen.

Bij kinderen vraagt de huisarts ook naar:
  • problemen tijdens de zwangerschap (infecties zoals rubella of cytomegalie) of partus (ernstige asfyxie);
  • uitslag van de gehoorscreeningstest(s) (informatie hierover kan opgevraagd worden bij de jeugdgezondheidszorg);
  • taal- en spraakontwikkeling (informatie hierover kan opgevraagd worden bij de jeugdgezondheidszorg);
  • functioneren op school en bij sport.

Verder besteedt de huisarts aandacht aan:
  • de hinder die de patiënt ervaart in omstandigheden waarin het verminderde gehoor problemen veroorzaakt (in rustige of rumoerige omgeving zoals tijdens feestjes, maaltijden of vergaderingen, bij telefoneren of televisie kijken);
  • de gevolgen hiervan voor het persoonlijke en sociale leven (vermoeidheid, ergernis, acceptatieproblemen, problemen in het leggen van sociale contacten of terugtrekken uit rumoerige omgeving);
  • de motivatie voor het gebruik van een hoortoestel of andere vormen van hoorrevalidatie (zie Richtlijnen beleid), en welke factoren hierbij een rol spelen (bijvoorbeeld praktische bezwaren of financiële drempels).

Lichamelijk onderzoek

De huisarts inspecteert beide oren met een otoscoop en let daarbij op de volgende aspecten:
  • aanwezigheid van een cerumenprop of otorroe in de gehoorgang;
  • zwelling, schilfering, roodheid, vesiculae of erosies van de gehoorgang;
  • kleur, doorschijnendheid, lichtreflectie en eventuele perforatie van het trommelvlies;
  • aanwezigheid van een vloeistofspiegel of luchtbel(len) achter het trommelvlies;
  • de retroauriculaire regio wordt geïnspecteerd op littekens, roodheid en zwelling.

Aanvullend onderzoek

Als er bij otoscopie geen aanwijzingen zijn voor aandoeningen die de slechthorendheid kunnen verklaren, zijn er de volgende mogelijkheden:
  • bij kinderen jonger dan zes jaar: objectivering van het gehoorverlies (bijvoorbeeld door middel van BERA-onderzoek) in een audiologisch centrum. Kinderen van vier tot zes jaar kunnen in een audiologisch centrum of door de kno-arts onderzocht worden. Hierbij wordt de ernst van het gehoorverlies nader ingeschat en nagegaan of met gehoorrevalidatie een eventuele verbetering kan worden verwacht;
  • bij kinderen van zes jaar of ouder: audiometrieaudiometrie met behulp van een screeningsaudiometer in de eigen praktijk of via verwijzing naar de jeugdgezondheidszorg (zie [bijlage]);
  • bij volwassenen: audiometrie in de eigen praktijk of in een eerstelijns diagnostisch centrum of bij een audicien.

De patiënt wordt geïnstrueerd een kopie van de uitslag van de audiometrieaudiometrie mee te nemen voor bespreking met de huisarts.
De uitslag wordt weergegeven in een curve, waarbij het gehoorverlies per frequentie uitgezet wordt in dB. Er is sprake van een significant gehoorverlies indien de hoge Fletcher-indexFletcher-index (het gemiddelde verlies bij 1000, 2000 en 4000 Hz) 30 dB of hoger is.25
Bij het ontbreken van de mogelijkheid tot audiometrie kan men de fluisterspraaktestfluisterspraaktest uitvoeren. Een afwijkende fluisterspraaktest correspondeert met een gemiddeld gehoorverlies van ongeveer 30 dB of meer.26 Voor de uitvoering van de fluisterspraaktest wordt verwezen naar de [bijlage]. Een nadeel van de fluisterspraaktest is dat deze geen inzicht geeft in het gehoorverlies per frequentie. Als de fluisterspraaktest afwijkend is, dient alsnog een audiogram gemaakt te worden.
De stemvorkproevenstemvorkproeven (volgens RinneRinne en WeberWeber) kunnen bij patiënten van zes jaar of ouder aanvullende informatie geven over de aard van het gehoorverlies (geleidingsverlies of perceptief verlies), vooral als er geen afwijkingen worden gevonden bij otoscopie.27 Voor de uitvoering van de stemproeven en de interpretatie wordt verwezen naar de [bijlage].
De huisarts kan met tympanometrietympanometrie een indruk krijgen over het mogelijk bestaan van middenooreffusie (zie de NHG-Standaard Otitis media met effusie) of een trommelvliesperforatie.28

Evaluatie

Bij kinderen jonger dan zes jaar maakt de huisarts onderscheid tussen:
  • slechthorendheid waarschijnlijk op basis van otitis media met effusie (zie de gelijknamige NHG-Standaard);
  • slechthorendheid met vermoeden van erfelijke of familiaire aandoeningen, infecties tijdens de zwangerschap, meningitis, bof of (langdurige) intensivecareopname in de voorgeschiedenis;
  • slechthorendheid met vermoeden van andere oorzaken.

Bij kinderen van zes jaar of ouder en volwassenen maakt de huisarts onderscheid tussen:
  • slechthorendheid die verklaard kan worden door cerumenprop, otitis media acuta, otitis media met effusie, otitis externa, chronische otitis media, barotrauma;
  • gehoorverlies van = 30 dB met vermoeden van:
      • presbyacusis (langzaam progressieve slechthorendheid bij patiënten ouder dan 60 jaar en Rinne normaal, Weber mediaan bij stemvorkonderzoek; zie [bijlage]);
      • lawaaislechthorendheid;
      • gebruik van ototoxische geneesmiddelen;
      • ziekte van Ménièreziekte van Ménière (aanvallen van draaiduizeligheid en oorsuizen);
      • otoscleroseotosclerose (geleidelijk beginnende en langzaam progressieve slechthorendheid, meestal van het geleidingstype, vanaf de leeftijd van 20 jaar, bij 80% 2-zijdig, kan gepaard gaan met oorsuizen of lichte duizeligheid met name bij houdingsveranderingen en hoofdbewegingen, eventueel afwijkingen bij otoscopie zoals een rode gloed achter trommelvlies);
      • cholesteatoomcholesteatoom (persisterend loopoor > 2 weken ondanks behandeling, gehoorverlies bij een geopereerd oor in het verleden, audiogram met geleidingsverlies met een vlakke curve (ongeveer evenveel verlies over alle frequenties), eventuele afwijkingen bij otoscopie zoals een witte massa achter een intact trommelvlies, diep ingetrokken trommelvlies met of zonder granulatie en debris);
      • acousticusneurinoomacousticusneurinoom (geleidelijk langzaam progressieve slechthorendheid);
      • plotseling (eenzijdig) gehoorverlies (verdachte anamnese en Rinne positief, Weber lateralisatie naar goede oor);
      • andere oorzaken.
  • gehoorverlies van gemiddeld minder dan 30 dB.

Richtlijnen beleid

De huisarts heeft in het algemeen een belangrijke taak bij het geven van voorlichting, het adequaat verwijzen en bij de begeleiding van patiënten met slechthorendheid. Hierbij vergt de communicatie met slechthorenden extra aandacht (zie [kader Communicatie met slechthorenden]). Het specifieke beleid bij slechthorendheid wordt bepaald door de leeftijd en de vermoedelijke oorzaak.
Voor het beleid bij otitis media acuta, otitis media met effusie en otitis externa als oorzaken van slechthorendheid wordt verwezen naar de gelijknamige NHG-Standaarden.
Voor een samenvatting van de diagnostiek en het beleid bij kinderen en volwassenen met klachten of verdenking van slechthorendheid zie [stroomdiagram 1] en [stroomdiagram 2].

Voorlichting

De huisarts geeft informatie over de vermoedelijke oorzaak van de slechthorendheid en over het beloop.
  • In geval van cerumenproppen wordt uitgelegd dat cerumenproductie een normaal fysiologisch proces is en dat de gehoorgang doorgaans zichzelf reinigt. Het gebruik van wattenstokjes of andere voorwerpen om de uitwendige gehoorgang te reinigen wordt afgeraden. Cerumen in de gehoorgang is pas een probleem als de cerumenprop de gehoorgang volledig afsluit en tot gehoorverlies, pijn, een verstoppingsgevoel of andere klachten leidt en hoeft alleen dan te worden verwijderd, tenzij de patiënt een hoortoestel heeft want dan kan een prop ook problemen (rondzingen) geven als deze de gehoorgang niet geheel afsluit. Patiënten die vaak last hebben van slechthorendheid door overmatig cerumen kunnen baat hebben bij een oorspuitballonpompje om zelf cerumen te verwijderen.29 Dit is een rubber ballonvormig spuitje met een inhoud van circa 25 ml dat met een tuutje in het oor geplaatst kan worden. Het wordt gevuld met water en door in de ballon te drukken spuit het water in de gehoorgang. Dit kan worden aangeschaft via de apotheek, thuiszorgwinkel of internet. De huisarts wijst de patiënt die oorsmeeroplossende sprays gebruikt of wil gaan gebruiken op het feit dat er geen bewijs is voor de werking ervan.
  • Presbyacusis is een normaal verouderingsverschijnsel, waarbij het gehoor geleidelijk vermindert. Verder kan er ook oorsuizen optreden. Harde geluiden ervaart de patiënt vaak als hinderlijk. Ook het richtinghoren kan beperkt zijn, waardoor het verstaan in een lawaaiige omgeving moeilijker wordt. De oorzaak is vaak multifactorieel.15
  • LawaaislechthorendheidLawaaislechthorendheid ontstaat door langdurige blootstelling aan geluid van 80 dB of meer. Vlak na het ontstaan van een lawaaibeschadiging is deze vaak nog deels reversibel door rust in een geluidsarme omgeving. Uiteindelijk wordt de schade onomkeerbaar. Preventieve geluidsbeschermende maatregelen, zoals oordopjes of oorkappen, kunnen verdere gehoorschade beperken. Als werkomstandigheden een rol spelen, adviseert de huisarts de patiënt contact op te nemen met de bedrijfsarts. De Arbowet verplicht werkgevers een risico-inventarisatie en -evaluatie (RIE) uit te voeren, waarin ook de risico’s van blootstelling aan geluid zijn opgenomen. Als het geluidniveau op de werkplek gedurende een 8-urige werkdag gemiddeld 80 dB of meer bedraagt dient de werkgever de werknemers adequate gehoorbescherming en periodiek gehooronderzoek aan te bieden. Vanaf 85 dB zijn werknemers verplicht om gehoorbescherming te gebruiken. De bedrijfsarts kan ook behulpzaam zijn bij andere aanpassingen, zoals infraroodsystemen voor het bijwonen van vergaderingen.
  • Bij een barotraumabarotrauma sluit de trommelvliesperforatie in 90% van de gevallen spontaan in enkele weken, waarbij het geleidingsverlies volledig herstelt en het perceptieve verlies vaak grotendeels. Het herstel kan in de meeste gevallen worden afgewacht met het advies het oor droog te houden en drukverhogende momenten (snuiten, hoesten, niezen met gesloten mond, tillen) te vermijden.30

Voor de werkende slechthorende is het van belang dat de gehoorproblemen bespreekbaar zijn met de leidinggevende en collega’s. Dit zorgt voor meer acceptatie en steun. Er moet nagedacht worden hoe het dagschema zo in te vullen is dat hij/zij zo optimaal mogelijk kan functioneren. Te denken valt aan het aanpassen van vergader- of overlegtijden (als deze eerder op de dag gepland worden, is het energieniveau vaak hoger), niet meerdere overleggen achter elkaar plannen en het plannen van extra pauzes. Afhankelijk van het soort werk kan gekeken worden naar aanpassingen op de werkplek, zoals het nemen van maatregelen om de akoestiek te verbeteren (denk bijvoorbeeld aan tapijt en wandbekleding) en het gebruik van speciale vergaderapparatuur of speciale telefoons met auditieve en optische waarschuwingssignalen. Speciale waarschuwingssystemen worden ook gebruikt door bijvoorbeeld heftruckchauffeurs en machinisten. Voor artsen bestaan stethoscopen met ingebouwde versterking. Voor specifieke en individuele aanpassingen wordt verwezen naar de bedrijfsarts en het audiologisch centrum. Algemene informatie is te vinden op www.hoorwijzer.nl. Voor werkplekaanpassingen bestaat een vergoedingsregeling via het UWV.
In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting, kan de huisarts de patiënt verwijzen naar de informatie over slechthorendheid op de NHG-publiekswebsite www.thuisarts.nl of de betreffende tekst (voorheen NHG-Patiëntenbrief) meegeven (via het HIS of de NHG-ConsultWijzer). Deze patiënteninformatie is gebaseerd op de NHG-Standaard.
De Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied heeft voorlichtingsfolders op www.kno.nl. De websites van de Nederlandse Vereniging Voor Slechthorenden (www.NVVS.nl en Hoorwijzer.nl) bieden zowel voorlichting, informatie over hulpmiddelen als ervaringsuitwisseling. De website van de Federatie van Ouders van Slechthorende kinderen (FOSS) (www.foss-info.nl) biedt informatie voor ouders van slechthorende kinderen. De website van SH-Jong (www.sh-jong.nl) biedt informatie aan slechthorende jongeren. Voor voorlichting ten aanzien van de audiologische centra wordt verwezen naar de website van de Federatie van Nederlandse Audiologische Centra, www.fenac.nl.
Voor meer informatie over plotseling gehoorverlies wordt verwezen naar www.stichtingplotsdoven.nl

Communicatie met slechthorenden

Een slechthorende hoort niet alleen minder, maar de woorden worden ook vervormd. De informatie die binnenkomt moet worden verwerkt voordat het doordringt en dit kost tijd en energie. Als huisarts* kunt u het voor de slechthorende patiënt makkelijker maken door rekening te houden met de volgende punten:
  • spreek rustig en articuleer duidelijk, praat niet hard en vermijd bijzinnen;
  • houd oogcontact: spreek met uw gezicht naar de ander;
  • houd niets voor uw mond en zorg voor voldoende licht, zodat uw mond goed zichtbaar is; ga niet met uw rug naar het licht toe staan;
  • vermijd achtergrondgeluid: zet de televisie, radio of achtergrondmuziek uit;
  • herhaal eventueel wat u heeft gezegd, zo nodig in andere bewoordingen;
  • vraag aan uw slechthorende patiënt of deze alles goed heeft verstaan, of beter nog; laat de gegeven informatie herhalen;
  • schrijf zaken als namen, adressen, telefoonnummers en data van afspraken op en geef deze aan de patiënt;
  • een handige tip als uw patiënt u niet kan verstaan is om gebruik te maken van uw stethoscoop; laat de patiënt de stethoscoop in zijn oren doen en praat (zachtjes) in de klok.

* Deze adviezen zijn ook bruikbaar voor de naasten van slechthorenden.

Behandeling cerumenproppen

Cerumenproppencerumenproppen worden door de huisarts of de praktijkassistent behandeld, mits er geen sprake is van een trommelvliesperforatie of eerdere operaties aan het oor of trommelvlies. Cerumenproppen die los voor in de gehoorgang liggen, kunnen met een cerumenlusje of haakje uit de gehoorgang worden verwijderd. De meestgebruikte methode om cerumen te verwijderen is het uitspuiten uitspuiten van oren (lavage) van het oor met handwarm water (circa 37 °C). Contra-indicaties voor uitspuiten zijn een trommelvliesperforatie of eerdere operaties aan het oor of trommelvlies. Voor de precieze uitvoering wordt verwezen naar de [bijlage]. Als de cerumenprop na 3 pogingen (met een spuit van 100 cc) niet is losgekomen, kan de patiënt ongeveer 15 minuten wachten om de prop los te weken. Als na opnieuw 2 pogingen nog steeds geen resultaat is bereikt, wordt de patiënt gevraagd thuis het oor in te druppelen met enige vorm van olie, 2 maal per dag, gedurende 3 dagen en dan terug te komen. De huisarts draagt zorg voor adequate reiniging van de oorspuit na gebruik, eventuele disposable onderdelen worden vervangen door nieuwe. Door onvoldoende reiniging kan overdracht van bacteriën via de oorspuit van de ene op de andere patiënt plaatsvinden en kunnen infecties ontstaan.31

Hoortoestellen en hoorhulpmiddelen

Bij slechthorenden kan hoorrevalidatie door middel van een hoortoestel of andere hulpmiddelen een positieve invloed hebben op het psychosociaal welbevinden en op de kwaliteit van leven. Anno 2013 komen mensen met een gehoorverlies van = 35 dB aan één of beide oren in aanmerking voor vergoeding van een hoortoestel. Hoortoestellen worden verkocht en ingesteld door een audicien. Hierbij wordt nagegaan welke eisen aan het hoortoestel gesteld worden (bijvoorbeeld in de werksituatie), wat de verwachtingen zijn en of er complicerende factoren zijn (bijvoorbeeld verstandelijke beperking of acceptatieproblematiek). De huidige hoortoestellen leveren een betere kwaliteit van spraakverstaan in rumoer dan de vorige generatie hoortoestellen. Verbetering van het gehoor door middel van een hoortoestel is vooral te verwachten als de patiënt klaagt over problemen met horen in een gesprek met één persoon of als hij een bepaalde hobby (zoals zingen) of beroep heeft. Het verdient aanbeveling niet te lang te wachten met gehoorrevalidatie met behulp van een hoortoestel omdat het leren omgaan en bedienen van het toestel meer moeite kost naarmate men ouder wordt. Het hoortoestel wordt na een goede instructie over de verschillende mogelijkheden altijd eerst enige tijd op proef gedragen alvorens de patiënt al dan niet tot definitieve aanschaf besluit.32 Audiologische variabelen voorspellen slechts in geringe mate de tevredenheid met een hoortoestel. Factoren als de ervaren ernst van de gehoorproblemen, de (hoge) verwachtingen en sociale steun zijn meer bepalend voor het succes van de hoortoestelaanpassing.33
Welk hoortoestel voorgeschreven wordt is niet een geheel vrije keuze: dit gaat via een door Zorgverzekeraars Nederland gedefinieerd protocol voor functiegericht voorschrijven van hoortoestellen. Over het algemeen zijn enkele weken nodig om te wennen aan het andere geluid en het feit dat het oor anders voelt met een hoortoestel en oorstukje. Dit proces duurt vaak langer naarmate de patiënt ouder is.
Als de aanpassing niet goed verloopt, kan de huisarts of de audicien de patiënt naar een kno-arts of audiologisch centrum doorverwijzen. Ook als de huisarts verwacht dat een aanpassing moeizaam zal verlopen kan rechtstreeks naar een kno-arts of audiologisch centrum verwezen worden. De kno-arts en het audiologisch centrum verstrekken zelf geen hoortoestellen. Zij kunnen wel een hoortoestel voorschrijven, de audicien adviseren, de slechthorende begeleiden of de instelling van de hoortoestellen verzorgen en de aanpassing evalueren aan de hand van objectieve metingen.
Audiciens kunnen naast hoortoestellen ook andere hulpmiddelen verstrekken, zo nodig op advies van de kno-arts of het audiologisch centrum. Hierbij moet gedacht worden aan wek- en waarschuwingssystemen (deurbel, flitslampen, ringleidingen, infraroodsystemen voor radio en tv, soloapparatuur in geval van onderwijssituaties), connecties met mobiele telefoontoestellen, telefoons met versterkers. Zie voor meer informatie en voorbeelden www.oorakel.nl.23
Voor slechthorende artsen en verpleegkundigen zijn speciale stethoscopen verkrijgbaar die ook te gebruiken zijn in combinatie met een hoortoestel.

Controle

De huisarts voert een controle uit na 3 maanden:
  • bij een traumatische trommelvliesperforatietrommelvliesperforatie (kleiner dan &lt 50%) zonder penetrerend trauma, en zonder bijkomende klachten zoals duizeligheid of perceptief gehoorverlies. Verwijs de patiënt naar de kno-arts als de perforatie niet is gesloten; mogelijk komt de patiënt in aanmerking voor een myringoplastiek.
  • bij alle patiënten met een gehoorverlies van gemiddeld minder dan 30 dB zonder aanwijzingen voor verklaarbare oorzaken, bij wie de klachten van slechthorendheid persisteren. Meet het gehoorverlies opnieuw door middel van audiometrie. Is het gehoorverlies toegenomen, overweeg dan verwijzing naar een kno-arts of audiologisch centrum. Is het gehoorverlies niet toegenomen, dan hangt het al of niet verwijzen af van de hinder die de patiënt ervaart.34

Bij patiënten die een hoortoestel hebben aangeschaft en bij wie dit ter sprake komt, bijvoorbeeld als een patiënt klachten heeft of de huisarts merkt dat het toestel niet gedragen wordt, vraagt de huisarts naar de ervaringen. Soms vallen de prestaties van de toestellen tegen of is de hoeveelheid geluid zo groot dat het als belastend wordt ervaren. Als de hoortoestellen piepen of fluiten is dit een teken van rondzingen van het geluid. Dit komt meestal doordat het oor niet goed afgesloten wordt door niet (meer) goed passende oorstukjes. De audicien kan dit probleem vaak oplossen. Indien cerumen de oorzaak is, kan de huisarts dit zelf verhelpen. Ook een jeukende dan wel geïrriteerde gehoorgang is een regelmatig terugkerende klacht bij dragers van hoortoestellen. Meestal wordt dit veroorzaakt door een otitis externa eczematosa. Overweeg als de behandeling volgens de NHG-Standaard Otitis externa niet aanslaat een hypoallergeen oorstukje of verwijzing naar de kno-arts. Een niet-werkend hoortoestel kan defect of verstopt zijn, maar het is ook verstandig om te checken of het toestel wel aan staat en de batterij nog voldoet. Dit kan eenvoudig door het toestel aan te zetten en in een gesloten hand te houden. Fluit of bromt het toestel, dan werkt de batterij nog. Gemiddeld gaat een batterij tien dagen mee als het toestel de hele dag gedragen wordt.

Consultatie en verwijzing

Indicaties voor verwijzing met spoed naar de kno-arts staan vermeld in het [kader Indicaties voor spoedverwijzing].
Verder overweegt de huisarts consultatie of verwijzing naar de kno-arts in de volgende gevallen:
  • langer dan 3 maanden bestaande slechthorendheid (audiometrisch gemiddeld gehoorverlies van 30 dB of meer aan één of beide oren of afwijkende fluisterspraaktest);
  • slechthorendheid en vermoeden van oorzakelijke factoren zoals gebruik van ototoxische geneesmiddelen, of aandoeningen zoals ziekte van Ménière, otosclerose, cholesteatoom of acousticusneurinoom;
  • barotrauma met persisterend geleidingsverlies na 2 dagen;
  • trommelvliesperforatie kleiner dan 50% van het trommelvlies die niet binnen 3 maanden is gesloten.

In de volgende gevallen overweegt de huisarts verwijzing naar een audiologisch centrumaudiologisch centrum:
  • kinderen tot vier jaar met vermoeden van slechthorendheid zonder afwijkingen bij otoscopisch onderzoek (voor het beleid bij otitis media acuta, otitis media met effusie en otitis externa wordt verwezen naar de gelijknamige NHG-Standaarden); het audiologisch centrum is bij uitstek geschikt om ook bij deze jonge kinderen diagnostiek te verrichten;
  • kinderen tot zes jaar met vermoeden van slechthorendheid door erfelijke of familiaire aandoeningen, infecties tijdens de zwangerschap, meningitis, bof of (langdurige) intensivecareopname in de voorgeschiedenis; of kinderen met bijkomende taal-spraakproblematiek;
  • kinderen tot achttien jaar met vermoeden van perceptieslechthorendheid of permanent geleidingsverlies;
  • patiënten die moeite hebben met het accepteren van het gehoorverlies of hoortoestel, of bij wie door slechthorendheid ondanks hoortoestel of andere aanpassingen communicatieproblemen ontstaan op school, in het werk of in het psychosociaal functioneren. Naast technische revalidatie (hoortoestellen en additionele luisterhulpmiddelen zoals hierboven genoemd), zijn er niet-technische vormen van revalidatie, zoals het trainen van hoorstrategieën, spraakafzien (liplezen), gesprekken met een maatschappelijk werker, en het Arbo-Audiologisch spreekuur voor werkenden;
  • patiënten met meervoudige beperkingen voor diagnostiek en behandelingen die de huisarts niet zelf kan uitvoeren;
  • patiënten met ernstige slechthorendheid (> 70 dB gehoorverlies bij 1000, 2000 en 4000 Hz aan het beste oor).
  • bij sommige beroepen waarbij het aanpassen van hoorhulpmiddelen zinvol kan zijn, ook bij een gehoorverlies van 20 tot 30 dB, met name als de onderlinge communicatie een probleem oplevert, bijvoorbeeld in slechte akoestiek en/of achtergrondrumoer, zoals bij baliepersoneel, en machinisten.

Zie voor meer informatie over audiologische centra www.fenac.nl.
Kinderen tussen de 4 en 6 jaar met vermoeden van slechthorendheid kunnen voor diagnostiek zowel terecht bij een audiologisch centrum als bij een kno-arts. Ook kinderen ouder dan 6 jaar en volwassenen met vermoeden van andere oorzaken of onverklaarbaar gehoorverlies van gemiddeld 30 dB of meer kunnen zowel naar een audiologisch centrum als naar een kno-arts worden verwezen. Waarheen verwezen wordt zal mede afhangen van de regionale beschikbaarheid van beide.35 Kno-artsen en audiologen kunnen, waar nodig, over en weer verwijzen. Hierover kunnen regionale samenwerkingsafspraken worden gemaakt (zie [kader Aandachtspunten voor samenwerkingsafspraken in de regio]).

Aandachtspunten voor samenwerkingsafspraken in de regio

Behandelaanbod
  • Zorg voor bekendheid bij zorgverleners van behandelingsmogelijkheden bij de huisarts, kno-arts, audiologisch centrum of audicien.

Bereikbaarheid
  • Spreek af hoe de onderlinge bereikbaarheid geregeld is (hiervoor zijn vaak speciale telefoonnummers beschikbaar), zodat de mogelijkheid voor intercollegiale afstemming en overleg wordt geoptimaliseerd.

Verwijzing
  • Maak afspraken over doorverwijzen en terugverwijzen naar kno-arts, audiologisch centrum of audicien en naar de huisarts.
  • Maak afspraken over de maximale wachttijd bij verwijzing.
  • Maak afspraken over de wijze van consultatie en bij welke indicaties consultatie nodig geacht wordt.

Voorlichting
  • Stem het voorlichtingsmateriaal en de adviezen van de zorgverleners op elkaar af.
  • Spreek af wie wanneer welke voorlichting geeft aan de patiënt bij verwijzing.

Rapportage
  • Spreek af welke informatie in de verwijsbrief opgenomen wordt bij verwijzing naar de tweede lijn. Geef een kopie van een eventueel gemaakt audiogram mee naar de tweede lijn.
  • Maak in onderling overleg afspraken over de momenten van rapportage naar de huisarts en de termijn.
  • Vermeld als verwijzer het doel van de verwijzing, consultatie of overname behandeling. Vermeld in de terugrapportage (specialist) of de patiënt onder behandeling blijft, verder verwezen of terugverwezen wordt.

Totstandkoming

In februari 2012 begon een multidisciplinair samengestelde werkgroep met de herziening van de NHG-Standaard Slechthorendheid. De herziening en samenstelling van de werkgroep werd voorbereid door E. Fokke, huisarts, verbonden aan de Huisartsenopleiding VUmc, en dr. R. Geijer, senior wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap van het NHG.
De werkgroep bestond uit de volgende leden:
  • dr. J.Q.P.J. Claessen, kno-arts, verbonden aan het Martini Ziekenhuis te Groningen;
  • dr. ir. J.E. van Dijk, klinisch-fysicus audioloog, directeur Audiologisch Centrum Utrecht;
  • dr. J.A.H. Eekhof, huisarts te Leiden en hoofdredacteur van Huisarts en Wetenschap;
  • C.M.M. Emaus, huisarts te Amersfoort;
  • Prof.dr.ir. J.H.M. Frijns, kno-arts en fysicus, hoofd Centrum voor Audiologie en Hoorimplantaten Leiden (LUMC);
  • K.M.A. van Haaren, huisarts te Terheijden en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Implementatie van het NHG;
  • P.A.J.S. Mensink, huisarts;
  • M. Mul, huisarts te Hilversum;
  • dr. M.H. Strik, directeur Nederlandse Federatie van Audiologische Centra (FENAC);
  • E. Verlee, huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap (R&W) van het NHG;
  • L. de Vries, huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap van het NHG.

De werkgroep werd vanuit het NHG methodologisch en procesmatig ondersteund met L. de Vries als voorzitter van de werkgroepvergaderingen en adviseur samenwerking en E. Verlee als secretaris en penvoerder van de standaard, onder supervisie van dr. J.S. Burgers, huisarts te Gorinchem en hoofd van de afdeling R&W van het NHG.
De volgende werkgroepleden meldden belangenverstrengeling over de periode van 2007 tot en met 2011. Dr.ir. J.E. van Dijk is adviseur bij Pento Audiologische Centra, en bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (NVKF). Voor dit laatste ontvangt hij geen vergoeding. Dr. J.Q.P.J. Claessen verrichte consultatie/advisering voor audicienbedrijven (Beter Horen, Schoonenberg, Hoorgarant). Prof.dr.ir. J.H.M. Frijns ontving een subsidie voor onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek van Advanced Bionics (fabrikant van cochleaire implantaten). Hij ontving hiervoor geen vergoeding. Door de overige leden werd geen belangenverstrengeling gemeld. Meer details hierover zijn te vinden in de webversie van de standaard op www.nhg.org.
In augustus 2013 werd de conceptstandaard voor commentaar naar vijftig willekeurig uit het NHG-ledenbestand gekozen huisartsen gestuurd. Er werden vijftien commentaarformulieren retour ontvangen. Tevens werd commentaar ontvangen van een aantal referenten, te weten: dr. B. Sorgdrager, namens de Nederlandse Vereniging voor Arbeids en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB); prof.dr. A.L.M. Lagro-Janssen, hoogleraar vrouwenstudies medische wetenschappen, afdeling Eerstelijnsgeneeskunde, unit Vrouwenstudies Medische Wetenschappen aan het Radboudumc te Nijmegen; M. Boomkamp, apotheker, adviseur Farmacotherapeutisch Kompas namens College voor Zorgverzekeringen (CVZ); D. Dost, apotheker namens het KNMP Geneesmiddel Informatie Centrum; dr. D. Bijl, hoofdredacteur Geneesmiddelenbulletin; G.W. Salemink, arts Maatschappij en Gezondheid, namens Zorgverzekeraars Nederland (ZN); M. Nelissen, apotheker, namens Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM), dr. N. Dekker, huisarts, namens Domus Medica België; dr. A. Meuwese-Jongejeugd, programmacoördinator neonatale gehoorscreening, namens het RIVM Centrum voor Bevolkingsonderzoek; N. Uilenburg, Manager Onderzoek en Ontwikkeling & Vroegtijdige Onderkenning Gehoorstoornissen, namens NSDSK; dr. R.J. Pauw namens de vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde; dr. J.A.P.M. de Laat, D.J.E.J. Pans en dr. Y.J.W. Simis, namens Bureau AudCom voor en van FENAC en Siméa; prof.dr. S.E. Kramer, neuropsycholoog/hoogleraar auditief functioneren en participatie, afdeling keel-, neus- en oorheelkunde/audiologie, EMGO+ instituut aan het VU Medisch Centrum te Amsterdam; dr. J.A. Deurloo, jeugdarts KNMG en aios Maatschappij & Gezondheid, namens AJN; A. Verschoor, beleidsmedewerker, namens FOSS; dr. C.P.B. van der Ploeg, epidemioloog, namens TNO; J. Beelen, directeur NVVS; dr. Y. van Leeuwen, hoofd huisartsenopleiding Maastricht; dr. L.J.C. Anteunis, klinisch-fysicus audioloog, verbonden aan het Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM); D.P.A. Wolter, secretaris Audicien vereniging Nederland (AudiNed). Dr. J.W.M. Muris en R.J. Hinloopen hebben namens de NHG Adviesraad (NAS) tijdens de commentaarronde beoordeeld of de conceptstandaard antwoord geeft op de vragen uit het herzieningsvoorstel. Naamsvermelding als referent betekent overigens niet dat een referent de standaard inhoudelijk op ieder detail onderschrijft.
In december 2013 werd de standaard becommentarieerd en geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie. De gevolgde zoekstrategie voor de onderbouwende literatuur is te vinden bij de webversie van deze standaard (zie www.nhg.org). Tevens zijn de procedures voor de ontwikkeling van de NHG-Standaarden in te zien in het procedureboek (zie www.nhg.org).
© 2014 Nederlands Huisartsen Genootschap
Patiënten ouder dan 67 jaar met vermoeden van presbyacusis kunnen (in de meeste regio’s) bij de StAR geregistreerde audicienaudicien een hoortoestel laten aanmeten zonder verwijzing naar een kno-arts. De leeftijdsgrens van 67 jaar is gekozen op basis van landelijke consensus tussen kno-artsen, audiologen, audiciens en patiëntenverenigingen). 36
Bij (vermoeden van) lawaaislechthorendheidlawaaislechthorendheid wordt behalve naar de kno-arts, ook naar de bedrijfsarts verwezen. Ook werkende slechthorenden kunnen naar de bedrijfsarts worden verwezen voor advies en begeleiding, en eventuele aanpassingen op de werkplek.
Jonge kinderen bij wie twijfel bestaat over een eventuele achterstand in de taal-spraakontwikkeling kunnen ook verwezen worden voor een extra consult bij de consultatiebureau-arts voor verder onderzoek. Het consultatiebureau is bij uitstek geschikt om in te schatten of er afwijkingen zijn op dit gebied, en beschikt bovendien over veel informatie over de ontwikkeling van het kind.37

Literatuur

  • 1.Bij verwijzingen naar NHG-producten: zie www.nhg.org.
  • 2.Aberg B, Westin T, Tjellstrom A, Edstrom S. Clinical characteristics of cholesteatoma. Am J Otolaryngol 1991;12:254-8.
  • 3.Agarwal L, Pothier DD. Vasodilators and vasoactive substances for idiopathic sudden sensorineural hearing loss. Cochrane Database Syst Rev 2009;CD003422.
  • 4.Alford RL. Nonsyndromic hereditary hearing loss. Adv Otorhinolaryngol 2011;70:37-42.
  • 5.Archbold S, Harris M, O’Donoghue G, Nikolopoulos T, White A, Richmond HL. Reading abilities after cochlear implantation: the effect of age at implantation on outcomes at 5 and 7 years after implantation. Int J Pediatr Otorhinolaryngol 2008;72:1471-8.
  • 6.Awad Z, Huins C, Pothier DD. Antivirals for idiopathic sudden sensorineural hearing loss. Cochrane Database Syst Rev 2012;8:CD006987.
  • 7.Bennett MH, Kertesz T, Perleth M, Yeung P, Lehm JP. Hyperbaric oxygen for idiopathic sudden sensorineural hearing loss and tinnitus. Cochrane Database Syst Rev 2012;10:CD004739.
  • 8.Bess FH, Dodd-Murphy J, Parker RA. Children with minimal sensorineural hearing loss: prevalence, educational performance, and functional status. Ear Hear 1998;19:339-54.
  • 9.Boomsma LJ, Stolk RP. Vaak slechthorendheid bij patiënten met diabetes mellitus type 2. Ned Tijdschr Geneeskd 1998;142:1823-5.
  • 10.Boons T, Brokx JP, Dhooge I, Frijns JH, Peeraer L, Vermeulen A, et al. Predictors of spoken language development following pediatric cochlear implantation. Ear Hear 2012;33:617-39.
  • 11.Brody R, Rosenfeld RM, Goldsmith AJ, Madell JR. Parents cannot detect mild hearing loss in children. First place--Resident Clinical Science Award 1998. Otolaryngol Head Neck Surg 1999;121:681-6.
  • 12.Browning GG. Is there still a role for tuning-fork tests? Br J Audiol 1987;21:161-3.
  • 13.Browning GG, Swan IR. Sensitivity and specificity of Rinne tuning fork test. BMJ 1988;297:1381-2.
  • 14.Browning GG, Swan IR, Chew KK. Clinical role of informal tests of hearing. J Laryngol Otol 1989;103:7-11.
  • 15.Burkey JM, Lippy WH, Schuring AG, Rizer FM. Clinical utility of the 512-Hz Rinne tuning fork test. Am J Otol 1998;19:59-62.
  • 16.Burton MJ, Doree C. Ear drops for the removal of ear wax. Cochrane Database Syst Rev 2009;CD004326.
  • 17.Cacciatore F, Napoli C, Abete P, Marciano E, Triassi M, Rengo F. Quality of life determinants and hearing function in an elderly population. Osservatorio Geriatrico Campano Study Group. Gerontology 1999;45:323-8.
  • 18.Chole RA, Cook GB. The Rinne test for conductive deafness. A critical reappraisal. Arch Otolaryngol Head Neck Surg 1988;114:399-403.
  • 19.Chorus AMJ, Kremer A, Oortwijn WJ, Schaapveld K. Slechthorendheid in Nederland. Leiden: TNO, 1996.
  • 20.Ciorba A, Bianchini C, Pelucchi S, Pastore A. The impact of hearing loss on the quality of life of elderly adults. Clin Interv Aging 2012;7:159-63.
  • 21.Commissie praktijkvoering NHG. Gehooronderzoek en audiometrie in de huisartspraktijk. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap, 1989.
  • 22.Cone BK, Wake M, Tobin S, Poulakis Z, Rickards FW. Slight-mild sensorineural hearing loss in children: audiometric, clinical, and risk factor profiles. Ear Hear 2010;31:202-12.
  • 23.Coppin R, Wicke D, Little P. Managing earwax in primary care: efficacy of self-treatment using a bulb syringe. Br J Gen Pract 2008;58:44-9.
  • 24.Coppin R, Wicke D, Little P. Randomized trial of bulb syringes for earwax: impact on health service utilization. Ann Fam Med 2011;9:110-4.
  • 25.Crandell CC. Speech recognition in noise by children with minimal degrees of sensorineural hearing loss. Ear Hear 1993;14:210-6.
  • 26.Crandell CC, Smaldino JJ. An update of classroom acoustics for children with hearing impairment. Volta Review 1995;1:4-12.
  • 27.Cruickshanks KJ, Klein R, Klein BE, Wiley TL, Nondahl DM, Tweed TS. Cigarette smoking and hearing loss: the epidemiology of hearing loss study. JAMA 1998;279:1715-9.
  • 28.Dahle AJ, McCollister FP. Hearing and otologic disorders in children with Down syndrome. Am J Ment Defic 1986;90:636-42.
  • 29.Dalton DS, Cruickshanks KJ, Klein R, Klein BE, Wiley TL. Association of NIDDM and hearing loss. Diabetes Care 1998;21:1540-4.
  • 30.Dalton DS, Cruickshanks KJ, Klein BE, Klein R, Wiley TL, Nondahl DM. The impact of hearing loss on quality of life in older adults. Gerontologist 2003;43:661-8.
  • 31.Danermark B, Gellerstedt LC. Psychosocial work environment, hearing impairment and health. Int J Audiol 2004;43:383-9.
  • 32.Davis JM, Elfenbein J, Schum R, Bentler RA. Effects of mild and moderate hearing impairments on language, educational, and psychosocial behavior of children. J Speech Hear Disord 1986;51:53-62.
  • 33.De Vries N, Van de Heyning PH, Leemans CR. Leerboek Keel-Neus-Oorheelkunde en hoofd-halschirurgie. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 2013.
  • 34.Dempster JH, Mackenzie K. Clinical role of free-field voice tests in children. Clin Otolaryngol 1992;17:54-6.
  • 35.Dreschler WA, De Laat JAPM. Factsheet MP3-gebruik, op basis van 100.000 responsies. Leiden/Amsterdam: Nationale Hoorstichting/LUMC/ AMC, 2009.
  • 36.Edmond K, Clark A, Korczak VS, Sanderson C, Griffiths UK, Rudan I. Global and regional risk of disabling sequelae from bacterial meningitis: a systematic review and meta-analysis. Lancet Infect Dis 2010;10:317-28.
  • 37.Eekhof JA, De Bock GH, De Laat JA, Dap R, Schaapveld K, Springer MP. The whispered voice: the best test for screening for hearing impairment in general practice? Br J Gen Pract 1996;46:473-4.
  • 38.Eekhof JAH, Dijk M, Van der Linden A, Bos J, Goossens EM. De kunst van het fluisteren: de fluisterspraaktest. Huisarts Wet 1997;40:51-3.
  • 39.Eekhof JA, De Bock GH, Le Cessie S, Springer MP. A quasi-randomised controlled trial of water as a quick softening agent of persistent earwax in general practice. Br J Gen Pract 2001;51:635-7.
  • 40.Evenhuis HM. Richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van slechthorendheid bij mensen met een verstandelijke handicap. Ned Tijdschr Geneeskd 1996;140:1851-4.
  • 41.Evenhuis HM, Hilgeman IS, Bosman AJ, De Laat JAPM. De fluisterkaart voor verstandelijk gehandicapten. Huisarts Wet 2004;47:142-6.
  • 42.Franks JR, Beckmann NJ. Rejection of hearing aids: attitudes of a geriatric sample. Ear Hear 1985;6:161-6.
  • 43.Gommer AM, Poos MJJC. Gehoorstoornissen: Prevalentie en incidentie naar leeftijd en geslacht. RIVM. www.nationaalkompas.nl>Nationaal Kompas Volksgezondheid\Gezondheid en ziekte\Ziekten en aandoeningen\Zenuwstelsel en zintuigen\Gehoorstoornissen .
  • 44.Gopinath B, McMahon CM, Rochtchina E, Karpa MJ, Mitchell P. Risk factors and impacts of incident tinnitus in older adults. Ann Epidemiol 2010;20:129-35.
  • 45.Gorter AF. Gehoorschade als gevolg van harde muziek: risicogedrag en misconcepties onder uitgaanspubliek. www.hoorstichting.nl/plaatjes/user/files/Onderzoek%20risico%20gehoorschade%20uitgaanspubliek(1).pdf (2012).
  • 46.Grote JJ, De Laat JA. Fysische diagnostiek: fluisterspraak en stemvorkproeven. Ned Tijdschr Geneeskd 1998;142:1816-9.
  • 47.Gussekloo J, De Bont LE, Von Faber M., Eekhof JA, De Laat JA, Hulshof JH, et al. Auditory rehabilitation of older people from the general population-the Leiden 85-plus study. Br J Gen Pract 2003;53:536-40.
  • 48.Hand C, Harvey I. The effectiveness of topical preparations for the treatment of earwax: a systematic review. Br J Gen Pract 2004;54:862-7.
  • 49.Hanratty B, Lawlor DA. Effective management of the elderly hearing impaired--a review. J Public Health Med 2000;22:512-7.
  • 50.Hempel JM, Becker A, Muller J, Krause E, Berghaus A, Braun T. Traumatic tympanic membrane perforations: clinical and audiometric findings in 198 patients. Otol Neurotol 2012;33:1357-62.
  • 51.Hickson L, Worrall L. Beyond hearing aid fitting: improving communication for older adults. Int J Audiol 2003;42 Suppl 2:2S84-91.
  • 52.Hogan A, O’Loughlin K, Davis A, Kendig H. Hearing loss and paid employment: Australian population survey findings. Int J Audiol 2009;48:117-22.
  • 53.ISO. Acoustics - Statistical distribution of hearing thresholds as a function of age. ISO 7029:2000(en). www.iso.org/obp/ui/#iso:std:iso:7029:ed-2:v1:en).
  • 54.Jarvelin MR, Maki-Torkko E, Sorri MJ, Rantakallio PT. Effect of hearing impairment on educational outcomes and employment up to the age of 25 years in northern Finland. Br J Audiol 1997;31:165-75.
  • 55.Johnson JL, White KR, Widen JE, Gravel JS, James M, Kennalley T, et al. A multicenter evaluation of how many infants with permanent hearing loss pass a two-stage otoacoustic emissions/automated auditory brainstem response newborn hearing screening protocol. Pediatrics 2005;116:663-72.
  • 56.Joint Committee on Infant Hearing. Year 2007 position statement: Principles and guidelines for early hearing detection and intervention programs. Pediatrics 2007;120:898-921.
  • 57.Kennedy CR, McCann DC, Campbell MJ, Law CM, Mullee M, Petrou S, et al. Language ability after early detection of permanent childhood hearing impairment. N Engl J Med 2006;354:2131-41.
  • 58.Knijn AMS, Pieters HM. De waarde van pneumatische otoscopie bij otitis media met effusie. Huisarts Wet 1994;37:343-7.
  • 59.Knudsen LV, Oberg M, Nielsen C, Naylor G, Kramer SE. Factors influencing help seeking, hearing aid uptake, hearing aid use and satisfaction with hearing aids: a review of the literature. Trends Amplif 2010;14:127-54.
  • 60.Koomen I, Grobbee DE, Roord JJ, Donders R, Jennekens-Schinkel A, Van Furth AM. Hearing loss at school age in survivors of bacterial meningitis: assessment, incidence, and prediction. Pediatrics 2003;112:1049-53.
  • 61.Korver AM, Meuwese-Jongejeugd J, Briaire JJ, Frijns JH, Oudesluys-Murphy AM. Permanent gehoorverlies in de prelinguale fase bij kinderen met een niet-afwijkende uitslag bij neonatale gehoorscreening. Ned Tijdschr Geneeskd 2008;152:426-30.
  • 62.Korver AM, Konings S, Dekker FW, Beers M, Wever CC, Frijns JH, et al. Newborn hearing screening vs later hearing screening and developmental outcomes in children with permanent childhood hearing impairment. JAMA 2010;304:1701-8.
  • 63.Korver AM, De Vries JJ, Konings S, De Jong JW, Dekker FW, Vossen AC, et al. DECIBEL study: Congenital cytomegalovirus infection in young children with permanent bilateral hearing impairment in the Netherlands. J Clin Virol 2009;46 Suppl 4:S27-S31.
  • 64.Korver AM, Admiraal RJ, Kant SG, Dekker FW, Wever CC, Kunst HP, et al. Causes of permanent childhood hearing impairment. Laryngoscope 2011;121:409-16.
  • 65.Kricos PB, Holmes AE. Efficacy of audiologic rehabilitation for older adults. J Am Acad Audiol 1996;7:219-29.
  • 66.Kristensen S. Spontaneous healing of traumatic tympanic membrane perforations in man: a century of experience. J Laryngol Otol 1992;106:1037-50.
  • 67.Lichtenstein MJ, Bess FH, Logan SA. Validation of screening tools for identifying hearing-impaired elderly in primary care. JAMA 1988;259:2875-8.
  • 68.Lin FR, Yaffe K, Xia J, Xue QL, Harris TB, Purchase-Helzner E et al. Hearing loss and cognitive decline in older adults. JAMA Intern Med 2013;173:293-9.
  • 69.Lindeman P, Edstrom S, Granstrom G, Jacobsson S, Von Sydow SC, Westin T, et al. Acute traumatic tympanic membrane perforations. Cover or observe? Arch Otolaryngol Head Neck Surg 1987;113:1285-7.
  • 70.Lo PS, Tong MC, Wong EM, Van Hasselt CA. Parental suspicion of hearing loss in children with otitis media with effusion. Eur J Pediatr 2006;165:851-7.
  • 71.Lou ZC, He JG. A randomised controlled trial comparing spontaneous healing, gelfoam patching and edge-approximation plus gelfoam patching in traumatic tympanic membrane perforation with inverted or everted edges. Clin Otolaryngol 2011a;36:221-6.
  • 72.Lou ZC, Tang YM, Yang J. A prospective study evaluating spontaneous healing of aetiology, size and type-different groups of traumatic tympanic membrane perforation. Clin Otolaryngol 2011b;36:450-60.
  • 73.Lou ZC. Healing large traumatic eardrum perforations in humans using fibroblast growth factor applied directly or via gelfoam. Otol Neurotol 2012a;33:1553-7.
  • 74.Lou ZC, Lou ZH, Zhang QP. Traumatic tympanic membrane perforations: a study of etiology and factors affecting outcome. Am J Otolaryngol 2012b;33:549-55.
  • 75.Lou ZC. Late crust formation as a predictor of healing of traumatic, dry, and minor-sized tympanic membrane perforations. Am J Otolaryngol 2013;34:282-6.
  • 76.Loveman E, Gospodarevskaya E, Clegg A, Bryant J, Harris P, Bird A, et al. Ear wax removal interventions: a systematic review and economic evaluation. Br J Gen Pract 2011;61:e680-e683.
  • 77.Lu J, Huang Z, Yang T, Li Y, Mei L, Xiang M, et al. Screening for delayed-onset hearing loss in preschool children who previously passed the newborn hearing screening. Int J Pediatr Otorhinolaryngol 2011;75:1045-9.
  • 78.Macphee GJ, Crowther JA, McAlpine CH. A simple screening test for hearing impairment in elderly patients. Age Ageing 1988;17:347-51.
  • 79.Marinus E, Putman J, Hoorenman G, Sorgdrager B. Geluid (2008). www.arbokennisnet.nl/images/dynamic/Dossiers/Geluid_en_trillingen/D_Geluid.pdf.
  • 80.Memel D, Langley C, Watkins C, Laue B, Birchall M, Bachmann M. Effectiveness of ear syringing in general practice: a randomised controlled trial and patients’ experiences. Br J Gen Pract 2002;52:906-11.
  • 81.Meuwese-Jongejeugd A, Vink M, van Zanten B, Verschuure H, Eichhorn E, Koopman D et al. Prevalence of hearing loss in 1598 adults with an intellectual disability: cross-sectional population based study. Int J Audiol 2006;45:660-9.
  • 82.Miyamoto RT, Hay-McCutcheon MJ, Kirk KI, Houston DM, Bergeson-Dana T. Language skills of profoundly deaf children who received cochlear implants under 12 months of age: a preliminary study. Acta Otolaryngol 2008;128:373-7.
  • 83.Muchnik C, Amir N, Shabtai E, Kaplan-Neeman R. Preferred listening levels of personal listening devices in young teenagers: self reports and physical measurements. Int J Audiol 2012;51:287-93.
  • 84.Mul M, Veraart W, Bierman A. Slechtshorendheid bij mensen met een verstandelijke handicap in de huisartspraktijk. Huisarts Wet 1997;40:301-4.
  • 85.Mulrow CD, Aguilar C, Endicott JE, Tuley MR, Velez R, Charlip WS, et al. Quality-of-life changes and hearing impairment. A randomized trial. Ann Intern Med 1990;113:188-94.
  • 86.Nachtegaal J, Festen JM, Kramer SE. Hearing ability in working life and its relationship with sick leave and self-reported work productivity. Ear Hear 2012;33:94-103.
  • 87.Nachtegaal J, Kuik DJ, Anema JR, Goverts ST, Festen JM, Kramer SE. Hearing status, need for recovery after work, and psychosocial work characteristics: results from an internet-based national survey on hearing. Int J Audiol 2009;48:684-91.
  • 88.Nachtegaal J, Heymans MW, Van Tulder MW, Goverts ST, Festen JM, Kramer SE. Comparing health care use and related costs between groups with and without hearing impairment. Int J Audiol 2010;49:881-90.
  • 89.Nadol JB, Jr. Hearing loss. N Engl J Med 1993;329:1092-102.
  • 90.Nationaal Kompas. Gehoorstoornissen: Prevalentie en incidentie naar leeftijd en geslacht. www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/ziekten-en-aandoeningen/zenuwstelsel-en-zintuigen/gehoorstoornissen/prevalentie-en-incidentie-naar-leeftijd-en-geslacht/.
  • 91.NCvB. Beroepsziekten in cijfers (2012). www.rsi-vereniging.nl/en/downloads/category/4.html?download=94.
  • 92.NIVEL. LINH Zorgregistratie huisartsen (2011). www.nivel.nl/incidentie-en-prevalentiecijfers-in-de-huisartsenpraktijk.
  • 93.NVA. Audiologieboek (2013). www.audiologieboek.nl.
  • 94.Orji FT, Agu CC. Determinants of spontaneous healing in traumatic perforations of the tympanic membrane. Clin Otolaryngol 2008;33:420-6.
  • 95.Oudesluys-Murphy AM, Van Straaten HL, Ens-Dokkum MH, Kauffman-De Boer MA. Neonatale gehoorscreening. Ned Tijdschr Geneeskd 2000;144:594-8.
  • 96.Pimperton H, Kennedy CR. The impact of early identification of permanent childhood hearing impairment on speech and language outcomes. Arch Dis Child 2012;97:648-53.
  • 97.Pirozzo S, Papinczak T, Glasziou P. Whispered voice test for screening for hearing impairment in adults and children: systematic review. BMJ 2003;327:967.
  • 98.Popelka MM, Cruickshanks KJ, Wiley TL, Tweed TS, Klein BE, Klein R. Low prevalence of hearing aid use among older adults with hearing loss: the Epidemiology of Hearing Loss Study. J Am Geriatr Soc 1998;46:1075-8.
  • 99.Rosenfeld RM, Goldsmith AJ, Madell JR. How accurate is parent rating of hearing for children with otitis media? Arch Otolaryngol Head Neck Surg 1998;124:989-92.
  • 100.Rydberg E, Gellerstedt LC, Danermark B. The position of the deaf in the Swedish labor market. Am Ann Deaf 2010;155:68-77.
  • 101.Rydzynski K, Jung Th. Potential health risks of exposure to noise from personal music players and mobile phones including a music playing function. Brussel: SCENIHR, 2008.
  • 102.Santing L, Eijk R, Van der Donker G. Cholesteatoom: een wolf in schaapskleren. Huisarts Wet 2012;55:78-81.
  • 103.Scherer MJ, Frisina DR. Characteristics associated with marginal hearing loss and subjective well-being among a sample of older adults. J Rehabil Res Dev 1998;35:420-6.
  • 104.Schmiemann G, Kruschinski C. Komplikationshaufigkeit bei der ambulanten Zerumenentfernung: Systematische Literaturubersicht. HNO 2009;57:713-8.
  • 105.Shargorodsky J, Curhan SG, Curhan GC, Eavey R. Change in prevalence of hearing loss in US adolescents. JAMA 2010;304:772-8.
  • 106.Sharp JF, Wilson JA, Ross L, Barr-Hamilton RM. Ear wax removal: a survey of current practice. BMJ 1990;301:1251-3.
  • 107.Sindhusake D, Golding M, Wigney D, Newall P, Jakobsen K, Mitchell P. Factors predicting severity of tinnitus: a population-based assessment. J Am Acad Audiol 2004;15:269-80.
  • 108.Smeeth L, Fletcher AE, Ng ES, Stirling S, Nunes M, Breeze E, et al. Reduced hearing, ownership, and use of hearing aids in elderly people in the UK--the MRC Trial of the Assessment and Management of Older People in the Community: a cross-sectional survey. Lancet 2002;359:1466-70.
  • 109.Smits C, Kramer SE, Houtgast T. Speech reception thresholds in noise and self-reported hearing disability in a general adult population. Ear Hear 2006;27:538-49.
  • 110.Snik AF, Leijendeckers JM, Marres HA. Behandeling van ouderdomsslechthorendheid: hoortoestellen niet erg geliefd. Ned Tijdschr Geneeskd 2013;157:A5007.
  • 111.Spreeuwers D, Kuijer P, Nieuwenhuijsen K, Bakker J, Pal T, Sorgdrager B, et al. Signaleringsrapport beroepsziekten ‘06 (2006). Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). www.beroepsziekten.nl/datafiles/Signaleringsrapport%202006.pdf.
  • 112.Sprinzl GM, Riechelmann H. Current trends in treating hearing loss in elderly people: a review of the technology and treatment options - a mini-review. Gerontology 2010;56:351-8.
  • 113.Stankiewicz JA, Mowry HJ. Clinical accuracy of tuning fork tests. Laryngoscope 1979;89:1956-63.
  • 114.Stark P, Hickson L. Outcomes of hearing aid fitting for older people with hearing impairment and their significant others. Int J Audiol 2004;43:390-8.
  • 115.Stewart MG, Ohlms LA, Friedman EM, Sulek M, Duncan NO, III, Fernandez AD et al. Is parental perception an accurate predictor of childhood hearing loss? A prospective study. Otolaryngol Head Neck Surg 1999;120:340-4.
  • 116.Tambs K. Moderate effects of hearing loss on mental health and subjective well-being: results from the Nord-Trondelag Hearing Loss Study. Psychosom Med 2004;66:776-82.
  • 117.Tange RA. De preventie van gehoorverlies door geneesmiddelengebruik. Ned Tijdschr Geneeskd 1987;131:709-12.
  • 118.Theunissen EJ. De screening van het gehoor bij kinderen tot 18 maanden oud. Ned Tijdschr Geneeskd 2000;144:589-93.
  • 119.Van den Brink RHS. Attitude and illness behaviour in hearing impaired elderly [proefschrift]. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 1995.
  • 120.Van der Ploeg CPB, Rijpstra A. Monitoring van de neonatale gehoorscreening door de jeugdgezondheidszorg in 2010. Leiden: TNO, 2012.
  • 121.Van Drongelen AW, Peters-Volleberg GW, Van den Berg Jeths A. Ontwikkelingen op het gebied van hoorhulpmiddelen. Ned Tijdschr Geneeskd 2001;145:2417-21.
  • 122.Van Laer L, Cryns K, Smith RJ, Van Camp G. Nonsyndromic hearing loss. Ear Hear 2003;24:275-88.
  • 123.Van Schaik VHM. Hearing loss in the elderly: hearing questionnaires in general practice [proefschrift]. Utrecht: Universiteit Utrecht, 1998.
  • 124.Van Straaten HLM, Van Dommelen P, Verkerk PH. Jaarverslag neonatale gehoorscreening in de neonatale intensive care units (2011). www.isala.nl/documenten/Algemeen/2011%20Jaarverslag%20NICU%20neonatalegehoorscreening-def.pdf .
  • 125.Vohr B, Jodoin-Krauzyk J, Tucker R, Johnson MJ, Topol D, Ahlgren M. Early language outcomes of early-identified infants with permanent hearing loss at 12 to 16 months of age. Pediatrics 2008;122:535-44.
  • 126.Wake M, Poulakis Z. Slight and mild hearing loss in primary school children. J Paediatr Child Health 2004;40:11-3.
  • 127.Wake M, Tobin S, Cone-Wesson B, Dahl HH, Gillam L, McCormick L, et al. Slight/mild sensorineural hearing loss in children. Pediatrics 2006;118:1842-51.
  • 128.Wei BP, Stathopoulos D, O’Leary S. Steroids for idiopathic sudden sensorineural hearing loss. Cochrane Database Syst Rev 2013;7:CD003998.
  • 129.Weichbold V, Nekahm-Heis D, Welzl-Mueller K. Universal newborn hearing screening and postnatal hearing loss. Pediatrics 2006;117:e631-e636.
  • 130.Wijshake D, Bruins MJ, De Vries-Van Rossum SV, Klein Overmeen RGJ, Ruijs GJHM. Otitis externa na cerumenlavage. Huisarts Wet 2013;56:12-6.
  • 131.Wilson PS, Fleming DM, Donaldson I. Prevalence of hearing loss among people aged 65 years and over: screening and hearing aid provision. Br J Gen Pract 1993;43:406-9.
  • 132.Wolff R, Hommerich J, Riemsma R, Antes G, Lange S, Kleijnen J. Hearing screening in newborns: systematic review of accuracy, effectiveness, and effects of interventions after screening. Arch Dis Child 2010;95:130-5.
  • 133.World Health Organization (WHO). International classification of impairments, disabilities and handicaps: a manual of classification of diseases. Geneve: WHO, 1980.
  • 134.Young NM, Reilly BK, Burke L. Limitations of universal newborn hearing screening in early identification of pediatric cochlear implant candidates. Arch Otolaryngol Head Neck Surg 2011;137:230-4.
  • 135.Yueh B, Shapiro N, MacLean CH, Shekelle PG. Screening and management of adult hearing loss in primary care: scientific review. JAMA 2003;289:1976-85.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen