Nieuws

Rouw of depressie?

0 reacties
Gepubliceerd
4 december 2013
Dossier
Sterven doet verdriet, en gewoonlijk gaat dit gepaard met somberheid, boosheid, angst, gevoelens van zinloosheid en verlies van belangstelling. Meestal ook zijn er lichamelijke klachten als gebrek aan eetlust, vermoeidheid, slapeloosheid, concentratieverlies. Het is niet altijd gemakkelijk om zulke normale rouwverschijnselen te onderscheiden van een depressie. In haar proefschrift Depression in palliative care. Normal sadness or disorder? gaat Franca Warmenhoven in op het onderscheid tussen normale en pathologische somberheid bij palliatieve patiënten. Dit onderscheid is belangrijk omdat zorgverleners willen weten of ze met een te behandelen depressie te maken hebt of dat ze misschien moeten helpen een normaal rouwproces te ondersteunen.
Anders dan vaak wordt gedacht, blijken palliatieve patiënten in hun laatste levensjaar niet of nauwelijks vaker depressief dan anderen: 1,9% versus 1,7% landelijk. Op grond van een intensief diagnostisch psychiatrisch interview heeft 3% van de poliklinische kankerpatiënten een depressie.
Uit een vergelijking tussen een aantal depressievragenlijsten en een symptoomvragenlijst (Beck Depression Inventory (BDI-II), Beck Depression Inventory Primary Care (BDI-PC), Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS) en de Memorial Symptom Assessment Scale-short form (MSAS-SF)) blijkt verder dat scores op de depressievragenlijsten sterk samenhangen met die voor lichamelijke klachten. Alleen de cognitieve subschaal van de BDI-II (met vragen naar gedachten over schuld, zelfmoord, pessimisme) doet dat niet. Het gewicht dat de lichamelijke klachten in deze screeningsinstrumenten krijgen, maakt deze instrumenten minder geschikt voor mensen met veel lichamelijke klachten, zoals palliatieve patiënten. Ook de simpele vraag ‘voelt u zich depressief?’ onderscheidt onvoldoende om bruikbaar te zijn, aldus Warmenhoven. Huisartsen gaven in focusgroepsgesprekken aan het over het algemeen lastig te vinden om een depressie van normale rouw te onderscheiden.
In het mijns inziens interessantste hoofdstuk beschrijft de auteur een verkenning onder vijftien palliatieve patiënten naar wat hen op de been houdt. Inzicht daarin kan mogelijk helpen bij het vinden van alternatieve vormen van steun en behandeling. De ‘bronnen van kracht’ die patiënten noemen, zijn niet allemaal verrassend: een optimistische en actieve opstelling tegenover het leven, soms geloof en spiritualiteit, de aanwezigheid van familie en vrienden en een enkele keer een zorgzame hulpverlener. Interessant is de vraag of het onderscheid tussen pathologische en normale rouw niet juist bestaat in het kunnen benoemen van zulke ‘krachtbronnen’.
Van Warmenhoven behandelt in haar proefschrift een belangrijke kwestie: wanneer is somberheid bij palliatieve patiënten pathologisch? In acht korte en uitermate heldere hoofdstukken beantwoordt het proefschrift een klein beetje van deze vraag. Maar er is nog heel veel waarop we het antwoord schuldig blijven. Het is de verdienste van Warmenhoven richting te hebben gegeven waar vooral verder te zoeken.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen