Nieuws

Barrières bij gynaecologisch onderzoek

2 reacties
Gepubliceerd
12 september 2019
Mannelijke huisartsen ervaren mogelijk barrières in het doen van gynaecologisch onderzoek en dat kan leiden tot ondermaatse zorg. Aan de andere kant kan deze terughoudendheid onnodig bimanueel onderzoek bij asymptomatische patiënten voorkomen. Dat concluderen onderzoekers op basis van een survey onder Noorse huisartsen.

Het onderzoek was gericht op de indicaties voor huisartsen om gynaecologisch onderzoek te doen en de mogelijke obstakels daarbij, vooral omdat hierover in Noorwegen geen officiële richtlijnen bestaan. De onderzoekers zetten in 2015 een vragenlijst uit onder 175 huisartsen: 87% van hen retourneerde de vragenlijst, 60% van de respondenten was man. De onderzoekers corrigeerden de resultaten voor leeftijd, geslacht, specialisatie en locatie.

Acht procent van de huisartsen zorgde ervoor dat een collega bij het gynaecologisch onderzoek aanwezig was, mannen deden dit vaker dan vrouwen (aangepaste oddsratio (aOR) 9,11; 95%-BI 1,11 tot 74,85). Mannelijke huisartsen verrichtten minder vaak bimanueel onderzoek bij een ‘routine-uitstrijkje’ (aOR 0,29; 95%-BI 0,13 tot 0,64). Bij patiëntes die bang waren voor het gynaecologisch onderzoek liet 28% van de huisartsen het onderzoek vaak of altijd achterwege; 42% deed dit als de arts-patiëntrelatie als een obstakel werd gevoeld, 35% als een patiënt vroeg om een verwijzing naar de gynaecoloog en 37% als de huisarts zelf besloot te verwijzen. Mannelijke huisartsen deden in deze gevallen het gynaecologisch onderzoek vaker niet, gemiddeld in 46% van de gevallen.

De NHG-Praktijkhandleiding Baarmoederhalskanker: Bevolkingsonderzoek en diagnostiek beveelt een bimanueel onderzoek niet aan bij patiënten die voor een ‘routine-uitstrijkje’ komen. Een goed idee dus om dit achterwege te laten. Bij patiënten die bang zijn voor het gynaecologisch onderzoek is het echter verstandiger, zowel voor de mannelijke als vrouwelijke huisarts, om hierover het gesprek aan te gaan dan om het onderzoek achterwege te laten.

Literatuur

  • Hjörleifsson S, et al. The when and how of the gynaecological examination: a survey among Norwegian general practitioners. Scand J Prim Health Care 2019;37:264-70.

Reacties (2)

Marcel van Philips 17 september 2019
Nog lang voor de Me-2 discussie, nu een jaar of twee gaande was, ben ik immer terughoudend als mannelijke huisarts om gynaecologisch lichamelijk onderzoek te doen bij vrouwen. Zelfs "alleen kijken" doe ik als ik het echt nodig vindt, bijv. omdat klachten niet overgaan of vanwege anamnese die hiertoe serieus aanleiding geeft. Dit komt omdat ik me bewust ben van de gevoeligheid voor het onderzoek, het gevoel die een vrouw kan hebben bekeken en betast te worden door een man, ook al ben ik huisarts en gebeurt dit om medische redenen. Ik doe wel mijn best vrouwen niet tekort te doen, door mijn weloverwogen terughoudendheid. Je wilt natuurlijk ook geen dingen missen. Maar, niet onbelangrijk, ik wil niet verkeerd begrepen worden, laat staan onterecht beticht worden door vrouwen van ongewenste intimiteiten. Het hoeft maar één keer te gebeuren, als iemand iets fout opvat, of gewoon van het padje, of iets tegen mannen of mij persoon zou hebben, en m'n carrière is naar de filistijnen. Daarom ben ik terughoudend, ook vanwege zelfbescherming dus.   Ben benieuwd hoe andere mannelijke collega's dit zien en wat is de mening van vrouwelijke collega's?
Peter Leusink 17 september 2019
Beste collega, beste Marcel, Veel dank voor jouw eerlijke reactie. Je bent niet de enige die hier zo over denkt, voelt en naar handelt. Ik heb in het kader van mijn promotieonderzoek naar de diagnostiek van vulvodynie hier kwalitatief onderzoek naar gedaan en dit genderaspect ten aanzien van terughoudendheid bij gynaecologisch onderzoek dat jij naar voren haalt vonden wij ook (Leusink P, et al. Facilitators and barriers in the diagnostic process of vulvovaginal complaints (vulvodynia) in general practice: a qualitative study. Eur J Gen Pract. 2018;24:92–8). Het Noorse onderzoek bevestigt dit op kwantitatieve wijze met de kanttekening dat culturele en huisartsgeneeskundige waarden en normen in Nederland en Noorwegen kunnen verschillen. En ik heb goed nieuws: Nederlandse vrouwen met vulvodynie die wij hebben geïnterviewd wilden juist graag goed en volledig onderzocht (en seksuologisch bevraagd) worden door de huisarts, mits – en dat is belangrijk – de huisarts een persoonsgerichte, empathische aanpak had en transparant communiceerde over zijn/haar aanpak (Leusink P. et al. Women's appraisal of the management of vulvodynia by their general practitioner: a qualitative study. Fam Pract. 2019, pii: cmz021. doi: 10.1093/fampra/cmz021). We hebben hierover geen kwantitatief onderzoek gedaan, buitenlands onderzoeken in gynaecologische settingen bevestigen wel onze bevindingen. Overigens kunnen ook vrouwelijke huisartsen terughoudend zijn bij onderzoek van de penis. Hoe dan ook, genitaal onderzoek laat soms handelingsverlegenheid onder artsen zien, en wordt vaak ten onrechte aan factoren van de patiënt geweten terwijl het eigenlijk is gebaseerd op eigen schaamte die tot onnodige terughoudendheid kan leiden. Seksuele grensoverschrijding vindt juist dan niet plaats. De huisarts die grenzen overgaat kent juist geen schaamte en zal niet reflecteren zoals jij dat wel laat zien in jouw reactie. Schaamte is dus een groot goed, maar zet het wel professioneel in. Vrouwen zijn uiteindelijk niet geholpen bij een huisarts die vermijdend of defensief is, hoe goed bedoeld in eerste instantie ook. Vrouwen zijn wel gebaat bij een huisarts die open met haar bespreekt hoe een gynaecologisch onderzoek precies gaat, waarom het nodig is en haar daar toestemming voor vraagt. Ik zou niet weten waarom een mannelijke huisarts dit niet zou kunnen. Ik denk dat het goed is dat (met name mannelijke) huisartsen hierover gaan spreken in intervisie en/of supervisie en dat de huisartsopleiding aan dit genderaspect aandacht besteedt.

Verder lezen