Nieuws

Gastro-enteritis op het kinderdagverblijf

Gepubliceerd
3 september 2014
Dit onderzoek is een samenwerkingsverband tussen het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Universitair Medisch Centrum Utrecht, de 40 huisartsenpeilstations van NIVEL Zorgregistraties eerste lijn en het Statens Serum Institute (SSI, Denemarken).
De helft van alle Nederlandse kinderen tussen 0 en 4 jaar (350.000) bezoekt wekelijks een van de 6000 kinderdagverblijven in ons land. Hoewel verondersteld wordt dat kinderdagverblijven de verspreiding van infectieziekten binnen én vanuit het kinderdagverblijf in de hand werken, is er verbazend weinig bekend over de epidemiologie: ziektelast, risicofactoren voor circulatie van enteropathogenen en effectiviteit van preventie. Veel van de richtlijnen ter controle en preventie van infectieziekten in de kinderopvang zijn daarom maar beperkt wetenschappelijk onderbouwd. Sinds 2010 loopt er een onderzoek over de impact en risicofactoren van kinderdagverblijfgerelateerde infectieziekten in een netwerk van 100 kinderdagverblijven en in een cross-sectioneel onderzoek van 8500 jonge gezinnen in Nederland. Beide onderzoeken zijn bedoeld om meer inzicht te krijgen in (onder andere) de epidemiologie van gastro-enteritis op het kinderdagverblijf. Huisartsen zien veel van deze kinderen en moeten alert zijn op uitbraken.

Impact en risicofactoren

Het onderzoek in kinderdagverblijven toont aan dat kinderen in kinderdagopvang een 1,4 keer hoger risico op gastro-enteritis hebben, vergeleken met kinderen die niet naar het kinderdagverblijf gaan. Vooral de heel jonge kinderen (0-2 jaar) lopen risico. Deze kinderen bezoeken hun huisarts 1,7 keer vaker (80 versus 47 maal per 1000 kind-jaren) dan te verwachten is op basis van landelijke huisartsencijfers voor kinderen van 0-2 jaar [figuur 1] en lopen eenzelfde hoger risico op hospitalisatie voor gastro-enteritis.
Er circuleren veel enteropathogen in het kinderdagverblijf die gastro-enteritis kunnen veroorzaken. In ongeveer 70% van de kinderen op een kinderdagverblijf kan een bacterie, virus of parasiet worden aangetoond. Rotavirus, norovirus, astrovirus, Giardialamblia en Cryptosporidium hominis zijn het meest geassocieerd met klachten [figuur 2]. Tezamen verklaren deze vijf enteropathogenen 40% van alle gastro-enteritis in het kinderdagverblijf.
Verschillende aspecten van het kinderdagverblijf zijn geassocieerd met de frequentie waarmee gastro-enteritis op het kinderdagverblijf voorkomt. Voor elk kind extra op het kinderdagverblijf neemt de incidentie van gastro-enteritis bijvoorbeeld met 0,1% toe. Dieren op het kinderdagverblijf (Giardia), zandbakken en zwembadjes zijn ook geassocieerd met een verhoogd voorkomen van gastro-enteritis, net als veel bewegingen van medewerkers tussen kindergroepen. Exclusie van zieke kinderen en het niet-mixen van medewerkers die werkzaam zijn op verschillende kindergroepen leidt daarentegen tot minder gastro-enteritis op het kinderdagverblijf. Verrassend genoeg vond het onderzoek geen bewijs voor handhygiëne als belangrijke preventieve maatregel tegen gastro-enteritis.

Conclusie

Het onderzoek toont aan dat de impact van gastro-enteritis op kinderdagverblijven aanzienlijk is, maar ook dat een deel daarvan mogelijk te voorkomen is via verbetering van preventiestrategieën, zoals zieke kinderen thuis houden en het goed scheiden van kindergroepen en hun medewerkers. Een kwaliteitskeurmerk voor kinderopvangverblijven zou preventiestrategieën kunnen bevorderen.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen