Praktijk

Kennistoets: vragen

Gepubliceerd
31 juli 2013
De huisarts legt een spoedvisite af bij de heer Paters, 72 jaar. Hij heeft gebeld omdat hij ongeveer een uur draaiduizelig is geweest en dubbel zag. Bij aankomst van de huisarts zijn de klachten van de heer Paters verdwenen. Bij neurologisch onderzoek vindt de huisarts geen afwijkingen. Hij stelt dat er sprake is geweest van een TIA. Hij twijfelt tussen een TIA als gevolg van een stoornis in het stroomgebied van de arteria basilaris of van de arteria carotis interna. Voor een TIA als gevolg van een stoornis in het stroomgebied van de arteria carotis interna pleit/pleiten:
1. - de draaiduizeligheid;
2. - het dubbelzien.
De heer Oorebeek, 36 jaar, heeft sinds vier weken last van heftig hoesten met gierende hoestaanvallen. De huisarts denkt aan kinkhoest. Omdat er in het gezin vijf weken geleden een jongen is geboren, wil hij de diagnose bevestigen. Hij vraagt hiervoor serologisch onderzoek aan.
3. Om de diagnose kinkhoest te bevestigen, is serologie in dit geval het onderzoek van eerste keus.
Hij legt de heer Oorebeek uit dat hij het hele gezin preventief wil behandelen met antibiotica in verband met de jonge leeftijd van zijn zoon. Hij wil hiermee starten voordat de uitslag van het onderzoek naar kinkhoest bekend is.
4. Starten voordat de diagnose is bevestigd, is in dit geval correct.
Daarnaast adviseert hij vanwege de jonge leeftijd van zijn zoon de vaccinatie tegen kinkhoest te vervroegen.
5. Vervroegde vaccinatie is mogelijk vanaf de leeftijd van vier weken.
Mevrouw Geelen, 86 jaar, heeft sinds tien jaar diabetes mellitus type 2. De laatste drie jaar gaat haar nierfunctie gestaag achteruit. Bij de jaarcontrole was haar bloeddruk 136/78 mmHg en haar creatinine 96 µmol/l. De huisarts berekent de klaring, die is 51 ml/min. Ze legt mevrouw Geelen uit dat haar nieren niet meer optimaal werken. Mevrouw Geelen vraagt wat de betekenis hiervan is. De huisarts legt uit dat gevolgen hiervan onder andere anemie en (1) een verstoorde botstofwisseling zijn. Ook vertelt de huisarts dat de dosering van haar medicatie in de toekomst moet worden aangepast, maar dat (2) dit pas nodig is bij een klaring van minder dan 30 ml/min.
6. De bewering over de verstoorde botstofwisseling (1) is correct.
7. De bewering na (2) is correct.
Bij mevrouw Deetman, 62 jaar, heeft de huisarts onderzoek laten doen naar het functioneren van haar schildklier. Het TSH blijkt verhoogd te zijn en het vrije T4 verlaagd. De huisarts legt mevrouw Deetman uit (1) dat zij een te traag werkende schildklier heeft; (2) dat dit in meer dan 90% van de gevallen veroorzaakt wordt door de ziekte van Hashimoto (thyreoïditis) en (3) dat de ziekte van Hashimoto vanzelf weer overgaat.
8. Bewering 1 is correct.
9. Bewering 2 is correct.
10. Bewering 3 is correct.
De antwoorden staan op pagina 428.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen