NHG richtlijn

NHG-Standaard Incontinentie voor urine bij vrouwen (tweede herziening)

0 reacties
Belangrijkste wijzigingen
  • De standaard richt zich alleen op vrouwen met incontinentie voor urine. Het beleid bij mannen met incontinentie voor urine staat beschreven in de NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen.
  • De term urge-incontinentie is vervangen door urgency-incontinentie.
  • De standaard bevat een overzicht van kenmerken van de verschillende behandelopties bij stress- en urgency-incontinentie.
  • Het midurethrale bandje bij stressincontinentie heeft een prominentere plaats gekregen in het beleid.

Kernboodschappen
  • Urine-incontinentie komt bij een kwart tot de helft van de volwassen vrouwen voor en kan gepaard gaan met aanzienlijke negatieve gevolgen voor de kwaliteit van leven.
  • De huisarts is alert op signalen voor het bestaan van urine-incontinentie, zoals het verzoek tot het voorschrijven van opvangmaterialen.
  • De huisarts gaat bij vrouwen met urine-incontinentie na of zij behandeling wensen en bespreekt in dat geval de behandelopties.
  • Bij vrouwen met stressincontinentie zijn bekkenbodemspieroefeningen of het dragen van een pessarium eerste keuze. Met vrouwen met ernstige klachten (meerdere keren per week incontinentie met veel hinder) bespreekt de huisarts ook de plaatsing van een midurethraalbandje als initiële behandeloptie.
  • Bij vrouwen met urgency-incontinentie wordt als eerste stap in de behandeling blaastraining aanbevolen. Indien dit onvoldoende effectief is, kan een urologisch spasmolyticum toegevoegd worden. Eerste keus is in dat geval het anticholinergicum tolterodine met vertraagde afgifte.
  • Begeleiding bij oefentherapie bij stress- en urgency-incontinentie kan plaatsvinden in de huisartsenpraktijk of bij een (bekken)fysiotherapeut.
  • Bij oudere vrouwen zijn de behandelopties dezelfde als bij jongere vrouwen, zij het dat bij hen vaker rekening gehouden zal moeten worden met comorbiditeit en gebruik van (andere) medicatie.

Delegeren van taken

NHG-Standaarden bevatten richtlijnen voor huisartsen. Dit betekent niet dat de huisarts alle genoemde taken persoonlijk moet verrichten. Sommige taken kan de huisarts delegeren aan de praktijkassistente, praktijkondersteuner of praktijkverpleegkundige, mits zij worden ondersteund door duidelijke werkafspraken waarin is vastgelegd in welke situaties zij de huisarts moeten raadplegen en mits de huisarts toeziet op de kwaliteit. Omdat de keuze van de te delegeren taken sterk afhankelijk is van de lokale situatie, bevatten de standaarden daarvoor geen concrete aanbevelingen.
Evenmin bevatten standaarden gedetailleerde aanwijzingen over de beoordeling van het spoedeisende karakter van een hulpvraag als de patiёnt zich telefonisch meldt bij de triagist tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten of bij de praktijkassistente tijdens praktijkuren. Meer gedetailleerde informatie hierover is te vinden in de NHG-TriageWijzer. Ook bij telefonische spoedbeoordeling geldt dat de huisarts verantwoordelijk blijft en moet toezien op de kwaliteit.

Inleiding

De NHG-Standaard Incontinentie voor urineincontinentie voor urine bij vrouwen geeft richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van volwassen vrouwen met klachten van stressincontinentie, urgency-incontinentie en gemengde incontinentie. De standaard richt zich alleen op vrouwen. Het beleid bij mannen met incontinentie voor urine staat beschreven in de NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen. Urgency-incontinentie is vaak onderdeel van het overactieveblaassyndroom. Dit syndroom kan ook voorkomen zonder incontinentie; indien behandeling noodzakelijk is, is deze hetzelfde als bij urgency-incontinentie. De achtergronden van reflexincontinentie, continue en overloopincontinentie worden kort beschreven, maar de behandeling ervan valt buiten het bestek van deze standaard. De standaard sluit aan op de multidisciplinaire richtlijn Urine-incontinentie bij vrouwen van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO/Landelijk Expertisecentrum Verpleging en Verzorging (CBO/LEVV), de richtlijn Stress (urine-)incontinentie van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) en de richtlijn Urine-incontinentie van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en de Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU).1 De standaard bevat aanbevelingen over samenwerking met (bekken)fysiotherapeuten, gynaecologen en urologen.

Achtergronden

Begrippen

Incontinentie voor urine: iedere vorm van ongewild urineverlies.2
Stressincontinentiestressincontinentie (inspanningsincontinentie): urine-incontinentie zonder aandrang, die optreedt bij intra-abdominale drukverhoging, zoals bij sporten, niezen of hoesten.
Urgency-incontinentieurgency-incontinentie (aandrangincontinentie): urine-incontinentie die samengaat met of direct wordt voorafgegaan door een plotselinge onbedwingbare aandrang om te plassen (urgency).
Gemengde incontinentieincontinentie: urine-incontinentie met zowel kenmerken van stress- als van urgency-incontinentie.
Het overactieveblaassyndroomoveractieveblaassyndroom: syndroom van klachten van plotselinge onbedwingbare aandrang om te plassen, vaak in combinatie met een toegenomen mictiefrequentie en nycturie. Incontinentie is geen verplicht verschijnsel. Oorzaken zoals een urineweginfectie dienen te zijn uitgesloten.

Epidemiologie

Urine-incontinentie komt – afhankelijk van de gehanteerde definitie – voor bij een kwart tot ruim de helft van alle volwassen vrouwen.3 De prevalentie neemt toe met het stijgen van de leeftijd. In de loop van een zwangerschap wordt eenderde van de vrouwen incontinent. Een half jaar na de bevalling is bij meer dan de helft van deze vrouwen spontaan herstel opgetreden.4 Ongeveer eenderde van alle vrouwen met incontinentie voor urine heeft ooit professionele hulp gezocht.3,5
Bij vrouwen jonger dan vijftig jaar is stressincontinentie de meestvoorkomende vorm; bij oudere vrouwen gaat het vaker om urgency-incontinentie of gemengde incontinentie.6

Fysiologie

Bij vrouwen wordt de blaas afgesloten door circulair dwarsgestreept spierweefsel in de urethrawand en de bekkenbodemspieren. De bekkenbodem spant bij intra-abdominale drukverhoging, zoals bij hoesten, aan om urineverlies te voorkómen. Bij de mictie, defecatie en de coïtus ontspant de bekkenbodem. Bij een gemiddelde vochtinname is de normale mictiefrequentie ongeveer 6 tot 8 keer per 24 uur. De eerste mictiedrang ontstaat wanneer de blaas gevuld is met 150 tot 200 ml urine. Normaliter wordt de aandrang beheerst tot men zich in gepaste omstandigheden bevindt om te plassen. Ter beheersing van de aandrang activeert het sympathisch zenuwstelsel de sfincter van de urethra en de bekkenbodemspieren en ontspant de in de blaaswand gelegen spier (de m. detrusor). Tijdens de mictiefase ontstaat op basis van afferente signalen naar de hersenen een mictiecommando vanuit de motorische hersenschors. Dit commando verloopt vervolgens via het mictiecentrum in de pons naar kernen in het sacrale merg en de nn. pudendi, waar het leidt tot relaxatie van de sfincter van de urethra en bekkenbodemspieren. Hierop volgt reflectoir via de parasympathische kernen een contractie van de m. detrusor, die bij voldoende contractiliteit zorgt voor een residuloze mictie. Via het limbische systeem kunnen ook emotionele factoren en gedragsinvloeden de m. detrusor stimuleren en remmen.

Etiologie/pathofysiologie

Bij stressincontinentie schiet het mechanisme dat de urethra afsluit bij intra-abdominale drukverhoging tekort. Dit is het gevolg van een combinatie van niet goed functionerende sluitspieren van de blaas en urethra (qua kracht, coördinatie en timing van aanspanning), niet-stabiele positie van de urethra in het kleine bekken, en niet-waterdichte afsluiting van de urethra door de urethrale mucosa. Zwangerschap en vaginale bevallingen zijn de belangrijkste risicofactoren.4 Overige risicofactoren zijn onder andere: een postmenopauzale status (urogenitale atrofie), urogenitale prolaps, eerdere operaties in het kleine bekken en condities die gepaard gaan met frequente intra-abdominale drukverhogingen, zoals chronisch hoesten.
Bij urgency-incontinentie treden onwillekeurige detrusorcontracties op, ten gevolge van overprikkeling vanuit het centrale zenuwstelsel of ten gevolge van verhoogde gevoeligheid voor prikkels. De oorzaak is vaak onbekend. Soms speelt een neurologische aandoening een rol, of irritatie van de blaas na een cystitis, na radiotherapie of door cafeïne.7 Urgency-incontinentie kan ook veroorzaakt worden door eerdere operaties in het kleine bekken, zoals voor stressincontinentie. Vanwege de onwillekeurige detrusorcontracties spreekt men ook wel van het overactieveblaassyndroom. Dit syndroom komt ook voor zonder incontinentie.
Reflexincontinentiereflexincontinentie berust op het reflectoir samentrekken van de blaas in de afwezigheid van een normale mictiedrang. Deze vorm van incontinentie wordt veroorzaakt door suprasacrale laesies – bijvoorbeeld na een herseninfarct of een dwarslaesie of bij de ziekte van Parkinson, multiple sclerose of (diabetische) neuropathie – waardoor de remmende invloed van de hersenschors en hersenstam op de blaas verloren gaat.
Bij overloopincontinentieoverloopincontinentie is de contractiliteit van de blaas verminderd of geheel verloren gegaan. Hierdoor ontbreken detrusorcontracties, waardoor de vrouw geen mictiedrang ervaart. Wanneer de druk in de blaas de maximale urethrale druk overschrijdt, ontstaat urineverlies. Overloopincontinentie kan bijvoorbeeld optreden ten gevolge van diabetische neuropathie, het cauda-equinasyndroom, een afvloedbelemmering of het gebruik van geneesmiddelen met een anticholinerg effect.8
Continue incontinentie ontstaat ten gevolge van een fistel tussen de vagina en blaas, bijvoorbeeld ten gevolge van een verwonding, een operatie in het kleine bekken of door een zeer langdurige partus. Een fistel kan ook aangeboren zijn.

Richtlijnen diagnostiek

Veel vrouwen zijn terughoudend in het zoeken van hulp voor urine-incontinentie. Een deel van hen staat open voor behandeling.5 Daarom is het aan te bevelen om ook bij (indirecte) signalen voor het bestaan van urine-incontinentie actief te informeren naar het bestaan daarvan en na te gaan of de vrouw hierover een hulpvraag heeft. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een verzoek om incontinentiematerialen voor te schrijven, of de toevallige bevinding dat een vrouw tijdens lichamelijk onderzoek maandverband draagt als opvangmateriaal.9

Anamnese

Vragen om vast te stellen om welk type incontinentie het gaat:10
  • treedt het urineverlies op tijdens activiteiten die drukverhoging in de buik geven, zoals hoesten, niezen, springen, tillen of rennen?
  • gaat het urineverlies gepaard met sterke aandranggevoelens?
  • is er urineverlies zonder dat sprake is van aandrang of activiteiten die drukverhoging in de buik geven?

Vragen ter inschatting van de ernst van de klacht en de impact ervan:11,12
  • hoe lang bestaat het urineverlies, hoe vaak treedt het op en hoeveel urine verliest de vrouw per keer (enkele druppels, een scheutje of een hele plas)?
  • maakt de vrouw gebruik van opvangmateriaal en zo ja, in welke omstandigheden, welk materiaal en hoeveel?
  • informeer naar de gevolgen voor het dagelijks leven en vermijdingsgedrag, in het bijzonder voor wat betreft werk, recreatie, sociale contacten, seksualiteit, gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen.

Ga na of er mogelijk sprake is van een andere verklaring voor de klachten:
  • is de mictiefrequentie toegenomen? (denk aan een urineweginfectie of diabetes mellitus)
  • is de mictie pijnlijk en frequent? (denk aan een urineweginfectie)
  • is er sprake van zichtbare hematurie? (denk aan een urineweginfectie, urinesteenlijden of blaastumor)

Informeer naar andere factoren die kunnen bijdragen aan het optreden van ongewenst urineverlies:
  • (recente) zwangerschap en bevalling;
  • gebruik van cafeïnehoudende dranken, vochtinname en toiletgewoonten, zoals de plas te lang ophouden of weinig tijd nemen om te plassen;7,13,14
  • gebruik van geneesmiddelen: middelen met een anticholinerge werking (zoals tricyclische antidepressiva, urologische anticholinergica en antipsychotica), lisdiuretica, opioïden, benzodiazepinen, calciumantagonisten en systemische oestrogeensuppletietherapie;8
  • voorgeschiedenis: vaginale bevallingen, operaties of bestraling in het kleine bekken;
  • urogenitale prolaps(klachten): het gevoel dat er een bal in de vagina zit, of dat er iets uit de vagina hangt, of een gedurende de dag toenemend zwaar gevoel in de onderbuik en -rug;
  • comorbiditeit, zoals COPD, astma, chronische obstipatie, hartfalen, diabetes mellitus type 2, overgewicht, neurologische aandoeningen, gewrichtsaandoeningen, visuele, motorische en cognitieve beperkingen.15

Lichamelijk onderzoek

Verricht het volgende onderzoek:
  • palpatie van de buik, met speciale aandacht voor operatielittekens, tumoren en een palpabele blaas;
  • gynaecologisch onderzoek: uitwendige inspectie van de vulva en vaginaal toucher, met aandacht voor het bestaan van een urogenitale prolaps, en eventuele gradering daarvan (laat de vrouw daartoe maximaal persen), een palpabele blaas, een uterus myomatosus of een tumor van de adnexen.16-19

Geef tijdens het vaginaal toucher instructie voor het aanspannen van de bekkenbodemspieren, zie [kader Instructie aanspannen bekkenbodemspieren]. Beoordeel of de juiste spieren worden aangespannen en ontspannen. Leg uit dat het doel van deze instructie is om te beoordelen of de vrouw in staat is om de juiste spieren aan te spannen en te ontspannen. Dit is van invloed op het beleid.20,21
Lichamelijk onderzoek kan bij zwangere vrouwen bij wie tijdens deze zwangerschap klachten van incontinentie zijn ontstaan achterwege gelaten worden, omdat de zwangerschap dan vrijwel altijd de oorzaak van de incontinentie zal zijn.

Instructie aanspannen bekkenbodemspieren

Vraag de vrouw tijdens het vaginaal toucher te doen alsof ze de plas ophoudt of een wind probeert tegen te houden. Het zijn dezelfde spieren die men gebruikt als men probeert om de mictie te onderbreken. Als de juiste spieren worden aangespannen, voelt de arts deze zich sluiten rond de toucherende vingers en naar craniaal bewegen. Let er bij het aanspannen op dat noch de buikspieren worden aangespannen (met een hand op de buik goed voelbaar) noch de bil-, noch de bovenbeenspieren (de billen komen bij aanspanning van de onderzoeksbank af). Let er ook op of de vrouw in staat is op verzoek de bekkenbodemspieren te ontspannen.

Aanvullend onderzoek

Als de anamnese onvoldoende duidelijkheid geeft over de ernst en frequentie van de incontinentie, kan een mictiedagboekmictiedagboek meer inzicht geven.22 Gebruik van een mictiedagboek wordt ook aanbevolen als hulpmiddel om het effect van de behandeling te evalueren. Vraag de vrouw het dagboek gedurende drie dagen bij te houden. Een mictiedagboek is te vinden als bijlage bij deze standaard op www.nhg.org en op de NHG-Publiekswebsite www.thuisarts.nl. Bespreek het resultaat in een vervolgconsult en besteed hierbij aandacht aan het aantal keren per dag dat de vrouw ongewild urineverlies had, de hoeveelheid daarvan (druppels, scheutje, een hele plas) en de aanleiding voor het ongewilde urineverlies (heftige onbedwingbare mictiedrang of intra-abdominale drukverhoging, zoals tijdens sporten, hoesten of lachen). Let ook op de tijd tussen 2 micties en het aantal micties per 24 uur (normaal is 6 tot 8 keer).
Verricht bij vrouwen met urgencyklachten of andere klachten die kunnen passen bij een urineweginfectie urineonderzoek ter uitsluiting van een urineweginfectie (zie de NHG-Standaard Urineweginfecties).23
Routinematige residubepalingresidubepaling, bijvoorbeeld door middel van een echo van de blaas (blaasscan), wordt niet aanbevolen, vanwege de kleine a priorikans op een klinisch relevant residu en het feit dat het aantreffen van een residu doorgaans niet leidt tot een ander beleid.24

Evaluatie

Maak op basis van de anamnese onderscheid tussen:
  • stressincontinentie als het urineverlies optreedt tijdens drukverhogende momenten;
  • urgency-incontinentie indien het urineverlies optreedt gerelateerd aan sterke aandrang;
  • gemengde incontinentie indien het urineverlies zowel optreedt tijdens drukverhogende momenten als gerelateerd aan sterke aandrang.

Stel bij vrouwen met stressincontinentie vast of sprake is van:
  • ernstige klachten (meerdere keren per week urineverlies met veel hinder);
  • een urogenitale prolaps voorbij de hymenring;
  • zwangerschap of bevalling in de afgelopen zes maanden.

Stel vast of de vrouw voldoende controle heeft over haar bekkenbodemspieren. Dit is het geval als de vrouw er na instructie in slaagt om de juiste spieren aan te spannen (te lage spanning in de bekkenbodemspieren) en ze vervolgens weer te ontspannen (te hoge spanning).
Differentieeldiagnostisch zijn de volgende aandoeningen van belang:
  • de overige vormen van urine-incontinentie (reflex-, overloop-, en continue incontinentie; beleid valt buiten het bestek van deze standaard);
  • urineweginfectie (zie de NHG-Standaard Urineweginfecties);
  • urinesteenlijden (zie de NHG-Standaard Urinesteenlijden);
  • urineretentie en tumoren in het kleine bekken (beleid valt buiten het bestek van deze standaard).19

Richtlijnen beleid

Voor vrouwen met stress-, urgency-, of gemengde incontinentie geldt een aantal algemene aanbevelingen. Daarnaast zijn er per type incontinentie specifieke aanbevelingen voor het beleid. Bij gemengde incontinentie wordt de aanpak bepaald door de klachten die het meest op de voorgrond staan. Bij onvoldoende effect van deze aanpak na zes weken voegt men hieraan de behandeling van het andere type incontinentie toe.
De behandelopties zijn bij oudere vrouwen hetzelfde als bij jongere vrouwen, zij het dat bij hen vaker rekening gehouden zal moeten worden met comorbiditeit en gebruik van medicatie.25
Vrouwen die na een eerdere operatieve behandeling vanwege stressincontinentie opnieuw of nog steeds last hebben van incontinentie, verwijst de huisarts terug naar de behandelaar in de tweede lijn (zie Consultatie, verwijzing en samenwerking).26
Voor vrouwen met het overactieveblaassyndroom zonder incontinentie geldt, indien behandeling gewenst is, hetzelfde beleid als bij urgency-incontinentie.

Alle typen incontinentie

Voorlichting

Leg bij stressincontinentie uit dat de klachten veroorzaakt worden doordat de afsluiting van de blaas niet optimaal functioneert en dat de bekkenbodemspieren hierbij een belangrijke rol spelen. Onder invloed van zwangerschap en bevalling kunnen de bekkenbodemspieren slapper worden. Ook bij het ouder worden en het verminderen van de hoeveelheid vrouwelijke hormonen na de menopauze worden de weefsels van blaas, plasbuis en bekkenbodem minder stevig.
Leg bij urgency-incontinentie uit dat de klachten veroorzaakt worden door een toegenomen prikkelbaarheid van de blaas. De oorzaak daarvan is meestal niet bekend. Bij het ouder worden neemt de prikkelbaarheid van de blaas toe. Als gevolg treedt onbedwingbare plotselinge aandrang op om te plassen, moet men ook vaker plassen en kan incontinentie optreden.
Bespreek de ernst van het ongewilde urineverlies en de impact daarvan op het dagelijks leven, zoals vermijdingsgedrag en seksuele problemen. Ga na of de vrouw een hulpvraag heeft en bespreek in dat geval de behandelopties (zie Stressincontinentie en Urgency-incontinentie).
In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting kan de huisarts de vrouw verwijzen naar de informatie over urine-incontinentie op de NHG-Publiekswebsite www.thuisarts.nl of de betreffende tekst (voorheen NHG-Patiëntenbrief) meegeven (via het HIS). Deze patiënteninformatie is gebaseerd op de NHG-Standaard. Verder kan de huisarts de vrouw voor lotgenotencontact wijzen op het bestaan van de Stichting Bekkenbodem Patiënten.

Niet-medicamenteuze behandeling

  • heroverweeg het gebruik van geneesmiddelen die incontinentie kunnen doen ontstaan of doen toenemen (zie Anamnese);9
  • optimaliseer – indien mogelijk – de behandeling van comorbiditeit die een rol kan spelen bij het optreden van het urineverlies (zie Anamnese), hoewel effect hiervan op urine-incontinentie niet vaststaat;15,27
  • adviseer bij obesitas (BMI ≥ 30 kg/m2) gewichtsreductie;28
  • adviseer te streven naar een normale vochtinname en aandacht te besteden aan goede toiletgewoonten, hoewel dit geen bewezen effect heeft op urine-incontinentie.13,14

Bespreek met de vrouw de optie om opvangmateriaal te gaan gebruiken. Verwijs vrouwen die dat willen afhankelijk van de zorgverzekeraar naar de apotheek of een (online) leverancier van medische hulpmiddelen. De vrouw kan in de apotheek of van een daarin geschoolde (wijk)verpleegkundige begeleiding krijgen bij de keuze voor en het gebruik van een bepaald product.9,29 Het is aan te bevelen om met vrouwen die gebruik maken van opvangmateriaal periodiek (bijvoorbeeld een keer per jaar) het gebruik te evalueren (aandachtspunten: tevredenheid over het opvangmateriaal, wel of geen behandelwens).9
Gebruik van blaaskatheters voor incontinentie wordt afgeraden.30

Stressincontinentie

Bespreek met vrouwen met stressincontinentie die behandeling wensen de behandelopties aan de hand van de kenmerken in [tabel 1]. Het is niet goed mogelijk om te voorspellen welke vrouw het meeste baat bij welke behandeling zal hebben, dus de keuze kan voor een groot deel afhangen van de voorkeur van de vrouw. De eerste stap van de behandeling bestaat uit het doen van bekkenbodemspieroefeningen of het dragen van een pessarium.31,32 Bespreek met vrouwen met ernstige klachten (meerdere keren per week incontinentie met veel hinder) verwijzing voor het plaatsen van een midurethraalbandjemidurethraalbandje als eerste behandeloptie. Maak hierbij met de vrouw de afweging tussen de voor- en nadelen van een invasieve ingreep in vergelijking met conservatieve behandeling (zie [tabel 1]).33
Er is weinig bekend over de effectiviteit van dit beleid bij vrouwen met een prolaps prolaps voorbij de hymenring. Bespreek met deze vrouwen ook de conservatieve behandelopties uit [tabel 1], waarbij de voorkeur uitgaat naar een pessarium. Bespreek bij onvoldoende effect van conservatieve behandeling de mogelijkheid van verwijzing voor een operatieve ingreep. Afhankelijk van de ernst van de prolaps(klachten) kan deze bestaan uit het plaatsen van een midurethraalbandje, operatieve prolapscorrectie of beide.34
Voor vrouwen die slechts incontinent zijn bij specifieke activiteiten, zoals bij het sporten, kan het dragen van een grote tampontampon tijdens die activiteiten een behandeloptie zijn, hoewel het effect daarvan niet goed onderzocht is.35 Het dragen van een pessarium in die situaties is ook een mogelijkheid.
Bespreek met zwangere en pas bevallen vrouwen het gunstige natuurlijke beloop: een half jaar na de bevalling is de incontinentie zonder behandeling genezen bij 55% ten opzichte van 70% door het doen van bekkenbodemspieroefeningen.4,36 Weeg daarom met de vrouw de optie om tot een half jaar na de bevalling een afwachtend beleid te volgen af tegen de optie om conservatief te behandelen.
Tabel1Kenmerken behandelopties bij stressincontinentie
BehandeloptieKenmerken
Bekkenbodemspier-oefeningen
  • doel: verbeteren van de kracht encoördinatie van de bekkenbodemspieren, zodat de vrouw ze op het juiste moment krachtig genoeg kan aanspannen om ongewild urineverlies te voorkómen
  • niet invasief, geen bijwerkingen
  • de vrouw moet dagelijks oefeningen doen
  • bij de helft van de vrouwen treedt genezing op
  • tweederde van de vrouwen is tevreden over het effect
  • effect bij vrouwen met een prolaps voorbij de hymenring niet bekend
  • vermindert bij vrouwen met een prolaps tot boven de hymenring ook eventuele prolapsklachten
  • effect hangt af van de therapietrouw van de vrouw
  • om effect te behouden moet de vrouw de oefeningen blijven doen
Pessarium
  • doel: ondersteuning van de urethraen/of de blaashals, zodat de urethra, en dus de blaas, bij drukverhogingen in de buik beter afgesloten wordt
  • niet invasief, geen ernstige bijwerkingen
  • uit één onderzoek blijkt dat na een jaar het effect en tevredenheid vergelijkbaar zijn met bekkenbodemspieroefeningen
  • effect aangetoond bij vrouwen zonder of met prolaps tot boven de hymenring (aanwijzingen voor effect bij prolaps voorbij de hymenring)
  • vermindert ook eventuele prolapsklachten
  • de vrouw hoeft geen dagelijkse oefeningen te doen
  • kan specifiek gedragen worden in situaties waarin het ongewilde urineverlies zich voordoet, zoals tijdens het sporten, want kan door de vrouw zelf ingebracht en verwijderd worden
  • moet regelmatig gereinigd worden (door de vrouw zelf of door de huisarts)
  • de helft van de vrouwen stopt met de behandeling, van wie ruim de helft vanwege bijwerkingen (fluor, vaginale irritatie en drukulcera) en een kwart vanwege onvoldoende effect
  • in zeldzame gevallen kan incontinentie acuut verergeren door het dragen van een pessarium
Plaatsen van een midurethraalbandje
  • doel: het optillen en ondersteunen van de urethra door een bandje, waardoor deze de blaas beter kan afsluiten
  • procedure: de ingreep gebeurt met spinaal anesthesie of algehele narcose; er wordt een incisie gemaakt in de vaginavoorwand en, afhankelijk van de methode, twee incisies net boven het schaambeen of twee aan de binnenzijde van het bovenbeen; het bandje wordt spanningsloos onder de urethra gelegd en de uiteinden net onder huidniveau afgeknipt; de ingreep duurt ongeveer dertig minuten; de vrouw kan dezelfde dag naar huis
  • een jaar na de ingreep rapporteren drie van de vier vrouwen genezen te zijn en is bijna iedereen tevreden over het resultaat
  • op langere termijn (maximaal vijf jaar) is dit resultaat iets afgenomen en zeggen twee van de drie vrouwen genezen te zijn
  • postoperatieve complicaties: gemiddeld 6% ontwikkelt urgency(-incontinentie); gemiddeld 6% ontwikkelt urineretentie, die bij de helft (3%) langer dan 6 weken aanhoudt en waarvoor bij 1% heroperatie nodig is; gemiddeld 2% wordt opnieuw geopereerd, onder andere vanwege erosie van het bandje
  • uit één onderzoek blijkt dat plaatsing van een midurethraalbandje bij vrouwen in de tweede lijn met minimaal een keer per week ongewild urineverlies na een jaar effectiever is dan bekkenbodemspieroefeningen (een jaar na plaatsing van het midurethrale bandje rapporteert 91% van de vrouwen veel of zeer veel verbetering, in vergelijking met 32% door bekkenbodemspieroefeningen)
  • effect bij vrouwen met een prolaps voorbij de hymenring niet bekend

Niet-medicamenteuze behandeling stressincontinentie

Bekkenbodemspieroefeningen
Beslis in samenspraak met de vrouw of de behandeling in de huisartsenpraktijk zal plaatsvinden, of dat de vrouw hiervoor verwezen wordt naar een (bekken)fysiotherapeut. Vrouwen die (mogelijk) te weinig controle hebben over hun bekkenbodemspieren (zie Evaluatie) worden in ieder geval naar de (bekken)fysiotherapeut verwezen (zie voor overige verwijscriteria en toelichting over (bekken)fysiotherapeuten de paragraaf Consultatie, verwijzing en samenwerking). Geef bij begeleiding in de huisartsenpraktijk naast de mondelinge instructie (zie [kader Instructie voor bekkenbodemspieroefeningen bij stressincontinentie]) ook een schriftelijke instructie mee of verwijs hiervoor naar de NHG-Publiekswebsite www.thuisarts.nl.

Instructie voor bekkenbodemspieroefeningen bij stressincontinentie

  • Zie voor instructie voor het aanspannen van de bekkenbodemspieren het kader bij Lichamelijk onderzoek.
  • Een oefensessie duurt ongeveer twee tot drie minuten en bestaat uit een tien keer maximaal aanspannen van de bekkenbodemspieren gedurende zes tot acht seconden en daarna volledig ontspannen van de bekkenbodemspieren gedurende enkele seconden.
  • Instrueer de vrouw om bij het aanspannen van de bekkenbodemspieren normaal te blijven doorademen.
  • Doe per dag drie oefensessies (bouw het aantal aanspanningen per sessie en aantal sessies per dag zo nodig geleidelijk op).

Pessarium
Doorgaans voldoet een ringpessarium. Zie voor instructies voor het aanmeten en gebruiken van een pessarium de bijlage bij de standaard op www.nhg.org.

Medicamenteuze behandeling

Medicamenteuze behandeling van stressincontinentie, bijvoorbeeld met duloxetineduloxetine of systemische of lokale oestrogenen, wordt niet aanbevolen vanwege het beperkte effect en de bijwerkingen.37,38
Urgency-incontinentie
Bespreek dat door middel van blaastraining de tijd tussen twee micties geleidelijk verlengd kan worden.39 Bij onvoldoende effect kunnen de oefeningen eventueel worden ondersteund met medicatie.40,41 Zie voor kenmerken van de behandelopties [tabel 2]. Bij vrouwen met het overactieveblaassyndroom zonder incontinentie geldt hetzelfde beleid.
Tabel2Stappenplan en kenmerken behandeling urgency-incontinentie
StapKenmerken
Stap 1: blaastraining
  • niet invasief, geen bijwerkingen
  • de vrouw moet dagelijksoefeningen doen
  • bij de meeste vrouwen treedt verbetering of genezing op
  • effect hangt af van detherapietrouw van de vrouw
  • om effect te behouden moet de vrouw de oefeningen blijven doen
Stap 2: toevoegen anticholinergica (tolterodine, oxybutyninepleister)
  • geeft in vergelijking met blaastraining vaker verbetering van de incontinentie, maar niet vaker genezing
  • vergroot als behandeling toegevoegd aan blaastraining de kans op verbetering, maar maakt geen verschil in de kans op genezing (beperkt onderzoek)
  • tweederde van de vrouwen stopt binnen zes maanden vanwege onvoldoende effect en/of bijwerkingen (hoofdpijn, droge mond, obstipatie)
  • absolute contra-indicaties: het nauwekamerhoekglaucoom, verlengde QT-tijd (tolterodine),urineretentie
  • voorzichtigheid is geboden bij elektrolytstoornissen, bradycardie, bestaande hartaandoeningen, ouderen (mogelijk hoger risico op verwardheid) en bij combinatie met medicatie die het QT-interval verlengt, zoals amiodaron, haloperidol, azitromycine en domperidon

Niet-medicamenteuze behandeling

Algemene maatregelen
Adviseer vrouwen eventueel op proef hun cafeïnegebruik (koffie, thee, cola en energiedrankjes) te minderen.7
Blaastraining
Beslis in samenspraak met de vrouw of de behandeling in de huisartsenpraktijk zal plaatsvinden, of dat de vrouw hiervoor verwezen wordt naar een (bekken-)fysiotherapeut (zie voor verwijscriteria en toelichting over (bekken)fysiotherapeuten de paragraaf Consultatie, verwijzing en samenwerking). Geef bij begeleiding in de huisartsenpraktijk naast mondelinge instructie (zie [kader Instructie blaastraining]) ook een schriftelijke instructie mee of verwijs hiervoor naar de NHG-Publiekswebsite www.thuisarts.nl.

Instructie blaastrainingblaastraining

  • Stel een mictieschema op met als basisinterval de tijd die de laatste dagen tussen twee micties zat (eventueel met hulp van het mictiedagboek); gewoonlijk is dit dertig tot zestig minuten.
  • Tips voor de vrouw om tussentijdse urgencyklachten te verminderen (eventueel op het toilet):
      • zoek afleiding;
      • probeer te ontspannen (rustig tot tien tellen, rustig naar de buik ademen: inademen door de neus, uitademen door de mond);
      • span de bekkenbodem licht aan en ontspan vervolgens; herhaal dit zolang de urgency terugkomt of aanhoudt (zie voor instructie het [kader Instructie aanspannen bekkenbodemspieren] bij Lichamelijk onderzoek).
  • De vrouw kan zelf wekelijks het interval tussen twee micties met vijftien tot dertig minuten uitstellen bij afname van het aantal incontinentie-episodes en urgency.

Medicamenteuze behandeling

De voorkeur gaat in eerste instantie uit naar behandeling met anticholinergica, gezien de brede ervaring die hiermee is opgedaan in de praktijk. Op basis van het gebruiksgemak gaat de voorkeur uit naar een preparaat met gereguleerde afgifte. Er zijn geen belangrijke verschillen in effect en bijwerkingen tussen de beschikbare anticholinergica met gereguleerde afgifte.40 Op basis van de kosten gaat de voorkeur daarom uit naar een preparaat dat generiek beschikbaar is. Bij publicatie van deze standaard was alleen tolterodine met gereguleerde afgifte generiek beschikbaar.
  • Start met het anticholinergicum tolterodinetolterodine met gereguleerde afgifte 4 mg 1 dd 1 tablet.40 Zie voor contra-indicaties van anticholinergica [tabel 2].
  • Bij matige leverfunctiestoornissen en ernstig verminderde nierfunctie (eGFR 10 tot 30 ml/min/1,73 m2) is een lagere dosering van tolterodine gewenst (tolterodine met gereguleerde afgifte 2 mg 1 dd 1 tablet).
  • Adviseer de vrouw om ook de blaastraining voort te zetten, indien dit enig resultaat had.

Het is niet mogelijk om de plaats van selectieve bèta-3-agonisten zoals mirabegronmirabegron te bepalen, omdat er nog te weinig praktijkervaring is opgedaan met dit middel.42 Indien de huisarts besluit dit middel toch voor te schrijven, bespreekt deze met de vrouw dat met dit middel nog weinig ervaring is opgedaan in de (huisartsen)praktijk, wat betekent dat over het effect en de veiligheid in de praktijk nog onzekerheid bestaat. Verlengde QT-tijd is een contra-indicatie voor mirabegron. Voorzichtigheid is geboden bij ernstige lever- of nierfunctiestoornis en ernstige ongecontroleerde hypertensie (> 180/110 mmHg). Belangrijk is dat bijwerkingen worden gemeld bij het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb.
Het gebruik van flavoxaatflavoxaat wordt niet aanbevolen, omdat dit middel niet effectief is.43

Controles alle typen incontinentie

Niet-medicamenteuze behandeling

  • Controleer minimaal na twee en zes weken na de start met bekkenbodemspieroefeningen of blaastraining. Aandachtspunten zijn het zo nodig herhalen van de instructies voor de oefeningen, en zo nodig het motiveren van de vrouw om de oefeningen voort te zetten.
  • Evalueer het effect na minimaal zes weken en maak daarbij, vooral bij blaastraining, gebruik van een mictiedagboek.22
  • Zet de behandeling voort indien verbetering is opgetreden. Indien na zes weken ondanks goede therapietrouw nog geen verbetering is opgetreden: heroverweeg de diagnose en het beleid (overweeg alsnog te verwijzen naar een (bekken)fysiotherapeut of voeg bij gemengde incontinentie de behandeling voor het andere type incontinentie toe).
  • Evalueer bij voortzetting van de behandeling het effect na drie maanden. Bij voldoende effect: benadruk het belang van regelmatig oefenen om het effect te behouden.
  • Bij onvoldoende effect heeft het bij goede therapietrouw geen zin om langer door te gaan. Bespreek in dat geval de mogelijkheid om over te stappen op een van de overige behandelopties: bij stressincontinentie een pessarium of verwijzing voor het plaatsen van een midurethraalbandje (zie [tabel 1]) en bij urgency-incontinentie het toevoegen van medicatie (zie [tabel 2]).

Zie voor controles bij het gebruik van een pessarium de bijlage bij de standaard op www.nhg.org.

Medicamenteuze behandeling (urgency-incontinentie)

  • Controleer minimaal na twee weken na de start met een anticholinergicum en besteed daarbij aandacht aan therapietrouw, bijwerkingen en het motiveren van de vrouw om de behandeling voort te zetten.
  • Evalueer na vier tot zes weken het effect en maak daarbij gebruik van het mictiedagboek.
  • Bij duidelijke verbetering en acceptabele bijwerkingen: continueer de medicatie gedurende drie tot zes maanden en stop deze dan op proef. Indien de klachten daarna recidiveren, kan de medicatie opnieuw voor drie tot zes maanden worden voorgeschreven.
  • Bij onacceptabele droge mond bij gebruik van tolterodine: bespreek met de vrouw de optie om over te stappen op de oxybutyninepleisteroxybutyninepleister (een per 3 à 4 dagen, voorzichtigheid is geboden bij ernstige lever- of nierfunctiestoornissen; in dat geval bijvoorbeeld niet vaker dan eens per 4 dagen vervangen). De pleister veroorzaakt minder vaak een droge mond, maar vaker huidirritatie, en is duurder dan tolterodine.
  • Bij blijvend onacceptabele bijwerkingen of onvoldoende effect: stop de medicatie en bespreek de optie om te verwijzen naar de tweede lijn (zie de noot voor de behandelmogelijkheden in de tweede lijn).44

Consultatie, verwijzing en samenwerking

Binnen de eerste lijn

Behandeling met bekkenbodemspieroefeningen of blaastraining kan zowel door de huisarts als door een (bekken-)fysiotherapeut toegepast worden. De huisarts kan de begeleiding, na instructie gegeven te hebben aan de vrouw, ook delegeren aan een daarvoor geschoolde praktijkondersteuner of (wijk)verpleegkundige.29 De huisarts verwijst naar een (bekken)fysiotherapeut vrouwen:
  • die onvoldoende controle hebben over hun bekkenbodemspieren, dus die er na instructie niet in slagen om de bekkenbodemspieren aan te spannen, of deze spieren daarna weer te ontspannen, of bij twijfel hierover;
  • die naar inschatting van de huisarts meer begeleiding nodig hebben dan in de betreffende huisartsenpraktijk beschikbaar is;
  • die daar zelf voorkeur aan geven;
  • bij wie na zes weken oefentherapie in de huisartsenpraktijk geen effect is opgetreden (ter overweging).

Wanneer de huisarts twijfels heeft over de diagnose, of wil weten in hoeverre de urine-incontinentie fysiotherapeutisch beïnvloedbaar is, kan de huisarts ook naar een (bekken)fysiotherapeut verwijzen voor een eenmalig bekkenfysiotherapeutisch diagnostisch consult. Dit eenmalige consult levert gegevens op over de aard, ernst en mate van fysiotherapeutische beïnvloedbaarheid van de incontinentie.
De huisarts kan zowel naar een fysiotherapeut met de bekkenbodem als aandachtsgebied als naar een geregistreerde bekkenfysiotherapeut verwijzen. Een geregistreerde bekkenfysiotherapeut heeft extra competenties (zie [kader Geregistreerde bekkenfysiotherapeuten versus fysiotherapeuten met de bekkenbodem als aandachtsgebied]) en daarom is er bij vrouwen met complexere problematiek, bijvoorbeeld met weinig controle over de bekkenbodemspieren, voorkeur voor verwijzing naar een geregistreerd bekkenfysiotherapeut. Bij verwijzing naar een geregistreerd bekkenfysiotherapeut is het raadzaam om de vrouw voor te lichten over het feit dat deze bevoegd en bekwaam is om inwendig onderzoek te doen en dit onderzoek waarschijnlijk nodig heeft om een behandeling te kunnen instellen.

Geregistreerde bekkenfysiotherapeutenbekkenfysiotherapeuten versus fysiotherapeuten met de bekkenbodem als aandachtsgebied

Geregistreerde bekkenfysiotherapeuten hebben zich na de opleiding fysiotherapie in een aanvullende gecertificeerde en door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) geaccrediteerde driejarige post-hbo-opleiding gespecialiseerd in onder andere inwendig onderzoek en inwendige behandeling, gericht op bekkenfysiotherapie. Fysiotherapeuten met de bekkenbodem als aandachtsgebied hebben na hun opleiding tot fysiotherapeut een aantal extra scholingen gevolgd op het gebied van bekkenbodemproblematiek.
Specifieke kennis en vaardigheden van een geregistreerde bekkenfysiotherapeut zijn onder andere:
  • het uitvoeren van inwendig functieonderzoek om relevante bekkenfysiotherapeutische diagnostiek uit te voeren en optimale feedback te kunnen geven over de functie van de bekkenbodemspieren;
  • in staat zijn gebruik te maken van apparatuur voor elektrostimulatie en biofeedback. Deze middelen worden vooral gebruikt om spiergroepen of functies, die voor de vrouw onbekend zijn, te leren herkennen en functioneel adequaat te gebruiken.

Een overzicht van geregistreerde bekkenfysiotherapeuten is beschikbaar via: www.defysiotherapeut.com.

Bedrijfsarts

  • Consulteer of verwijs naar de bedrijfsarts bij problemen op het werk of (dreigend) ziekteverzuim ten gevolge van de urine-incontinentie (schaamte, toilet te ver weg).

Tweede lijn

Algemene uitgangspunten:
  • de huisarts verwijst naar een medisch specialist met voldoende ervaring en affiniteit met urine-incontinentie. Afhankelijk van de regionale situatie kan dit een gynaecoloog of uroloog zijn;45
  • verwijzing naar een multidisciplinair team heeft mogelijk meerwaarde bij complexere problematiek, zoals bij gecombineerde incontinentie voor urine en feces of bij incontinentie in combinatie met ernstige aanhoudende seksuele problematiek;
  • bij verwijzing levert de huisarts bij voorkeur ook een recent door de vrouw ingevuld mictiedagboek aan, indien dit beschikbaar is.22

Verwijs- en consultatiecriteria:
  • vrouwen met stressincontinentie bij wie behandeling met bekkenbodemspieroefeningen na drie maanden en/of een pessarium onvoldoende resultaat oplevert;
  • vrouwen met ernstige stressincontinentie (meerdere keren per week urineverlies met veel hinder) met de wens om geopereerd te worden;
  • vrouwen die na een eerdere operatieve behandeling vanwege stressincontinentie opnieuw of nog steeds last hebben van stress- of urgency-incontinentie;23
  • vrouwen met urgency-incontinentie bij wie blaastraining en medicamenteuze behandeling onvoldoende resultaat opleveren.42

Totstandkoming

Nadat werd besloten te beginnen met de herziening van de NHG-Standaard Incontinentie voor urine werd in 2013 een werkgroep geformeerd. Deze bestond uit de volgende leden: dr. L.C.M. Berghmans, als bekkenfysiotherapeut en klinisch epidemioloog verbonden aan het MUMC+ te Maastricht; dr. J.H. Dekker, als huisarts en universitair hoofddocent verbonden aan de afdeling huisartsgeneeskunde van het UMCG te Groningen; prof.dr. A.L.M. Lagro-Janssen, als hoogleraar Vrouwenstudies Medische Wetenschappen en kaderhuisarts urogynaecologie verbonden aan de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde/Vrouwenstudies Medische Wetenschappen van het Radboudumc te Nijmegen; dr. G.H.C. Mientjes, apotheekhoudend huisarts te Westbroek; dr. D. Teunissen, huisarts te Deventer, kaderhuisarts urogynaecologie en als senior onderzoeker verbonden aan de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde/Vrouwenstudies Medische Wetenschappen van het Radboudumc te Nijmegen; dr. J.H.J.M. Uijen, huisarts te Holten. De volgende personen zijn betrokken geweest ten behoeve van samenwerkingsaspecten met de tweede lijn. Zij zijn daarvoor een keer aanwezig geweest bij een werkgroepvergadering en hebben de tekst van commentaar voorzien: prof.dr. C.H. van der Vaart, hoogleraar gynaecologie, namens de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en dr. L.M.O. de Kort, uroloog, namens de Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU).
Z. Damen-van Beek, huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, begeleidde de werkgroep en deed de redactie. Dr. Tj. Wiersma was betrokken als senior wetenschappelijk medewerker, M.M. Verduijn als senior wetenschappelijk medewerker Farmacotherapie en dr. J.S. Burgers als hoofd van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap. M.J. Hugenholtz was betrokken als medewerker van de afdeling Implementatie. Door geen van de leden van de werkgroep werd belangenverstrengeling gemeld. In oktober 2014 werd de ontwerpstandaard voor commentaar naar vijftig willekeurig uit het NHG-ledenbestand gekozen huisartsen gestuurd. Er werden tien commentaarformulieren retour ontvangen. Ook werd commentaar ontvangen van een aantal referenten, te weten: M. Danz, apotheker, namens het Zorginstituut Nederland; dr. T. Schalekamp, apotheker, J.J. Luinenburg, apotheker, dr. E.J. Vollaard, apotheker, K. de Leest, apotheker, A.R. Dreijer, aios ziekenhuisfarmacie en P.N.J. Langendijk, ziekenhuisapotheker, allen namens de Werkgroep voor Farmacotherapie en Geneesmiddelinformatie (WFG) en het KNMP Geneesmiddel Informatie Centrum; dr. L. Boomsma, huisarts en senior beleidsadviseur, namens de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV); dr. J.A.H. Eekhof, huisarts en hoofdredacteur van Huisarts en Wetenschap; dr. D. Bijl, arts-epidemioloog en hoofdredacteur van het Geneesmiddelenbulletin; J.J. Oltvoort, senior beleidsmedewerker gezondheidseconomie, namens Nefarma; M. Favié, voorzitter van de Bond van de generieke geneesmiddelenindustrie Nederland (Bogin); dr. H.J.M.G. Nelissen-Vrancken, senior apotheker, namens het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM); dr. N. Delvaux, als huisarts verbonden aan de KU te Leuven en EBMPracticeNet, namens de Domus Medica te België (de Vlaamse huisartsenvereniging); P.J.H.M. Bezemer-van Mierlo, bedrijfsarts bij Medicum Consult, namens de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB); F. Thoolen, J.C. Korver en R. van der Veen, allen huisarts, allen namens InEen; dr. J. Heesakkers, uroloog, namens de werkgroep Functionele en reconstructieve Urologie van de Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU); A. de Graaf, wijkverpleegkundige, namens V&VN Praktijkverpleegkundigen & Praktijkondersteuners, J. Verkerk, verpleegkundige, namens V&VN Urologie Verpleegkundigen, E.C. Hoogendoorn, obstetrieverpleegkundige, namens V&VN Voortplanting, Obstetrie & Gynaecologie, M. Bus, verpleegkundig specialist, namens de Expertgroep richtlijnen Wijkverpleegkundigen van V&VN; dr. P.J. Voorham-van der Zalm, dr. P. Albers-Heitner, C.W.L. van den Bos, allen namens de Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie bij Bekkenproblematiek en pre- en postpartum gezondheidszorg (NVFB); dr. W. Mensink, oud-gynaecoloog, namens de Stichting Bekkenbodempatiënten; dr. P.M. Leusink, huisarts en seksuoloog.
Naamsvermelding als referent betekent overigens niet dat een referent de standaard inhoudelijk op ieder detail onderschrijft. J. van Dongen en F. Edskens hebben namens de NHG-Adviesraad Standaarden (NAS) tijdens de commentaarronde beoordeeld of de ontwerpstandaard antwoord geeft op de vragen uit het herzieningsplan. In februari 2015 werd de standaard besproken en geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie (AC).
De zoekstrategie die gevolgd werd bij het zoeken naar de onderbouwende literatuur is te vinden bij de webversie van deze standaard. Daarnaast zijn de procedures voor de ontwikkeling van de NHG-Standaarden in te zien in het procedureboek (zie www.nhg.org).
© 2015 Nederlands Huisartsen Genootschap

Literatuur

  • 1.Bij verwijzingen naar NHG-producten: zie www.nhg.org.
  • 2.Abrams P, Smith AP, Cotterill N. The impact of urinary incontinence on health-related quality of life (HRQoL) in a real-world population of women aged 45-60 years: results from a survey in France, Germany, the UK and the USA. BJU 2015;115:143-52.
  • 3.Albers-Heitner CP, Joore MA, Winkens RA, Lagro-Janssen AL, Severens JL, Berghmans LC. Cost-effectiveness of involving nurse specialists for adult patients with urinary incontinence in primary care compared to care-as-usual: an economic evaluation alongside a pragmatic randomized controlled trial. Neurourol Urodyn 2012;31:526-34.
  • 4.Albers-Heitner CP, Berghmans B, Joore M, Lagro-Janssen T, Severens J, Nieman F, et al. The effects of involving a nurse practitioner in primary care for adult patients with urinary incontinence: the PromoCon study (Promoting Continence). BMC Health Serv Res 2008;8:84.
  • 5.Albers-Heitner CP, Winkens R, Berghmans B, Joore M, Nieman F, Severens J, et al. Consumer satisfaction among patients and their general practitioners about involving nurse specialists in primary care for patients with urinary incontinence. Scand J Caring Sci 2013;27:253-9.
  • 6.Albers-Heitner CP, Lagro-Janssen TA, Venema PP, Berghmans BL, Winkens RR, De Jonge AA, et al. Experiences and attitudes of nurse specialists in primary care regarding their role in care for patients with urinary incontinence. Scand J Caring Sci 2011a;25:303-10.
  • 7.Albers-Heitner CP, Lagro-Janssen TA, Joore MM, Berghmans BL, Nieman FF, Venema PP, et al. Effectiveness of involving a nurse specialist for patients with urinary incontinence in primary care: results of a pragmatic multicentre randomised controlled trial. Int J Clin Pract 2011b;65:705-12.
  • 8.Arya LA, Jackson ND, Myers DL, Verma A. Risk of new-onset urinary incontinence after forceps and vacuum delivery in primiparous women. Am J Obstet Gynecol 2001;185:1318-23.
  • 9.Avery K, Donovan J, Peters TJ, Shaw C, Gotoh M, Abrams P. ICIQ: a brief and robust measure for evaluating the symptoms and impact of urinary incontinence. Neurourol Urodyn 2004;23:322-30.
  • 10.Barber MD, Kleeman S, Karram MM, Paraiso MF, Ellerkmann M, Vasavada S, et al. Risk factors associated with failure 1 year after retropubic or transobturator midurethral slings. Am J Obstet Gynecol 2008;199:666-7.
  • 11.Baydock SA, Flood C, Schulz JA, MacDonald D, Esau D, Jones S, et al. Prevalence and risk factors for urinary and fecal incontinence four months after vaginal delivery. J Obstet Gynaecol Can 2009;31:36-41.
  • 12.Berghmans B, Van Waalwijk van Doorn E, Nieman F, De Bie R, Van den Brandt P, Van Kerrebroeck P. Efficacy of physical therapeutic modalities in women with proven bladder overactivity. Eur Urol 2002;41:581-7.
  • 13.Berglund AL, Fugl-Meyer KS. Sexual problems in women with urinary incontinence. A retrospective study of medical records. Scand J Caring Sci 1991;5:13-6.
  • 14.Bollard RC, Gardiner A, Duthie GS, Lindow SW. Anal sphincter injury, fecal and urinary incontinence: a 34-year follow-up after forceps delivery. Dis Colon Rectum 2003;46:1083-8.
  • 15.Boyle R, Hay-Smith EJ, Cody JD, Morkved S. Pelvic floor muscle training for prevention and treatment of urinary and faecal incontinence in antenatal and postnatal women. Cochrane Database Syst Rev 2012;10:CD007471.
  • 16.Bradley CS, Kennedy CM, Nygaard IE. Pelvic floor symptoms and lifestyle factors in older women. J Womens Health (Larchmt) 2005;14:128-36.
  • 17.Broens-Oostveen MC, Mom RM, Lagro-Janssen ALM. De genitale prolaps; behandeling en beloop in vier huisartspraktijken. Ned Tijdschr Geneeskd 2004;148:1444-8.
  • 18.Bryant CM, Dowell CJ, Fairbrother G. Caffeine reduction education to improve urinary symptoms. Br J Nurs 2002;11:560-5.
  • 19.Bump RC, Voss S, Beardsworth A, Manning M, Zhao YD, Chen W. Long-term efficacy of duloxetine in women with stress urinary incontinence. BJU Int 2008;102:214-8.
  • 20.Burgio KL, Matthews KA, Engel BT. Prevalence, incidence and correlates of urinary incontinence in healthy, middle-aged women. J Urol 1991;146:1255-9.
  • 21.Burgio KL, Zyczynski H, Locher JL, Richter HE, Redden DT, Wright KC. Urinary incontinence in the 12-month postpartum period. Obstet Gynecol 2003;102:1291-8.
  • 22.Campeau L, Tu LM, Lemieux MC, Naud A, Karsenty G, Schick E, et al. A multicenter, prospective, randomized clinical trial comparing tension-free vaginal tape surgery and no treatment for the management of stress urinary incontinence in elderly women. Neurourol Urodyn 2007;26:990-4.
  • 23.CBO/LEVV. Richtlijn Urine-incontinentie bij vrouwen (2012). http://www.diliguide.nl/document/692/file/pdf/.
  • 24.Cerruto MA, D’Elia C, Aloisi A, Fabrello M, Artibani W. Prevalence, incidence and obstetric factors’ impact on female urinary incontinence in Europe: a systematic review. Urol Int 2013;90:1-9.
  • 25.Chapple CR, Kaplan SA, Mitcheson D, Klecka J, Cummings J, Drogendijk T, et al. Randomized double-blind, active-controlled phase 3 study to assess 12-month safety and efficacy of mirabegron, a beta(3)-adrenoceptor agonist, in overactive bladder. Eur Urol 2013;63:296-305.
  • 26.Clemons JL, Aguilar VC, Sokol ER, Jackson ND, Myers DL. Patient characteristics that are associated with continued pessary use versus surgery after 1 year. Am J Obstet Gynecol 2004;191:159-64.
  • 27.Cody JD, Jacobs ML, Richardson K, Moehrer B, Hextall A. Oestrogen therapy for urinary incontinence in post-menopausal women. Cochrane Database Syst Rev 2012;10:CD001405.
  • 28.Cornu JN, Mouly S, Amarenco G, Jacquetin B, Ciofu C, Haab F. 75NC007 device for noninvasive stress urinary incontinence management in women: a randomized controlled trial. Int Urogynecol J 2012;23:1727-34.
  • 29.Danforth KN, Townsend MK, Lifford K, Curhan GC, Resnick NM, Grodstein F. Risk factors for urinary incontinence among middle-aged women. Am J Obstet Gynecol 2006;194:339-45.
  • 30.Donnelly MJ, Powell-Morgan S, Olsen AL, Nygaard IE. Vaginal pessaries for the management of stress and mixed urinary incontinence. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct 2004;15:302-7.
  • 31.Dowd TT, Campbell JM, Jones JA. Fluid intake and urinary incontinence in older community-dwelling women. J Community Health Nurs 1996;13:179-86.
  • 32.Drennan VM, Greenwood N, Cole L, Fader M, Grant R, Rait G, et al. Conservative interventions for incontinence in people with dementia or cognitive impairment, living at home: a systematic review. BMC Geriatr 2012;12:77.
  • 33.Dumoulin C, Hay-Smith EJ, Mac Habee-Seguin G. Pelvic floor muscle training versus no treatment, or inactive control treatments, for urinary incontinence in women. Cochrane Database Syst Rev 2014;5:CD005654.
  • 34.Eason E, Labrecque M, Marcoux S, Mondor M. Effects of carrying a pregnancy and of method of delivery on urinary incontinence: a prospective cohort study. BMC Pregnancy Childbirth 2004;4:4.
  • 35.Edwards SJ, Karner C, Trevor N, Barton S, Nherera L. Mirabegron for the treatment of symptoms associated with overactive bladder STA REPORT (2013). London: BMJ-TAG. http://www.nice.org.uk/guidance/ta290/resources/overactive-bladder-mirabegron-evidence-review-group-report2.
  • 36.Farrell SA, Singh B, Aldakhil L. Continence pessaries in the management of urinary incontinence in women. J Obstet Gynaecol Can 2004;26:113-7.
  • 37.Farrell SA, Baydock S, Amir B, Fanning C. Effectiveness of a new self-positioning pessary for the management of urinary incontinence in women. Am J Obstet Gynecol 2007;196:474-8.
  • 38.Gallagher P, Ryan C, Byrne S, Kennedy J, O’Mahony D. STOPP (Screening Tool of Older Person’s Prescriptions) and START (Screening Tool to Alert doctors to Right Treatment). Consensus validation. Int J Clin Pharmacol Ther 2008;46:72-83.
  • 39.Gleason JL, Richter HE, Redden DT, Goode PS, Burgio KL, Markland AD. Caffeine and urinary incontinence in US women. Int Urogynecol J 2013;24:295-302.
  • 40.Groutz A, Blaivas JG, Chaikin DC, Resnick NM, Engleman K, Anzalone D, et al. Noninvasive outcome measures of urinary incontinence and lower urinary tract symptoms: a multicenter study of micturition diary and pad tests. J Urol 2000;164:698-701.
  • 41.Handa VL, Whitcomb E, Weidner AC, Nygaard I, Brubaker L, Bradley CS, et al. Sexual function before and after non-surgical treatment for stress urinary incontinence. Female Pelvic Med Reconstr Surg 2011;17:30-5.
  • 42.Hanley J, Capewell A, Hagen S. Validity study of the severity index, a simple measure of urinary incontinence in women. BMJ 2001;322:1096-7.
  • 43.Hannestad YS, Rortveit G, Daltveit AK, Hunskaar S. Are smoking and other lifestyle factors associated with female urinary incontinence? The Norwegian EPINCONT Study. BJOG 2003;110:247-54.
  • 44.Haylen BT, De Ridder D, Freeman RM, Swift SE, Berghmans B, Lee J, et al. An International Urogynecological Association (IUGA)/International Continence Society (ICS) joint report on the terminology for female pelvic floor dysfunction. Int Urogynecol J 2010;21:5-26.
  • 45.Herzog AR, Fultz NH, Brock BM, Brown MB, Diokno AC. Urinary incontinence and psychological distress among older adults. Psychol Aging 1988;3:115-21.
  • 46.Hunskaar S. A systematic review of overweight and obesity as risk factors and targets for clinical intervention for urinary incontinence in women. Neurourol Urodyn 2008;27:749-57.
  • 47.Jamison J, Maguire S, McCann J. Catheter policies for management of long term voiding problems in adults with neurogenic bladder disorders. Cochrane Database Syst Rev 2004;2:CD004375.
  • 48.Jura YH, Townsend MK, Curhan GC, Resnick NM, Grodstein F. Caffeine intake, and the risk of stress, urgency and mixed urinary incontinence. J Urol 2011;185:1775-80.
  • 49.Kafri R, Deutscher D, Shames J, Golombp J, Melzer I. Randomized trial of a comparison of rehabilitation or drug therapy for urgency urinary incontinence: 1-year follow-up. Int Urogynecol J 2013;24:1181-9.
  • 50.Kenton K, Stoddard AM, Zyczynski H, Albo M, Rickey L, Norton P, et al. 5-year longitudinal follow-up after retropubic and transobturator midurethral slings. J Urol 2015;193:203-10.
  • 51.Kessler TM, Bachmann LM, Minder C, Lohrer D, Umbehr M, Schunemann HJ, et al. Adverse event assessment of antimuscarinics for treating overactive bladder: a network meta-analytic approach. PLoS One 2011;6:e16718.
  • 52.Kim H, Yoshida H, Suzuki T. The effects of multidimensional exercise on functional decline, urinary incontinence, and fear of falling in community-dwelling elderly women with multiple symptoms of geriatric syndrome: a randomized controlled and 6-month follow-up trial. Arch Gerontol Geriatr 2011;52:99-105.
  • 53.Klaasen R, Hilkens C, Teunissen D, Lagro-Janssen T. Urine-incontinentie heeft een negatieve invloed op het seksuele functioneren van vrouwen. Tijdschr Seksuologie 2008;32:20-7.
  • 54.Klovning A, Avery K, Sandvik H, Hunskaar S. Comparison of two questionnaires for assessing the severity of urinary incontinence: The ICIQ-UI SF versus the incontinence severity index. Neurourol Urodyn 2009;28:411-5.
  • 55.KNGF. KNGF-richtlijn Stress (urine-)incontinentie (2011). https://www.fysionet-evidencebased.nl/images/pdfs/richtlijnen/sui_2011/sui_praktijkrichtlijn.pdf .
  • 56.KNMP. Informatorium Medicamentorum. Den Haag: KNMP, 2014.
  • 57.Labrie J, Lagro-Janssen AL, Fischer K, Berghmans LC, Van der Vaart CH. Predicting who will undergo surgery after physiotherapy for female stress urinary incontinence. Int Urogynecol J 2015;26:329-34.
  • 58.Labrie J, Berghmans BL, Fischer K, Milani AL, Van der Wijk I, Smalbraak DJ, et al. Surgery versus physiotherapy for stress urinary incontinence. N Engl J Med 2013;369:1124-33.
  • 59.Lagro-Janssen ALM. Urine-incontinentie bij vrouwen in de huisartspraktijk. Nijmegen: Katholieke Universiteit Nijmegen, 1991a.
  • 60.Lagro-Janssen ALM, Debruyne FMJ, Van Weel C. Diagnostiek in de huisartspraktijk van incontinentia urinae bij vrouwen goed mogelijk door gerichte anamnese. Ned Tijdschr Geneeskd 1991b;135:1441-44.
  • 61.Lagro-Janssen ALM, Smits AJA, Van Weel C. Urine-incontinentie en kwaliteit van leven. Tijdschrift voor sociale gezondheidszorg 1993;137:378-82.
  • 62.Lagro-Janssen T, Van Weel C. Long-term effect of treatment of female incontinence in general practice. Br J Gen Pract 1998;48:1735-38.
  • 63.Laurikainen E, Valpas A, Aukee P, Kivela A, Rinne K, Takala T, et al. Five-year results of a randomized trial comparing retropubic and transobturator midurethral slings for stress incontinence. Eur Urol 2014;65:1109-14.
  • 64.Li J, Yang L, Pu C, Tang Y, Yun H, Han P. The role of duloxetine in stress urinary incontinence: a systematic review and meta-analysis. Int Urol Nephrol 2013;45:679-86.
  • 65.Lipp A, Shaw C, Glavind K. Mechanical devices for urinary incontinence in women. Cochrane Database Syst Rev 2011:CD001756.
  • 66.Locher JL, Goode PS, Roth DL, Worrell RL, Burgio KL. Reliability assessment of the bladder diary for urinary incontinence in older women. J Gerontol A Biol Sci Med Sci 2001;56:M32-5.
  • 67.Madhuvrata P, Singh M, Hasafa Z, Abdel-Fattah M. Anticholinergic drugs for adult neurogenic detrusor overactivity: a systematic review and meta-analysis. Eur Urol 2012a;62:816-30.
  • 68.Madhuvrata P, Cody JD, Ellis G, Herbison GP, Hay-Smith EJ. Which anticholinergic drug for overactive bladder symptoms in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012b;1:CD005429.
  • 69.Mariappan P, Ballantyne Z, N’Dow JM, Alhasso AA. Serotonin and noradrenaline reuptake inhibitors (SNRI) for stress urinary incontinence in adults. Cochrane Database Syst Rev 2005:CD004742.
  • 70.Melville JL, Katon W, Delaney K, Newton K. Urinary incontinence in US women: a population-based study. Arch Intern Med 2005;165:537-42.
  • 71.Meyhoff HH, Gerstenberg TC, Nordling J. Placebo--the drug of choice in female motor urge incontinence? Br J Urol 1983;55:34-7.
  • 72.NICE. Urinary incontinence (2013). http://www.nice.org.uk/nicemedia/live/14271/65143/65143.pdf .
  • 73.Nilsson CG, Palva K, Aarnio R, Morcos E, Falconer C. Seventeen years’ follow-up of the tension-free vaginal tape procedure for female stress urinary incontinence. Int Urogynecol J 2013;24:1265-9.
  • 74.NIVEL. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn (2014). http://www.nivel.nl/NZR/zorgregistraties-eerstelijn .
  • 75.Norton PA. Prevalence and social impact of urinary incontinence in women. Clin Obstet Gynecol 1990;33:295-7.
  • 76.Nuotio M, Jylha M, Koivisto AM, Tammela TL. Association of smoking with urgency in older people. Eur Urol 2001;40:206-12.
  • 77.NVOG. Richtlijn prolaps (2014). Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie. http://nvog-documenten.nl/uploaded/docs/Definitieve%20richtlijn%20Prolaps%202014.pdf.
  • 78.NVU/NVOG. Richtlijn urine-incontinentie voor de tweede- en derdelijnszorg (2014). Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Urologie en Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie. http://www.nvog-documenten.nl/uploaded/docs/Definitieve%20versie%20Richtlijn%20urine-incontinentie%202013.pdf .
  • 79.Nygaard I, Holcomb R. Reproducibility of the seven-day voiding diary in women with stress urinary incontinence. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct 2000;11:15-7.
  • 80.Nyyssonen V, Talvensaari-Mattila A, Santala M. A prospective randomized trial comparing tension-free vaginal tape versus transobturator tape in patients with stress or mixed urinary incontinence: subjective cure rate and satisfaction in median follow-up of 46 months. Scand J Urol 2014;48:309-15.
  • 81.Ostaszkiewicz J, Johnston L, Roe B. Timed voiding for the management of urinary incontinence in adults. Cochrane Database Syst Rev 2004:CD002802.
  • 82.Paquette A, Gou P, Tannenbaum C. Systematic review and meta-analysis: do clinical trials testing antimuscarinic agents for overactive bladder adequately measure central nervous system adverse events? J Am Geriatr Soc 2011;59:1332-9.
  • 83.Persson J, Wolner-Hanssen P, Rydhstroem H. Obstetric risk factors for stress urinary incontinence: a population-based study. Obstet Gynecol 2000;96:440-5.
  • 84.Rai BP, Cody JD, Alhasso A, Stewart L. Anticholinergic drugs versus non-drug active therapies for non-neurogenic overactive bladder syndrome in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012;12:CD003193.
  • 85.Roe B, Doll H. Lifestyle factors and continence status: comparison of self-report data from a postal survey in England. J Wound Ostomy Continence Nurs 1999;26:312-9.
  • 86.Sampselle CM, Harlow SD, Skurnick J, Brubaker L, Bondarenko I. Urinary incontinence predictors and life impact in ethnically diverse perimenopausal women. Obstet Gynecol 2002;100:1230-8.
  • 87.Sander P, Mouritsen L, Andersen JT, Fischer-Rasmussen W. Should measurement of maximum urinary flow rate and residual urine volume be a part of a “minimal care” assessment programme in female incontinence? Scand J Urol Nephrol 2002;36:124-7.
  • 88.Schimpf MO, Rahn DD, Wheeler TL, Patel M, White AB, Orejuela FJ, et al. Sling surgery for stress urinary incontinence in women: a systematic review and metaanalysis. Am J Obstet Gynecol 2014;211:71.
  • 89.Sexton CC, Notte SM, Maroulis C, Dmochowski RR, Cardozo L, Subramanian D, et al. Persistence and adherence in the treatment of overactive bladder syndrome with anticholinergic therapy: a systematic review of the literature. Int J Clin Pract 2011;65:567-85.
  • 90.Shamliyan T, Wyman JF, Ramakrishnan R, Sainfort F, Kane RL. Benefits and harms of pharmacologic treatment for urinary incontinence in women: a systematic review. Ann Intern Med 2012;156:861-74.
  • 91.Svenningsen R, Staff AC, Schiotz HA, Western K, Kulseng-Hanssen S. Long-term follow-up of the retropubic tension-free vaginal tape procedure. Int Urogynecol J 2013;24:1271-8.
  • 92.Swithinbank L, Hashim H, Abrams P. The effect of fluid intake on urinary symptoms in women. J Urol 2005;174:187-9.
  • 93.Tahtinen RM, Auvinen A, Cartwright R, Johnson TM, Tammela TLJ, Tikkinen KAO. Smoking and bladder symptoms in women. Obstet Gynecol 2011;118:643-8.
  • 94.Tambyah PA, Knasinski V, Maki DG. The direct costs of nosocomial catheter-associated urinary tract infection in the era of managed care. Infect Control Hosp Epidemiol 2002;23:27-31.
  • 95.Teunissen D, Van Weel C, Lagro-Janssen T. Urinary incontinence in older people living in the community: examining help-seeking behaviour. Br J Gen Pract 2005;55:776-82.
  • 96.Teunissen D, Van den Bosch W, Van Weel C, Lagro-Janssen T. Urinary incontinence in the elderly: attitudes and experiences of general practitioners. A focus group study. Scand J Prim Health Care 2006;24:56-61.
  • 97.Teunissen TA, Van den Bosch WJ, Van den Hoogen HJ, Lagro-Janssen AL. Prevalence of urinary, fecal and double incontinence in the elderly living at home. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct 2004;15:10-13.
  • 98.Teunissen TAM, Lagro-Janssen ALM. Sex differences in the use of absorbent (incontinence) pads in independently living elderly people: do men receive less care? Int J Clin Pract 2009;63:869-73.
  • 99.Teunissen TAM, Van den Bosch WJHM, Van Weel C, Lagro-Janssen ALM. Handelt de huisarts bij ouderen anders dan de NHG-Standaard Incontinentie voor urine adviseert? En zo ja, waarom? Huisarts Wet 2008;51:70-5.
  • 100.Tomlinson BU, Dougherty MC, Pendergast JF, Boyington AR, Coffman MA, Pickens SM. Dietary caffeine, fluid intake and urinary incontinence in older rural women. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct 1999;10:22-8.
  • 101.Townsend MK, Resnick NM, Grodstein F. Caffeine intake and risk of urinary incontinence progression among women. Obstet Gynecol 2012;119:950-7.
  • 102.V&VN. Richtlijn Urine-incontinentie bij kwetsbare ouderen (2010). Utrecht: Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN). http://www.platformouderenzorg.nl/uploads/files/guidelines/richtlijn_urinecontinentie.pdf.
  • 103.Van den Muijsenbergh ME, Lagro-Janssen TA. Urinary incontinence in Moroccan and Turkish women: a qualitative study on impact and preferences for treatment. Br J Gen Pract 2006;56:945-9.
  • 104.Van der Vaart CH, De Leeuw JRJ, Roovers JP, Heintz AP. De invloed van urine-continentie op de kwaliteit van leven bij thuiswonende Nederlandse vouwen van 45-70 jaar. Ned Tijdschr Geneeskd 2000;144:894-7.
  • 105.Van Gerwen M, Schellevis F, Lagro-Janssen T. Comorbidities associated with urinary incontinence: a case-control study from the Second Dutch National Survey of General Practice. J Am Board Fam Med 2007;20:608-10.
  • 106.Van Houten P, Achterberg W, Ribbe M. Urinary incontinence in disabled elderly women: a randomized clinical trial on the effect of training mobility and toileting skills to achieve independent toileting. Gerontology 2007;53:205-10.
  • 107.Verenso. Richtlijn Blaaskatheters, langdurige blaaskatheterisatie bij patiënten met complexe multimorbiditeit (2011). http://www.verenso.nl/assets/Uploads/Downloads/Richtlijnen/VerensoRichtlijnblaaskatheters2.pdf.
  • 108.Versi E, Orrego G, Hardy E, Seddon G, Smith P, Anand D. Evaluation of the home pad test in the investigation of female urinary incontinence. Br J Obstet Gynaecol 1996;103:162-7.
  • 109.Vierhout ME, Gianotten WL. Ongewenst urineverlies bij vrouwen tijdens seksuele activiteit; een inventariserend onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd 1993;137:913-6.
  • 110.Visser E, De Bock GH, Berger MY, Dekker JH. Impact of Urinary Incontinence on Sexual Functioning in Community-Dwelling Older Women. J Sex Med 2014;11:1757-65.
  • 111.Visser E, De Bock GH, Kollen BJ, Meijerink M, Berger MY, Dekker JH. Systematic screening for urinary incontinence in older women: who could benefit from it? Scand J Prim Health Care 2012;30:21-8.
  • 112.Visser E, De Bock GH, Messelink EJ, Schram AJ, Kollen BJ, Gemert SB, et al. Active encouragement of older women with urinary incontinence in primary care to undergo diagnosis and treatment: A matched-pair cluster randomized controlled trial. Maturitas 2015;80:212-9.
  • 113.Vissers D, Neels H, Vermandel A, De Wachter S, Tjalma WAA, Wyndaele JJ, et al. The effect of non-surgical weight loss interventions on urinary incontinence in overweight women: a systematic review and meta-analysis. Obes Rev 2014;15:610-7.
  • 114.Wagg A, Cardozo L, Nitti VW, Castro-Diaz D, Auerbach S, Blauwet MB, et al. The efficacy and tolerability of the beta3-adrenoceptor agonist mirabegron for the treatment of symptoms of overactive bladder in older patients. Age Ageing 2014;43:666-75.
  • 115.Wallace SA, Roe B, Williams K, Palmer M. Bladder training for urinary incontinence in adults. Cochrane Database Syst Rev 2004;1:CD001308.
  • 116.Wang Y, Xu K, Hu H, Zhang X, Wang X, Na Y, et al. Prevalence, risk factors, and impact on health related quality of life of overactive bladder in China. Neurourol Urodyn 2011;30:1448-55.
  • 117.Williams KS, Assassa RP, Cooper NJ, Turner DA, Shaw C, Abrams KR, et al. Clinical and cost-effectiveness of a new nurse-led continence service: a randomised controlled trial. Br J Gen Pract 2005;55:696-703.
  • 118.Wyman JF, Harkins SW, Fantl JA. Psychosocial impact of urinary incontinence in the community-dwelling population. J Am Geriatr Soc 1990;38:282-8.
  • 119.Wyman JF, Choi SC, Harkins SW, Wilson MS, Fantl JA. The urinary diary in evaluation of incontinent women: a test-retest analysis. Obstet Gynecol 1988;71:812-7.

Reacties

Er zijn nog geen reacties