NHG richtlijn

Vermoeden van kindermishandeling in de huisartsenpraktijk: hoe komt het tot stand en wat gebeurt er daarna?

Gepubliceerd
8 juli 2019
De NHG-Wetenschapsdag stond dit jaar in het teken van ‘de context van de patiënt en de interactie tussen huisarts en patiënt’. De presentaties op 21 juni waren van hoge kwaliteit en divers qua onderwerp en onderzoeksmethodiek. Leest u bijvoorbeeld de eerstelijns onderzoeksvraag van Erik Stolper over vermoeden van kindermishandeling in het diagnostisch denkproces van huisartsen.
0 reacties

Inleiding

Kindermishandeling is een wijdverspreid fenomeen, komt in alle landen en culturen voor en blijft onontdekt in 90% van de gevallen. 80% van de gerapporteerde gevallen van kindermishandeling betreft emotionele verwaarlozing. In Nederland zijn 118.000 kinderen (3% van alle kinderen) jaarlijks slachtoffer van kindermishandeling, resulterend in jaarlijks 50 doden. Huisartsen rapporteren slechts 1-3% van alle gevallen van kindermishandeling aan het Meldpunt Veilig Thuis (VT). Onbekend is waarom huisartsen zo weinig melden. Daarom onderzochten wij ervaringen van huisartsen met kindermishandeling. De studie is afgerond.

Onderzoeksvraag

Hoe ontstaat het vermoeden op kindermishandeling in het diagnostisch denkproces van huisartsen? Wat doen huisartsen met dit vermoeden en welke moeilijkheden ervaren zij?

Methode

Kwalitatieve onderzoeksmethodiek: in 4 focusgroepen namen 26 huisartsen (16 vrouwen) deel aan het onderzoek. De huisartsen kwamen uit heel Nederland, werkten in de stad of op het platteland en verschilden in praktijkervaring. NVivo werd gebruikt voor thematische inhoudsanalyses van de uitgetypte focusgroepinterviews.

Resultaten

Het vermoeden op kindermishandeling werd getriggerd door een niet-pluisgevoel, een idee dat er iets niet klopte in het verhaal, een vreemde klacht of opvallend symptoom of een ongemakkelijk aanvoelende observatie in de spreekkamer. De verdenking op kindermishandeling maakte de onderzochte huisartsen alert op andere signalen, deed hen meer en andere vragen stellen en leidde tot gerichter lichamelijk onderzoek van het kind. De contextuele kennis van de huisarts was belangrijk in de afweging kinderhandeling of niet. Gevallen van seksueel misbruik of lichamelijk geweld werden door de deelnemende huisartsen gemeld aan VT maar er werd niet frequent gemeld. De huisartsen signaleerden regelmatig kinderen van goedwillende ouders met weinig opvoedkundige vaardigheden en/of in sociaaleconomisch moeilijke omstandigheden, leidend tot emotionele verwaarlozing of lichamelijke problematiek. Gebruikmakend van de arts-patiëntrelatie bouwden de huisartsen een steunend netwerk van eerstelijns professionals op rond zo’n gezin om de situatie te verbeteren. Soms werd een kinderarts geconsulteerd voor meer diagnostische duidelijkheid. De onderzochte huisartsen worstelden met vragen als ‘hoe ga ik om met een verschil in mijn waarden en normen over opvoeding en die van ouders?’ en ‘wanneer mag ik een melding niet langer uitstellen, al gaat dat ten koste van de vertrouwensrelatie?’ Soms dreigden zij ouders met een VT-melding als zij hun aanpak niet verbeterden. De deelnemende huisartsen vonden dat zij alert waren op het signaleren en aanpakken van kindermishandeling, maar vertelden ook over gemiste casuïstiek. De waardering voor VT liep nogal uiteen.

Conclusie

Een hele reeks triggers waaronder het niet-pluisgevoel, leidt tot het vermoeden kindermishandeling en nader onderzoek. Het lage percentage meldingen van huisartsen aan VT betekent niet dat zij kindermishandeling weinig opmerken. Het overgrote deel van kindermishandelingscasuïstiek betreft emotionele verwaarlozing waar huisartsen, gebruikmakend van de arts-patiënt relatie en met hulp van regionale professionals, proberen de opvoedingssituatie te verbeteren, in eerste aanleg zonder betrokkenheid van VT.

Reacties

Er zijn nog geen reacties

Verder lezen